Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/13.3
13.3 Afgeleide schade aandeelhouder; doorkruising vennootschapsrechtelijke rechtsorde
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS585134:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Bloembergen 1965, nr. 214 heeft overigens geschreven dat indien de vennootschap een aanspraak heeft op schadevergoeding haar vermogen niet achteruitgaat (de vennootschap heeft dan wel schade geleden, maar zij verkrijgt tegelijkertijd een vordering tot vergoeding daarvan van gelijke waarde) en daarom de aandeelhouders geen schade lijden. Kroeze 2004, p. 54 heeft deze opvatting bestreden op de mijns inziens onjuiste grond dat men aldus redenerend altijd kan zeggen dat een gelaedeerde geen schade lijdt omdat hij een aanspraak heeft op vergoeding daarvan. Kroezes gedachtegang is onjuist omdat bij de vaststelling van de aanspraak op schadevergoeding, en daarbij van de schadeomvang, van een gelaedeerde per definitie geen rekening wordt gehouden met de omvang van de eigen aanspraak van de gelaedeerde op schadevergoeding. Als het echter gaat om de aanspraak op schadevergoeding, en daarbij van de schadeomvang, van een aandeelhouder staat niets eraan in de weg om daarbij te betrekken dat de vennootschap aanspraak heeft gekregen op schadevergoeding. Niettemin is de opvatting van Bloembergen mijns inziens in zijn algemeenheid niet juist. Afgeleide schade ontstaat wel wanneer de vennootschap geen aanspraak heeft op volledig verhaal van haar schade (te denken valt aan HR 29 november 1996,NJ 1997/178 (Cri Cri) waarin de vennootschap te maken had met de beperking van art. 6:119 BW), wanneer nog onzeker is of de vennootschap een aanspraak heeft op schadevergoeding en deze aanspraak ook te gelde kan maken, en wanneer de vennootschap haar aanspraak op schadevergoeding om welke reden dan ook niet of mogelijk niet zal uitoefenen.
HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1899 (X/Gilze en Rijen), rov. 3.4.1. Zie ook: HR 2 december 1994,NJ 1995/288 m.nt. J.M.M. Maeijer (Poot/ABP), rov. 3.4.3; HR 15 juni 2001,NJ 2001/573 m.nt. J.M.M. Maeijer (Chipshol), rov. 3.4.2 en HR 16 februari 2007,NJ 2007/256 m.nt. J.M.M. Maeijer (Tuin Beheer), rov. 3.3.c.
Onder meer wordt erop gewezen dat crediteuren van de vennootschap hierdoor kunnen worden benadeeld, dat inbreuk kan worden gemaakt op de rangorde tussen aandeelhouders onderling en dat chaotische verhaalssituaties kunnen ontstaan. Zie hierover bijvoorbeeld Du Perron 1995, p. 52 e.v.; Kroeze 2004, p. 37 e.v.; Kroeze 2012, p. 33; en Timmerman 2013, p. 116, 117.
Kroeze 2004, p. 61, 62.
Kroeze 2004, p. 61, 62.
HR 26 januari 1990, NJ 1991/393 m.nt. M. Scheltema (Windmill). Zie nader nr. 138.
Net als in het geval van schade aan aandelen kan de eigenaar van de zaak ten gevolge van de beschadiging ervan ook schade lijden die niet wordt weggenomen door het herstel van de zaak; over deze verdere schade gaat het hier niet. Zie ook voetnoot 27.
Hier komt het aan op een scherpe definitie van de afgeleide schade. Het gaat om schade van een aandeelhouder door waardevermindering, of het achterwege blijven van een waardevermeerdering, van zijn aandelen die correspondeert met de schade aan de vennootschap, in die zin dat als deze schade van de vennootschap wordt vergoed, ook deze schade van de aandeelhouder tenietgaat. Een aandeelhouder kan, doordat aan de vennootschap schade wordt toegebracht, en de waarde van zijn aandelen minder wordt, ook nog andere schade lijden. Dergelijke schade is geen afgeleide schade.
Kroeze 2004, p. 80.
528. Soms wordt aan een vennootschap door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis schade toegebracht met als gevolg dat de aandelen in deze vennootschap minder waard worden en de houders van die aandelen schade lijden.1 Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt het volgende ter zake van de verhaalbaarheid van die afgeleide schade op de laedens:2
“indien een derde aan een naamloze of besloten vennootschap vermogensschade toebrengt (…) door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, [heeft] alleen de vennootschap uit dien hoofde een vordering (…) tot vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade. In beginsel komt aan één of meer houders van aandelen in de vennootschap niet een vordering toe tot vergoeding van schade bestaande in vermindering van de waarde van hun aandelen of gemiste koerswinst die het gevolg is van de vorenbedoelde (…) onrechtmatige gedraging van een derde jegens de vennootschap. Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder. (…).”
