Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.5.2.2.1
8.5.2.2.1 Amelandse bezinepomp II: casus, kritiek en toetsing aan driestapstoets
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284649:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De precieze inhoud van art. 6 planvoorschriften blijft in de Afdelingsuitspraak enigszins onderbelicht. De uitspraak van de rechtbank biedt hierover wat meer informatie: zie Rb. Leeuwarden 29 februari 2008, ECLI:NL:RBLEE:2008:BC6258 (X/Gemeente Ameland).
Zie ook Den Hollander 2016, p. 276.
Zie hierover Van Ravels 2009, onder 6.3.4, Den Hollander 2016, p. 277 en Van Zundert e.a. 2019, p. 721. Zie ook de annotatie van B.P.M. van Ravels en A.M.L. Jansen onder ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8294, AB 2009/213 (Amelands benzinestation II) onder 9.
Zie daarover Schueler 2005b, p. 105-107 en Van Ravels 2009, onder 6.3.4. De Wabo heeft op dit punt niet willen afwijken van de Wonw. De systematiek is enkel geïntegreerd in de Wabo. Zie daarover Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3 (MvT) onder 11.4.
Overigens hoeft de bestuursrechter niet ambtshalve te toetsen of een bouwbesluit geweigerd had moeten worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Zie bijv. ABRvS 14 januari 2004, AB 2004/239, m.nt. A.G.A. Nijmeijer (X/Rijswijk). De regels zijn dus niet van openbare orde.
De systematiek is thans – in essentie ongewijzigd – geïntegreerd in de Wabo. Zie daarover Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3 (MvT) onder 11.4.
Zie hierover Den Hollander 2016 en de annotatie van B.P.M. van Ravels en A.M.L. Jansen onder ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8294, AB 2009/213 (Amelands benzinestation II) onder 13.
Hierop wijzen bijvoorbeeld ook C.L.G.F.H. Albers in haar annotatie onder RvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8294, JB 2009/42 onder 7, B.P.M. van Ravels en A.M.L. Jansen onder ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8294, AB 2009/213 (Amelands benzinestation II) onder 9, De Poorter 2010, p. 36-37, Van den Berge 2012, p. 129-130 en Den Hollander 2016, p. 275.
De ABRvS neemt in ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4222, JM 2015/6 met annotatie van F. Arents (Kaag en Braassem) en in ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:202:2706 (Twiske Zuid II) aan dat vernietiging van een bestemmingsplan wegens strijd met de rechtszekerheid niet hoeft af te stuiten op de bestuursrechtelijke relativiteit van art. 8:69a Awb als het belang van de appellant mede betrekking heeft op een duidelijke planregeling. Dat kan ik volgen. De rechtszekerheid is als beginsel echter te algemeen om vast te stellen wie zij tegen welke schade wel en niet wil beschermen.
Zie ook B.P.M. van Ravels en A.M.L. Jansen onder ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8294, AB 2009/213 (Amelands benzinestation II) onder 18. Minder kritisch is Damen, die meent dat het uitgangspunt is dat bestuursorganen zich aan het recht houden en de burger de schade vergoed moet krijgen die hij door onjuiste besluiten lijdt. Het causaliteitsvereiste biedt vervolgens voldoende bescherming tegen ongerechtvaardigde claims. Zie diens annotatie onder de uitspraak in AA 2009/02, p. 250 onder 7. Die benadering is volgens mij te grofmazig.
Kamerstukken II 2009/10, 32 450, 3 (MvT), p. 54.
Conclusie A-G Widdershoven 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680 (Van Neerbos) onder 3.18.
723. De Gemeente Ameland verleent aan Ameland v.o.f. een bouwvergunning voor onder meer een benzineverkooppunt. Deze bouwvergunning strijdt met het in art. 6 van de planvoorschriften opgenomen verbod op detailhandel. De gemeente lost dit op met een binnenplanse vrijstelling.1 De naburige concurrent Nagtegaal komt tegen de vergunningverlening op. Volgens hem had de gemeente de bouwvergunning niet mogen verlenen wegens het detailhandelverbod. Daarvoor is een, met ruimere processuele waarborgen en tijdsintensievere, buitenplanse (art. 19-)vrijstelling vereist. De gemeente had de vergunning daarom moeten weigeren ex art. 48 lid 1 aanhef en onder b Wonw. 1962 (thans art. 2.10 lid 1 sub c Wabo). Nagtegaal vordert van de gemeente de door hem gederfde winst als gevolg van de ontstane concurrentie van Ameland v.o.f. De Afdeling overweegt met betrekking tot de civielrechtelijke relativiteit – na weergave van de door de Hoge Raad in Duwbak Linda daartoe ontwikkelde toets – als volgt (toev. PF):
“[H]et college [had] de bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan (…) moeten weigeren en het college [heeft], door dat niet te doen, (…) gehandeld in strijd met artikel 48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet (…). Het dwingende karakter van artikel 48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet (…), strekt er mede toe een bepaalde mate van rechtszekerheid te bieden aan de belanghebbenden bij een bestemmingsplan.
