Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.1.3
7.1.3 Resolutie
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS450503:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Resolutie van de Europese Raad over het Stabiliteits- en Groeipact, punt II; punt 6 van de considerans van Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Resolutie van de Europese Raad over het Stabiliteits- en Groeipact, onder ‘De lidstaten’, punt 2 en 6.
Artikel 104C, tweede lid, sub a, tweede streepje, EG-verdrag.
Artikel 2, eerste lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 2, tweede lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Artikel 2, derde lid, Verordening (EG) nr. 1467/97 (oorspronkelijke versie).
Resolutie van de Europese Raad over het Stabiliteits- en Groeipact, onder ‘De lidstaten’, punt 7.
Eichengreen & Wyplosz 1998, p. 68.
Resolutie van de Europese Raad over het Stabiliteits- en Groeipact, onder ‘De Commissie’, punt 3. Zie ook artikel 104C, derde lid, EG-verdrag.
Resolutie van de Europese Raad over het Stabiliteits- en Groeipact, onder ‘De Raad’, punt 1 en 2.
Resolutie van de Europese Raad over het Stabiliteits- en Groeipact, onder ‘De Raad’, punt 3.
Resolutie van de Europese Raad over het Stabiliteits- en Groeipact, onder ‘De Raad’, punt 4 en 5.
Gros & Thygesen 1998, p. 343.
Resolutie van de Europese Raad over het Stabiliteits- en Groeipact, onder ‘De Raad’, punt 6.
Hahn 1998, p. 84.
In de resolutie over het Stabiliteits- en Groeipact benadrukt de Europese Raad het belang van een strikte en tijdige uitvoering van de afspraken uit het pact. De Europese Raad verzoekt de lidstaten, de Raad en de Europese Commissie om het pact na te leven en geeft daarvoor in de resolutie een aantal richtsnoeren.
De resolutie bevat voor de lidstaten weinig nieuws. De lidstaten moeten hun begroting in evenwicht krijgen of er moet een overschot zijn. Wanneer blijkt dat van deze doelstellingen wordt afgeweken, zullen de lidstaten begrotingscorrecties moeten doorvoeren. Dit is zeker nodig indien er een buitensporig tekort dreigt. De lidstaten blijven zelf verantwoordelijk voor hun nationale begrotingsbeleid, met inachtneming van de bepalingen van het EG-verdrag, hetgeen ook in de verordening over de buitensporigtekortprocedure is vastgelegd.1 Tot zover voegt de resolutie niet veel toe aan de twee hierboven besproken verordeningen. Wel verzoekt de Europese Raad in de resolutie de lidstaten om eventuele aanbevelingen van de Raad uit eigen beweging openbaar te maken.2
De resolutie bevat één belangrijke aanvulling voor de lidstaten. Deze toevoeging gaat over de vraag wanneer een begrotingstekort van meer dan drie procent van uitzonderlijke en tijdelijke aard is. In dat geval wordt het tekort immers niet als buitensporig aangemerkt.3 De verordening over de buitensporigtekortprocedure geeft, zoals hiervoor besproken, over de zinsnede ‘uitzonderlijk en tijdelijk’ meer duidelijkheid. Een van de situaties waarbij een tekort niet buitensporig is, is wanneer een overschrijding van de drieprocentsgrens wordt veroorzaakt door een ernstige economische neergang.4 De economische neergang kan in beginsel slechts als ernstig worden aangemerkt als het reëel bbp op jaarbasis met ten minste twee procent is gedaald.5 Daarnaast kan een lidstaat aanvoeren dat een daling van het reëel bbp met minder dan twee procent op jaarbasis toch uitzonderlijk is in het licht van verdere ondersteunende informatie.6 In de resolutie verbinden de lidstaten zich ertoe om geen beroep te doen op deze uitzondering tenzij zij een ernstige recessie doormaken.7 Bij de beoordeling of een economische neergang ernstig is, is er minstens een daling van het reële bbp nodig van 0,75 procent per jaar.
Uit de resolutie blijkt dus dat bij een daling van het bbp van minder dan 0,75 procent per jaar er vrijwel nooit sprake zal zijn van een uitzondering op de drieprocentsgrens vanwege een ernstige economische neergang.8 Zit de daling tussen 0,75 en twee procent, dan zal een lidstaat aanvullende informatie moeten leveren om aan te tonen dat er sprake is van een dergelijke economische neergang. Een daling van het bbp met (meer dan) twee procent zal doorgaans voldoende zijn om van een ernstige economische neergang te kunnen spreken.
De resolutie gaat voorts in op de richtsnoeren voor de Europese Commissie en de Raad. Deze zijn vooral bedoeld om ervoor te zorgen dat de buitensporigtekortprocedure ook daadwerkelijk en onverwijld wordt uitgevoerd. Zo verbindt de Commissie zich ertoe om, indien er sprake is van een buitensporig tekort of dit dreigt te ontstaan, de buitensporigtekortprocedure te starten door het opstellen van een verslag.9 De Raad op zijn beurt dient besluiten in dit kader zo spoedig mogelijk te nemen en de termijnen voor de buitensporigtekortprocedure als maxima te beschouwen.10 Het meest opvallende punt uit de resolutie vormt echter het richtsnoer om altijd sancties op te leggen indien een lidstaat niet voldoende doet om een buitensporig tekort terug te dringen.11 In een zodanig geval zal iedere keer een niet-rentedragend deposito worden gevraagd, dat wordt omgezet in een boete indien er twee jaar na het opleggen van sancties nog sprake is van een buitensporig tekort.12 De resolutie regelt op deze manier een soort stemverklaringen voor de Raad.13 De lidstaten komen in deze resolutie immers overeen om altijd in te stemmen met sancties. Dit is een belangrijke aanvulling op de twee hierboven besproken verordeningen, waar, net zoals in het Verdrag van Maastricht, nog wordt uitgegaan van de situatie dat de Raad een besluit moet nemen om sancties op te leggen. Hoewel dit ook na deze resolutie nog het geval is, staat door deze afspraken de inhoud van dit besluit bij voorbaat al vast. De resolutie voegt daar nog aan toe dat indien de Raad niet optreedt, hij altijd de redenen die dit rechtvaardigen op papier moet zetten.14 Daarnaast wordt de Raad verzocht om in een dergelijk geval de stemmen van de lidstaten openbaar te maken.
De resolutie is onmiskenbaar bedoeld om te benadrukken dat de afspraken zoals gemaakt in het Verdrag van Maastricht en de twee verordeningen in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact strikt zullen worden nageleefd.15 De kwaliteit van regelingen over begrotingsdiscipline hangt immers niet alleen af van de inhoud ervan, maar ook, of wellicht zelfs vooral, van de geloofwaardigheid. Overeenkomsten over tekorten stellen weinig voor indien lidstaten zich er niet aan houden, en daarop geen sancties volgen. Hoewel de afspraken op papier behoorlijk rigide lijken, bleek dit in de uitvoering ervan bijzonder tegen te vallen. De praktijk van het Stabiliteits- en Groeipact zal in het vervolg van dit hoofdstuk aan bod komen.