Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.4.c
7.4.c Karakter van het 80a-onderzoek
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604702:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 1, 16; Kamerstukken I 2011/12, 32576, nr. C, p. 1; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.41, voor vermelding van vereenvoudigde afdoening náást versnelde afdoening, waaruit kan blijken dat de wetgever verschillende beperkingen van de cassatieprocedure voor ogen had.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.7.2.
Paragraaf 2.2b; zie specifiek in verband met artikel 80a RO ook Borgers in zijn noot onder HR 9 februari 2010, NJ 2010/673.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 2, 16; Kamerstukken I 2011/12, 32576, nr. C, p. 1-2, 3 en 4; Kamerstukken I 2011/12, 32576, nr. D, p. 1.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.7.2.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.7.2.
Mevis & Reijntjes 2013, p. 305-307; Mevis 2013; Van Dorst 2015, p. 117; Robroek 2016, p. 141-146.
HR 17 september 2013, NJ 2014/287, m.nt. Van Kempen.
HR 8 juli 2014, ECLI:1693; HR 22 december 2015, NJ 2017/136, m.nt. Mevis.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.7.2.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 20.
Zie reeds Franken 2011, p. 104; Machielse 2011b, p. 112; aldus ook Bleichrodt in zijn noot onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245.
Bijv. HR 11 juni 2013, NJ 2013/557, m.nt. Van Kempen; HR 20 mei 2014, NJ 2014/382, m.nt. Keulen.
Tenzij de schriftuur citaten uit de uitspraak en het proces-verbaal bevat, maar dat is niet vereist en ook niet in alle beroepen aan de orde. Bovendien helpen dergelijk citaten niet als tevens geklaagd wordt over bijvoorbeeld de betekening van de appeldagvaarding. Voor beoordeling van zo’n klacht is kennisneming van de akte van uitreiking vereist.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.7.2.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.6.1.
Van Kempen in zijn noot onder HR 28 januari 2014, NJ 2014/289.
Over het toelichtingsvereiste de noten van Van Kempen onder HR 28 januari 2014, NJ 2014/289; HR 3 februari 2015, NJ 2015/134; HR 16 december 2014, NJ 2015/135 en HR 10 februari 2015, NJ 2015/137; zie ook Boksem 2013, p. 12.
HR 3 maart 2015, ECLI:510, HR 3 maart 2015, ECLI:511; HR 14 april 2015, ECLI:941; HR 14 april 2015, ECLI:953; HR 9 juni 2015, NJ 2016/433, m.nt. Van Kempen; HR 8 december 2015, NJ 2016/434, m.nt. Van Kempen; HR 21 juni 2016, ECLI:1238.
HR 1 juli 2014, NJ 2014/441, m.nt. Borgers; zie aanvullend HR 8 september 2015, NJ 2015/417, m.nt. Schalken; zie bijv. HR 6 september 2016, ECLI:2022.
HR 20 juni 2017, ECLI:1111-1115, zie reeds HR 9 december 2014, NJ 2015/29.
HR 28 januari 2014, NJ 2014/289, m.nt. Van Kempen (gewijzigde samenstelling); HR 8 juli 2014, ECLI:1611 (voorlopige hechtenis); HR 4 november 2014, NJ 2015/136, m.nt. Van Kempen (redelijke termijn); HR 16 december 2014, NJ 2015/135, m.nt. Van Kempen (terugwijzingsperikelen); HR 7 juli 2015, NJ 2015/458, m.nt. Borgers (aanhouding behandeling); HR 1 december 2015, ECLI:3434 (opgave bewijsmiddelen); HR 22 maart 2016, ECLI:460 (uitreiking oproeping terechtzitting hoger beroep); HR 15 november 2016, ECLI:2592 (voeging dossierstukken).
HR 7 juli 2015, NJ 2015/458, m.nt. Borgers; HR 22 maart 2016, ECLI:460, met kritische noot op dit punt van Soeteman in NbStraf 2016/116.
Paragraaf 7.3b en 7.3d.
Aldus ook Van Kempen in zijn noot onder HR 28 januari 2014, NJ 2014/289.
Paragraaf 7.2b.