In de literatuur placht men met een scala aan (beleids)argumenten te rechtvaardigen dat degene die aan een vennootschap met een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis schade toebrengt, niet aansprakelijk is tegenover de aandeelhouder of aandeelhouders van die vennootschap. Indien een dergelijke aansprakelijkheid wel zou bestaan, zou dat in deze benadering allerlei onwenselijke gevolgen hebben.3 Op zichzelf is dat niet onjuist. Mijns inziens is het echter inzichtelijker om deze kwestie als doorkruisingsprobleem te benaderen. Het is de vennootschapsrechtelijke rechtsorde die door het geven van een aanspraak aan de aandeelhouder op vergoeding van afgeleide schade doorkruist zou worden.
Ook Kroeze heeft aandacht gevraagd voor het doorkruisingsaspect en heeft betoogd dat “de deelrechtsorde die de vennootschap in haar existentie bepaalt (…) door een vordering van de aandeelhouders uit artikel 6:162 BW op onaanvaardbare wijze zou worden doorkruist”.4 Deze deelrechtsorde heeft volgens Kroeze ook betrekking “op de verhouding tussen de bij die vennootschap betrokken organen en personen tot elkaar en tot de vennootschap”.5 Kroeze heeft echter nauwelijks uitgewerkt waarom deze deelrechtsorde onaanvaardbaar zou worden doorkruist en heeft deze opvatting slechts gebruikt om naar analogie van de Windmill-maatstaf-6 een vennootschapsrechtelijke doorkruisingsleer uit te werken.
Eén hier van belang zijnd onderdeel van de vennootschapsrechtelijke rechtsorde is de regeling omtrent het door aandeelhouders onttrekken van kapitaal aan de vennootschap (art. 2:105 en 2:216 BW). Dat een aandeelhouder niet zomaar kapitaal aan de vennootschap mag onttrekken spreekt vrijwel voor zich: dat kan eenvoudig leiden tot benadeling van crediteuren en van andere aandeelhouders en is bovendien in strijd met de gedachte dat de aandeelhouders vermogen aan de vennootschap hebben verstrekt om haar activiteiten te financieren en het aan het bestuur is dit vermogen aan te wenden. Het toestaan dat een aandeelhouder vergoeding vordert van afgeleide schade zou doorgaans betekenen, dat buiten deze regeling om door een aandeelhouder vermogen aan de vennootschap zou kunnen worden onttrokken. Dat laat zich als volgt inzien. Het uitgangspunt is dat degene die door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis schade aan de vennootschap heeft toegebracht, deze schade slechts één keer behoeft te vergoeden.
Vanzelf spreekt bijvoorbeeld dat de eigenaar van een door een onrechtmatige daad beschadigde zaak niet kan verlangen dat de laedens zowel de zaak herstelt als de waardevermindering van de zaak die het gevolg is van de door de laedens nog te herstellen beschadiging, aan de eigenaar van de zaak vergoedt.7 Evenmin kan de laedens verplicht worden om zowel de door zijn onrechtmatige daad aan een vennootschap toegebrachte schade te herstellen als de afgeleide schade van de eigenaren van de vennootschap te vergoeden: deze eigenaren zouden dan de schade tweemaal vergoed krijgen.8
Indien de laedens de afgeleide schade van een aandeelhouder vergoedt, zou ter voorkoming van een dubbele vergoedingsplicht van de laedens, de aanspraak van de vennootschap op de laedens tot het corresponderende bedrag teniet moeten gaan. De aandeelhouder die de laedens dwingt om zijn afgeleide schade te vergoeden, onttrekt aldus vermogen aan de vennootschap. Het toestaan van een aanspraak op vergoeding van afgeleide schade zou daarom een doorkruising betekenen van de regeling over kapitaalonttrekking aan de vennootschap en het uitgangspunt dat het in de eerste plaats aan het bestuur is om dit vermogen aan te wenden. Vanwege het belang dat deze regeling in de vennootschapsrechtelijke rechtsorde heeft, is deze doorkruising onaanvaardbaar. Te bedenken valt hierbij, dat wanneer de schade aan de vennootschap wordt vergoed, ook de afgeleide schade van aandeelhouders niet langer geleden wordt. De argumenten die in de literatuur worden gegeven ter onderbouwing van de onwenselijkheid van het toestaan van een aanspraak op vergoeding van afgeleide schade, liggen indirect ook besloten in deze doorkruisingsargumentatie.
Door de problematiek van afgeleide schade van aandeelhouders als doorkruisingsprobleem te behandelen, wordt zij eenvoudiger: men behoeft dan niet steeds meer allerlei onderliggende argumenten te beschouwen en kan eenvoudig wijzen op de in de wet neergelegde regeling over kapitaalonttrekking.
