Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/8.2.2.2
8.2.2.2 Pepper v. Litton (1939): verruiming van de doctrine
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403490:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Pepper v. Litton, 308 U.S. 295, 60 S. Ct. 238 (1939).
In de woorden van het Court: “[…] waiting quietly until the outcome of the Pepper suit was definitely known.”
Pepper v. Litton, 308 U.S. 295, 60 S. Ct. 238 (1939), p. 306.
Pepper v. Litton, 308 U.S. 295, 60 S. Ct. 238 (1939), p. 309.
Zie Dickens 1987, p. 806 en Nozemack 1999, p. 696.
Het Supreme Court overweegt immers op p. 310: “[A] sufficient consideration may be simply the violation of rules of fair play and good conscience by the claimant; a breach of the fiduciary standards of conduct which he owes the corporation, its stockholders and creditors.”
Pepper v. Litton, 308 U.S. 295, 60 S. Ct. 238 (1939), p. 305.
Een op de zelfde leest geschoeide zaak betreft de uitspraak van het Supreme Court in de casus Pepper v. Litton.1 De heer Litton was de enig aandeelhouder en bestuurder van Dixie Split Coal Company (Dixie Split). Pepper was een crediteur van Dixie Split en sprak de vennootschap in rechte aan voor onbetaald gebleven royalties. Terwijl deze zaak aanhangig was, diende Litton een vordering in bij Dixie Split voor onbetaald salaris. Door uitoefening van zijn controle over Dixie Split zorgde Litton ervoor dat de vennootschap zijn loonvordering in rechte erkende waarna hij beslag kon leggen op al haar activa. Litton stuurde echter verder niet aan op betaling van de vordering, maar wachtte rustig de procedure inzake de vordering van Pepper af.2 Nadat de vordering van Pepper werd toegewezen, ging Litton pas tot executie over. Tijdens de executieveiling kocht Litton alle vermogensbestanddelen van Dixie Split. Toen Dixie Split vervolgens failleerde, diende Litton zijn (resterende) vordering voor de onbetaald gebleven salarissen in bij de curator.
Het Supreme Court haalde de beslissing inzake Deep Rock aan en wees vervolgens op de zorgplichten van aandeelhouders en bestuurders jegens de vennootschap en haar belanghebbenden:
“A director is a fiduciary. (…) So is a dominant or controlling stockholder. (…) Their powers are powers in trust. (…) Their dealings with the corporation are subjected to rigorous scrutiny and where any of their contracts or engagements with the corporation is challenged the burden is on the director or stockholder not only to prove the good faith of the transaction but also to show its inherent fairness from the viewpoint of the corporation and those interested therein. (…) The essence of the test is whether or not under all the circumstances the transaction carries the earmarks of an arm’s lengt bargain. If it does not, equity will set it aside.”3
Het Supreme Court overwoog dat transacties tussen de venootschap en haar aandeelhouders tegen niet markt-conforme voorwaarden aanleiding konden geven tot achterstelling. Het Court gaf een aantal voorbeelden van situaties waarin daarvan sprake kon zijn, bijvoorbeeld indien de aandeelhouder van zijn dominante positie gebruik had gemaakt om de vennootschap ‘uit te buiten’. Het Supreme Court concludeerde dat Litton in casu zijn strategische positie als insider had misbruikt ten detrimente van Pepper; er was sprake van een frauduleuze constructie die het doel had om aan de betaling van de vordering van Pepper te ontkomen. Deze handelwijze kwalificeerde als “unfair dealing”, zodat de vordering van Litton diende te worden achtergesteld bij alle overige crediteuren.
In een obiter dictum overwoog het Supreme Court dat ook een te geringe kapitalisatie aanleiding kon geven tot achterstelling van vorderingen van aandeelhouders:
“[S]o-called loans or advances by the dominant or controlling stockholder will be subordinated to claims of other creditors and thus treated in effect as capital contributions by the stockholder not only in the foregoing types of situations but also where the paid-in capital is purely nominal, the capital necessary for the scope and magnitude of the operations of the company being furnished by the stockholder as a loan.”4
Volgens de juridische literatuur hield de beslissing inzake Pepper v. Litton een aanzienlijke verruiming in van de achterstellingsdoctrine.5 De overwegingen van het Supreme Court zouden suggereren dat voor achterstelling niet vereist is dat frauduleuze activiteiten, controle over de vennootschap of onderkapitalisatie aanwezig is. Louter het handelen van een fiduciary in strijd met zijn fiduciaire plichten ten koste van de vennootschap of haar crediteuren zou voldoende zijn voor achterstelling.6 Het Supreme Court had immers overwogen dat in dergelijke gevallen “the bankruptcy court will invoke its powers to the end that fraud will not prevail, that substance will not give way to form, that technical considerations will not prevent substantial justice from being done.”7