Zie over de functies van een bezwaarvereiste paragraaf 5.2a.
Van Dorst 2015, p. 210 en 74.
Samengevat kan de cassatieprocedure in strafzaken bij afdoening op grond van artikel 80a RO qua processtappen worden verkort door af te zien van de conclusie, de reactie daarop van procespartijen en de schriftelijke of mondeling toelichting op de cassatieschriftuur. Afscheiding van de cassatieprocedure bij 80a-afdoening kan daarnaast zijn gelegen in een zeker marginaal onderzoek naar het beroep. Naast verkorting, rijst daarom de vraag naar de mogelijkheden voor vereenvoudiging van de cassatieprocedure bij 80a-afdoe-ning.1
Hoewel de overzichtsarresten van 11 september 2012 vooral verduidelijking bieden over een groot aantal specifieke vraagpunten, staat daarin voorts de tamelijk algemeen geformuleerde overweging dat “in gevallen waarin art. 80a RO kan worden toegepast, het gebruik van het bijzondere instrument van de ambtshalve cassatie niet snel aan de orde zal zijn. ‘Selectie aan de poort’ houdt immers in dat de Hoge Raad al in een vroeg stadium in een uit haar aard summiere procedure waarin op grond van een beoordeling van de cassatieschriftuur de ‘klaarblijkelijkheid’ van de ontvankelijkheid van het beroep centraal staat, oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.”2 Deze kernachtige karakterisering van het selectiemechanisme van artikel 80a RO bevestigt niet alleen wat in de vorige subparagraaf is besproken, namelijk dat 80a-onderzoek in een vroeg stadium kan worden afgerond, maar onthult daarnaast drie (potentiële) vereenvoudigingen van het 80a-onderzoek.
De eerste bijzonderheid betreft de ambtshalve toetsing van de bestreden uitspraak. Normaal gesproken zijn het onderzoek naar de toegang tot beroep en het onderzoek naar de gegrondheid van dat beroep in dit opzicht gescheiden. Ambtshalve inhoudelijke toetsing vindt van oudsher pas plaats nadat toegang tot beroep is verkregen.3 Nu vindt van oudsher ook geen inhoudelijke toegangsbeoordeling plaats, terwijl artikel 80a RO daarvoor juist wel de ruimte biedt. Hoort bij inhoudelijke toegangsbeoordeling ook ambtshalve toetsing van de inhoud van de bestreden uitspraak?
De toelichting op artikel 80a RO garandeert haast dat het onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 80a RO gelijk staat aan het onderzoek naar de gegrondheid van het beroep. Toepassing van de deels inhoudelijke toegangsvoorwaarden van artikel 80a RO vereist een type onderzoek dat normaliter ten behoeve van de inhoudelijke beslissing over het beroep wordt uitgevoerd, aldus wetgever.4 Dat zou betekenen dat het onderzoek naar de vraag of klachten niet tot cassatie kunnen leiden dan wel of onvoldoende belang bestaat bij het beroep, mede moet zijn gebaseerd op zekere ambtshalve toetsing van de bestreden uitspraak. In die trant ook de toelichting, waarin staat dat zaken waarin ambtshalve cassatie plaatsvindt, ook na invoering van artikel 80a RO voor ambtshalve cassatie in aanmerking zullen komen.5
De Hoge Raad lijkt tussen systematiek en wetsgeschiedenis een middenweg te bewandelen. Volgens de Hoge Raad is in gevallen waarin artikel 80a RO kan worden toegepast ambtshalve cassatie “niet snel” aan de orde.6 En, “een nader onderzoek van het dossier met het oog op de vraag of zich wellicht het uitzonderlijke geval voordoet dat er een andere dan de aangevoerde grond is die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou dienen te leiden, past niet goed bij het doel en de strekking van een dergelijke selectie”, aldus de Hoge Raad.7 Dit woordgebruik is opvallend vaag. Ambtshalve cassatie past ‘niet goed’ bij het selectiemechanisme, maar is blijkbaar niet geheel uitgesloten. Ambtshalve cassatie is ‘niet snel’ aan de orde, maar wanneer dan wel? De overzichtsarresten geven daarop geen antwoord.