Eenzelfde verschijnsel is overigens ook waarneembaar bij de doorkruising van het publiekrecht met een privaatrechtelijke aanspraak op schadevergoeding van de overheid (§ 13.2), en bij de doorkruising van de verzekeringsrechtelijke subrogatie door het toekennen van een aanspraak van een verzekeraar op degene die de schade aan de verzekerde heeft toegebracht (§ 13.4): ook hier zou men de argumenten die eraan ten grondslag liggen dat de overheid op basis van de publiekrechtelijke regeling geen verhaalsmogelijkheid op de laedens heeft respectievelijk de verzekeraar op grond van de subrogatieregeling zich niet de op laedens kan verhalen, rechtstreeks kunnen gebruiken om aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad van de laedens tegenover de overheid respectievelijk de verzekeraar te beperken. De doorkruisingsredenering is doorgaans echter eenvoudiger omdat dan niet meer naar deze onderliggende argumenten gekeken behoeft te worden.
529. Onder omstandigheden leidt een aanspraak van een aandeelhouder op vergoeding van afgeleide schade niet tot een onaanvaardbare doorkruising van de vennootschapsrechtelijke rechtsorde. Onder meer doet dit zich voor indien ten gevolge van een normschendende gedraging de vennootschap schade lijdt en tevens een aandeelhouder gedwongen wordt zijn aandelen te verkopen. In dergelijke situaties kan naar het oordeel van de Hoge Raad toelaatbaar zijn dat de aandeelhouder vergoeding vordert van het verlies dat hij ten gevolge van de normschendende gedraging op zijn aandelen heeft geleden.
Illustratief zijn de zaken FNV/Kip,9 waarin een aandeelhouder onder druk van onder meer een met medewerking van vakbonden uitgevoerde bedrijfsbezetting door werknemers gedwongen werd zijn aandelen te verkopen, en Kip/Rabobank10 en Kessock/S.F.T. Bank11 waarin aandeelhouders onder druk van een met kredietopzegging dreigende bank gedwongen werden aandelen te verkopen.
De reden dat in deze gevallen de vennootschapsrechtelijke rechtsorde niet ontoelaatbaar wordt doorkruist is de volgende. Nog steeds is in deze gevallen niet aanvaardbaar om de aanspraak van de aandeelhouder ten koste te laten gaan van de aanspraak van de vennootschap. Gekozen dient dus te worden tussen ofwel de uitkomst waarin de laedens de schade (mogelijk) tweemaal vergoedt (zowel aan de aandeelhouder als aan de vennootschap) ofwel waarin alleen de vennootschap aanspraak heeft op schadevergoeding. In deze gevallen doet zich daarbij de bijzonderheid voor dat indien de schade van de vennootschap wordt vergoed, dat niet tot gevolg heeft dat daarmee ook de afgeleide schade van de aandeelhouder ongedaan wordt gemaakt: de voormalig aandeelhouder die zijn aandelen heeft verkocht zal immers niet meer profiteren van de waardestijging van de aandelen die het gevolg is van de schadevergoeding aan de vennootschap. Om deze reden is de uitkomst waarin alleen de vennootschap aanspraak heeft op schadevergoeding minder aantrekkelijk. Indien door de laedens een norm is geschonden waarop de aandeelhouder, afgezien van het doorkruisingsprobleem, een aanspraak op schadevergoeding zou kunnen baseren, rechtvaardigt dat mijns inziens de keuze om ook de aandeelhouder aanspraak op schadevergoeding te geven en de consequentie daarvan dat de laedens mogelijk de schade (deels) tweemaal dient te vergoeden.
Anders dan Kroeze12 acht ik in beginsel niet mogelijk dat de laedens na zo’n dubbele vergoeding de nieuwe aandeelhouder aanspreekt vanwege ongerechtvaardigde verrijking. De omstandigheid dat aan de vennootschap schade is toegebracht en de kans dat deze schade door de vennootschap op de laedens kan worden verhaald, zal immers in de door de nieuwe aandeelhouder voor de aandelen betaalde prijs verdisconteerd zijn geweest. Het door het kopen van deze aandelen genomen risico had voor de nieuwe aandeelhouder negatief kunnen uitpakken (indien de schade van de vennootschap niet op de laedens blijkt te kunnen worden verhaald) met als gevolg een waardedaling van de aandelen. Wanneer de aandelen in waarde stijgen omdat het door de nieuwe aandeelhouder met de koop genomen risico positief uitpakt (omdat de laedens de schade van de vennootschap vergoedt), zie ik niet in waarom van ongerechtvaardigde verrijking sprake zou zijn.
530. Het valt buiten het bestek van dit boek om een nader standpunt in te nemen over de in de literatuur op onderdelen omstreden grenzen aan de vergoedbaarheid van afgeleide schade van een aandeelhouder. Ik heb hier willen laten zien dat bij deze problematiek in de eerste plaats een doorkruisingsprobleem speelt en daarmee ook wat de plaats van deze problematiek in het schadevergoedingsrecht is. In nr. 712 bespreek ik nog wel de situatie waarin een aandeelhouder door een opzettelijk gepleegde onrechtmatige daad afgeleide schade lijdt.