Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.4.2.2:3.4.2.2 Dochtermaatschappij
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.4.2.2
3.4.2.2 Dochtermaatschappij
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610247:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verbondenheid in het begrip ‘dochtermaatschappij’ in de zin van art. 2:24a lid 1 BW wordt vastgesteld op basis van zeggenschap in de vorm van een bezit van meer dan 50% van de stemrechten of benoemingsrechten. Beckman en Bindenga (1994) spreken in dit verband van meerderheidszeggenschap, en Blommaert (1994) van ‘het kunnen opleggen van de wil aan een andere onderneming’.
Overigens kan op basis van art. 2:24a lid 3 BW ook door middel van het bezit van gecertificeerde aandelen sprake zijn van een dochtermaatschappij. In art. 2:24a lid 4 BW is een vergelijkbare regeling opgenomen voor verpande aandelen.
Bartman en Dorresteijn (2006) noemen het begrip ‘dochtermaatschappij’ een juridisch groepsbegrip. Anders dan bij het groepsbegrip van art. 2:24b BW geldt een formeel-juridisch criterium, aan de hand waarvan wordt bepaald of er ‘power-tocontrol’ bestaat. Het is niet van belang of de centrale leiding daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Het gaat ook niet om de feitelijke meerderheid op basis van de uitgeoefende stemrechten, maar om de juridische meerderheid, dat wil zeggen, de meerderheid indien alle stemrechten in de ava zouden worden uitgeoefend.
Blommaert merkt op dat het houden van de meerderheid van het geplaatste kapitaal meestal zal samenvallen met het hebben van de meerderheid van de zeggenschap. Echter, als gevolg van stemrechtbeperkingen kan dit anders zijn. Kapitaalbelang en zeggenschap kunnen voorts uiteenlopen als gevolg van stemovereenkomsten, oligarchische clausules en onderlinge regelingen tot samenwerking. Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, kan in de zeggenschap daarom niet zonder meer organisatorische verbondenheid worden herkend, omdat het niet om een rechtstreekse beïnvloeding van het ondernemingsbeleid gaat. Er kan slechts op indirecte wijze via de ava invloed worden uitgeoefend, zodat het in feite financiële verbondenheid betreft. De zeggenschap in de ava kan de organisatorische verbondenheid wel ondersteunen, maar biedt geen garantie voor de feitelijke aanwezigheid daarvan.
Het juridisch groepsbegrip van art. 2:24a BW kent twee functies, zo menen Bartman en Dorresteijn. Ten eerste is er de vereenzelvigingsfunctie, op basis waarvan handelingen van een dochtermaatschappij worden toegerekend aan de moeder. Met de bepalingen waarin deze vereenzelvigingsfunctie tot uitdrukking komt, heeft de wetgever willen voorkomen dat een rechtspersoon iets via een andere, verbonden rechtspersoon doet of nalaat wat hemzelf is verboden of juist is geboden. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verbod om bij een emissie eigen aandelen te nemen, dat op basis van art. 2:207d (98d) lid 1 BW ook geldt voor een dochtermaatschappij. De tweede functie is de operationaliseringfunctie. Hierbij gaat het er niet om te voorkomen dat wettelijke verplichtingen worden ontgaan, maar om een zo volledig en reëel mogelijk inzicht te geven in de financieel-economische situatie, zo merken Bartman en Dorresteijn op. Deze functie treft men bijvoorbeeld ook aan in de bepaling van art. 2:406 BW, met betrekking tot de geconsolideerde jaarrekening. Ik merk nog op dat beide functies van het begrip ‘dochtermaatschappij’ ook een obligatoir, en niet een facilitair, karakter hebben.