Jurisprudentie van later datum maakt in het algemeen duidelijk dat ambtshalve cassatie – weliswaar minder dan vroeger8 – plaatsvindt indien voldoende evident is dat de verdachte een zwaarwegend belang daarbij heeft,9 maar of in 80a-gevallen dezelfde maatstaf wordt toegepast is volgens mij nog open. Twee arresten waarin artikel 80a RO is toegepast in weerwil van een voorstel tot ambtshalve vernietiging door de advocaat-generaal, bevestigen dat dit een vraagpunt is.10 Hier is de conclusie belangrijk dat de Hoge Raad blijkbaar ook in 80a-gevallen ambtshalve controleert op bepaalde ongerechtigheden, hetgeen in lijn is met de wetsgeschiedenis. Tegelijkertijd ontstaat hier spanning met een algemeen kenmerk van toegangsbeslissingen, namelijk dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in de weg staat aan ambtshalve toetsing van de bestreden uitspraak, alsook met de ratio van de Wet versterking cassatierechtspraak, die beoogt de cassatieprocedure voor bepaalde zaken te vereenvoudigen. Artikel 80a RO maakt zo bezien het in hoofdstuk 2 beschreven ‘stelsel’ van toegangsbeslissingen, -voorwaarden en - onderzoek meer diffuus.
De tweede bijzonderheid betreft de stukken waarvan kennis wordt genomen. De aan het begin van deze subparagraaf geciteerde overweging wekt de indruk dat 80a-onderzoek beperkt blijft tot kennisneming van de cassatieschriftuur.11 Kennelijk is deze vereenvoudiging van het onderzoek gebaseerd op het tweede lid van artikel 80a RO.12 De Hoge Raad formuleert het zelfs iets scherper dan de wet. Waar de wet bepaalt dat 80a-afdoening eerst kán plaatsvinden nadat is kennisgenomen van de schriftuur, daar verheffen de overzichtsarresten enkele kennisneming van de schriftuur op zijn minst tot uitgangspunt. Dergelijke vereenvoudigde kennisneming van stukken zou aanmerkelijke capaciteitsbesparing kunnen opleveren, en is bijvoorbeeld denkbaar indien de schriftuur is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting of indien de Hoge Raad wordt verzocht om nieuwe vaststelling van feiten. De vraag is evenwel of het uitgangspunt van enkele kennisneming van de schriftuur niet in veel gevallen op losse schroeven staat.
Dat staat het ten eerste in gevallen waarin de toepassing van de toegangsvoorwaarden van artikel 80a RO gewoonweg veronderstelt dat van het bestreden arrest en/of het proces-verbaal van de zitting is kennisgenomen. Denk hierbij aan 80a-afdoening omdat de klachten berusten op verkeerde lezing van de bestreden beslissing, omdat de klachten steunen op feiten die in cassatie niet vaststaan, of de klachten zich keren tegen een geenszins onbegrijpelijk oordeel van feitelijke aard dan wel opkomen tegen een geenszins onbegrijpelijke motivering betreffende de verwerping van een verweer.13 Daarbij komt dat volgens de Hoge Raad beoordeling van het onvoldoende belang bij het beroep sterk samenhangt met de omstandigheden van het geval. Verschillende arresten laten zien dat de Hoge Raad hierbij inderdaad intensief kennis neemt van diverse stukken, waaronder in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.14 Voor de toepassing van artikel 80a RO in verscheidene in de overzichtsarresten opgesomde gevallen schiet enkele kennisneming van de schriftuur aldus tekort.15
Een tweede en mogelijk belangrijkere reden waarom het uitgangspunt van enkele kennisneming van de schriftuur zwak staat, is dat ambtshalve toetsing mogelijk is gebleven – ook al wordt dergelijke toetsing zeer terughoudend toegepast. Ambtshalve toetsing veronderstelt immers dat niet alleen van de schriftuur maar ook ten minste van de bestreden uitspraak wordt kennisgenomen. Controle van vervolgingsuitsluitingsgronden, de strafbaarheid van het feit en de wettelijke grondslag van de opgelegde sanctie, volgens Van Dorst gevallen waarin ambtshalve wordt gecasseerd, zal niet zelden meer informatie vereisen dan de schriftuur verstrekt. Precies en voorwaardelijk geformuleerd: als ambtshalve toetsing ook in 80a-gevallen plaatsvindt, en als dergelijke toetsing tot op zekere hoogte stelselmatig plaatsvindt en dus niet volledig afhankelijk is van de toevallige ontdekking van een fout in de bestreden uitspraak, dan kan 80a-afdoening in beginsel niet plaatsvinden na enkele kennisneming van de schriftuur. Dat ambtshalve controle niet feitelijk kan worden gedelegeerd aan medewerkers van het wetenschappelijk bureau, is hiermee niet gezegd, maar wel dat voor dergelijke controle enkele kennisneming van de schriftuur niet zonder meer voldoende is. Dat de beoogde vereenvoudiging van de cassatieprocedure in beperkte kennisneming van stukken kan worden gevonden, is bezien vanuit artikel 80a RO zelf dus niet vanzelfsprekend.