Een bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening in het desbetreffende gebied. Het bestemmingsplan biedt zo lang het geldt tevens rechtszekerheid aan belanghebbenden in dat gebied en bij dat plan, die hun handelen waar van belang op dat bestemmingsplan zullen afstemmen. In geval van afwijking van het bestemmingsplan wordt hun rechtsbescherming geboden in wettelijk voorgeschreven procedures, waarin zij hun bezwaren naar voren kunnen brengen. Het bestemmingsplan dient evenwel (…) niet om concurrentieverhoudingen te regelen.
(…)
Aannemelijk is dat [Nagtegaal] zijn bedrijfsvoering mede op het bestemmingsplan heeft afgestemd. Het college heeft inbreuk op die rechtszekerheid gemaakt door onrechtmatig aan een derde een bouwvergunning te verlenen en heeft aldus een praktisch niet meer voor wijziging vatbare situatie in het leven geroepen. Weliswaar is deze situatie naderhand door het voeren van de hiervoor genoemde vrijstellingsprocedure gelegaliseerd, maar dat laat de inbreuk en de daaruit voor [Nagtegaal] voortvloeiende schade onverlet. [Nagtegaal] werd immers geconfronteerd met een besluit tot verlening van een bouwvergunning met binnenplanse vrijstelling waarvoor minder uitgebreide procedurele waarborgen golden en heeft niet de met de procedure van artikel 19 van de WRO gemoeide tijd kunnen benutten om zijn bedrijfsvoering aan toekomstige ontwikkelingen aan te passen. Vergelijk in dit verband de arresten van de Hoge Raad van 29 maart 1974 (NJ 1974, 344) en 21 mei 1976 (nr. 11 018, NJ 1977, 17).”
Het bestemmingsplan en in dit verband het dwingende karakter van artikel 48 eerste lid, aanhef en onder b van de Woningwet, zoals dat artikel destijds luidde, strekken er mede toe rechtszekerheid te verschaffen aan genoemde belanghebbenden en beschermen mede tegen schade die wordt veroorzaakt door een onrechtmatige inbreuk daarop.”
724. Deze lijn is in de literatuur, mijns inziens terecht, bekritiseerd. Ten eerste valt niet goed in te zien waarom art. 48 Wonw. mede strekt tot bescherming tegen concurrentieschade.2 De Wonw. is gericht op de veiligheid en gezondheid van burgers, de voorziening in, en financiering van, de volkshuisvesting3 en het beheersen van de planologische inrichting, de welstand en de technische kwaliteit van bouwwerken.4 De weigeringsplicht is een logisch sluitstuk van het wettelijk systeem van de ruimtelijke ordening. Die plicht draagt ervoor zorg dat verleende vergunningen conform het bestemmingsplan zijn.5 Daarmee strookt niet dat de weigeringsverplichting strekt tot bescherming tegen concurrentieschade.6 In de door de ABRvS genoemde Hoge Raad-arresten is voor deze benadering ook geen steun te vinden, nu die arresten in het teken stonden van verlies van woongenot.7
725. Ten tweede is lastig navolgbaar waarom de rechtszekerheid tegen concurrentieschade wil beschermen. Iedere norm wil immers naar haar aard rechtszekerheid bieden.8 Daaruit laat zich niet afleiden dat de norm tegen specifieke schade wil beschermen9 (zie ook hiervoor §8.4.2.1.2). Schade als gevolg van vergunningverlening in strijd met het bestemmingsplan zou dan steeds vergoed moeten worden.10 Dat doet geen recht aan de aard en strekking van de geschonden regel die heeft geleid tot de ongeldigheid van de verleende bouwvergunning. Stel bijvoorbeeld dat het benzinestation van Ameland v.o.f. vanwege strijd met de ten behoeve van diens buren gestelde bestemmingsgrenzen slechts voor een kleiner oppervlakte verleend had mogen worden en Ameland v.o.f. daardoor de helft van het aantal pompen had kunnen exploiteren. Ook in die casus is denkbaar dat Nagtegaal schade lijdt, omdat Ameland v.o.f. dan minder winst maakt en Nagtegaal juist meer. Die bestemmingsgrenzen willen Nagtegaal echter duidelijk niet tegen schade beschermen. Het is zelfs goed denkbaar dat een op dat punt door Nagtegaal ingesteld beroep op de relativiteitseis van art. 8:69a Awb zou stranden.
726. Interessant is ten slotte dat de wetsgeschiedenis de Amelandse benzinepomp II-uitspraak bespreekt in het kader van de vraag of op de bestuursrechtelijke relativiteitseis van art. 8:69a Awb een soort bestuursrechtelijke ‘correctie Langemeijer’ kan worden aangenomen. De wetsgeschiedenis merkt op dat de Afdeling aanneemt dat Nagtegaal zich hier niet rechtstreeks kon beroepen op het bestemmingsplan, maar wel op de daardoor gewekte rechtszekerheid. De wetsgeschiedenis leest daarin een correctie. Zo’n ‘correctie’ op art. 8:69a Awb zou echter te ver gaan, omdat ieder wettelijk voorschrift beoogt de rechtszekerheid te dienen.11 Widdershoven trekt op basis daarvan ook de ondergrens van zijn voor de bestuursrechtelijke relativiteit ontworpen ‘correctie Widdershoven’ (zie hiervoor §7.2.5). Het enkele feit dat de geschonden regel de rechtszekerheid dient is onvoldoende om een correctie aan te nemen.12