De derde en laatste bijzonderheid betreft de verdeling van onderzoeksverantwoordelijkheden tussen de insteller van het beroep en de Hoge Raad. Volgens de overzichtsarresten van 11 september 2012 staat in het 80a-onder-zoek op grond van een beoordeling van de cassatieschriftuur de vraag naar “de klaarblijkelijkheid van de ontvankelijkheid van het beroep” centraal.16 Dit is wellicht een verschrijving, maar met deze woorden wordt de wettekst geweld aangedaan. Omdat de wettekst het klaarblijkelijkheidsvereiste koppelt aan de negatief geformuleerde toegangsweigeringsvoorwaarden uit artikel 80a RO, moet de óngeschiktheid van het beroep voor behandeling in cassatie klaarblijkelijk zijn, niet de géschiktheid ervan. Nu geeft de Hoge Raad aan de eis van klaarblijkelijkheid thans misschien weinig inhoud, maar de geciteerde woorden gaan nog een stap verder. De Hoge Raad wekt immers de indruk dat niet-ontvankelijkverklaring kan plaatsvinden indien niet blijkt van voldoende belang bij behandeling in cassatie.
Toch komen de geciteerde woorden dicht bij de werkelijkheid. De overzichtsarresten voorzien namelijk in een toelichtingsvereiste. Dat wordt als volgt geformuleerd: “Ingevolge het eerste lid van art. 80a RO kan het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Gelet daarop mag in voorkomende gevallen waarin dat belang niet evident is, van de raadsman en het openbaar ministerie in redelijkheid worden verlangd dat de schriftuur een toelichting bevat met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en dus ook het — rechtens te respecteren — belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. Ook dat volgt uit de in de memorie van toelichting benadrukte noodzaak van verbetering van de kwaliteit van de cassatieschrifturen.”17 Aangenomen dat de Hoge Raad met ‘evident’ hetzelfde bedoelt als ‘klaarblijkelijk’, ontstaat gelet op deze overweging onder de maatstaf van onvoldoende belang bij het beroep een driedeling: (i) beroepen waarbij klaarblijkelijk/evident onvoldoende belang bestaat; (ii) beroepen waarbij het voldoende belang niet evident is en dit belang moet worden toegelicht; (iii) beroepen waarbij klaarblijkelijk/evident voldoende belang bestaat onafhankelijk van enige toelichting.18 De Hoge Raad laat een beroep alleen zonder toelichting toe indien het evident toegang verdient. Het is dus de verantwoordelijkheid van de insteller van het beroep om bij twijfel over zijn belangen duidelijk te maken waarom zijn beroep ontvankelijk moet worden verklaard.
Wanneer het belang bij behandeling in cassatie niet evident is en daarom toelichting vereist, is intussen in het algemeen moeilijk vast te stellen – zeg maar: niet evident.19 In de meeste gevallen van 80a-afdoening op grond van het toelichtingsvereiste gaat het om klachten over de onterechte bewezenverklaring en kwalificatie van strafverzwarende omstandigheden. Indien onder meer de daadwerkelijk opgelegde straf aanzienlijk onder het correcte strafmaximum ligt, verdient het belang bij behandeling van dergelijke klachten in cassatie toelichting in de schriftuur.20 Vermoedelijk moet toegelicht worden of (en hoezeer) een gewijzigde kwalificatie en veranderd toepasselijk strafmaximum naar verwachting voor de daadwerkelijk opgelegde straf verschil zullen maken. Een tweede categorie van zaken waarin toelichting is vereist, betreft beroepen waarin wordt geklaagd over beslissingen over het oproepen en horen van getuigen.21 En sinds 2017 is het toelichtingsvereiste ook duidelijk van toepassing op klachten over samenloop en voortgezette handeling.22 Voor advocaten (en het openbaar ministerie) zal het duidelijk moeten zijn dat in deze twee gevallen de schriftuur ‘aangekleed’ moet worden met een toelichting op het belang bij vernietiging en nieuwe feitelijke behandeling.
Hiernaast staat evenwel nog een categorie met ‘overige’ gevallen waarin tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van het toelichtingsvereiste wordt besloten. Het gaat bijvoorbeeld om het belang bij voeging van dossierstukken of expliciete vermindering van de straf bij overschrijding van de redelijke termijn.23 Ook omdat de Hoge Raad in deze zaken soms uitdrukkelijk wijst op de bijzonderheden waardoor de zaak wordt gekenmerkt,24 is door deze gevallen moeilijker één lijn te trekken. Achteraf staat vast dat het voldoende belang bij cassatie niet evident is, maar hoe dat vooraf kon worden ontwaard, blijft in algemene zin onderbelicht. Hier speelt ook een rol dat de toepassing van de ‘onvoldoende belang’-maatstaf sterk samenhangt met de omstandigheden van het geval, aldus de Hoge Raad zelf, op basis waarvan voorspelling nu eenmaal ingewikkeld is.25 Daarom is niet glashelder wanneer sprake is van gevallen waarin het voldoende belang bij cassatie niet evident is, terwijl voorzienbaarheid hier in feite van groot belang is. Gelet op het feit dat advocaten en het openbaar ministerie voorafgaand aan de beoordeling door de Hoge Raad een toelichting op het voldoende belang moeten formuleren, en zij in beginsel niet een tweede kans krijgen indien het belang bij cassatie niet evident is, lijkt het raadzaam elke schriftuur van enige toelichting op het belang bij cassatie te voorzien.26
Een fundament voor het toelichtingsvereiste kan niet in de tekst van artikel 80a RO zelf worden gevonden. Waarom ‘gelet op’ de maatstaf van klaarblijkelijk onvoldoende belang ‘in redelijkheid’ van de insteller van het beroep soms toelichting mag worden verwacht, is mij niet zonder meer duidelijk. Eerder wijst de wet zoals opgemerkt op het tegendeel, namelijk dat bij twijfel over de aanwezigheid van voldoende belang het beroep juist moet worden toegelaten. Voor toepassing van artikel 80a RO is immers klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid vereist. Zowel de geciteerde passage als andere passages in de overzichtsarresten haken evenwel aan bij de ratio van de Wet versterking cassatierechtspraak. Voor versterking van de cassatierechtspraak is niet alleen nodig dat ondeugdelijke beroepen worden uitgefilterd, maar tevens dat de kwaliteit van cassatieschrifturen verbetert.27 De introductie van verplichte rechtsbijstand door een in cassatie gespecialiseerde advocaat dient vooral daartoe, maar ook het toelichtingsvereiste kan aan kwaliteitsverbetering bijdragen. Het toelichtingsvereiste beoogt de insteller van het beroep te laten motiveren waarom zijn beroep van belang is, en heeft daarom een inscherpingsfunctie.28
Aangezien de Hoge Raad aansluiting zoekt bij de algemene ratio van de Wet versterking cassatierechtspraak, is voor de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de insteller van het beroep en de Hoge Raad moeilijk een precieze grens te formuleren. Wettekst noch wetsgeschiedenis verzetten zich dwingend tegen een toelichtingsvereiste – maar dringen daarop ook zeker niet aan – terwijl ook buiten artikel 80a RO de toelichting op middelen in cassatie een zeer grote rol speelt.29