Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.4.2
4.2 Informatievoorziening
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS386454:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, nr. 2.4.
Hoofdstuk 3, nr. 2.1.
Kabinetsstandpunt Medezeggenschap 2009, p. 11.
Kamerstukken II 2008-2009, 31 877, nummer 3, p. 5. Zie ook het rapport over bestuurdersbeloningen in Nederland, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, opgesteld in opdracht van het ministerie van Financiën, juli 2008, door Nauta Dutilh in samenwerking met Hengeler Mueller, Bredin Prat, Slaughter & May en Hughes Hubbard & Reed LLP, p. 7.
Kamerstukken I 2009-2010, 31 877, E, p. 2.
De ondernemingsraad die wil doordringen tot de beginfase van een strategisch besluitvormingsproces zou moeten beschikken over informatie over de inhoud van de gedachtewisseling op het niveau van de topholding. Deze informatie dient bovendien van zodanige kwaliteit te zijn dat de ondernemingsraad in staat is om (tijdig) het strategische besluitvormingsproces te begrijpen en in perspectief te plaatsen.
In internationale verhoudingen ontbreekt het meestal aan deze informatie. Een factor van belang is de medezeggenschapsrechtelijke regel dat de Nederlandse ondernemingsraad pas betrokken raakt wanneer sprake is van tussenkomst van het bestuur van de Nederlandse onderneming. De noodzaak van betrokkenheid van dit bestuur leidt tot een inherente vertraging. In veel gevallen zal het concernbeleid in grote mate uitontwikkeld zijn voordat het Nederlandse bestuur een verzoek of instructie ontvangt om daaraan uitvoering te geven. Bovendien zal het in de regel gaan om concreet voorgenomen besluiten, zonder dat nog langer van gedachten gewisseld kan worden over de eraan ten grondslag liggende strategie. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om een voorgenomen besluit tot sluiting of inkrimping van de onderneming van de Nederlandse dochtervennootschap, zal daarachter een bredere strategie liggen, die betrekking kan hebben op een beweging naar kostenbeheersing, consolidatie van ondernemingen, centralisatie van (productie)faciliteiten of een vlucht naar lagelonenlanden. De invloed op die strategie valt in internationale verhoudingen moeilijk te verwezenlijken.
In hoofdstuk 3 schreef ik dat de SER bij de informatievoorziening aan de ondernemingsraad in internationale concerns een lacune constateerde, die door de wetgever niet is opgevuld.1 De moedervennootschap is niet verplicht ervoor te zorgen dat de dochter haar verplichtingen jegens de ondernemingsraad integraal naleeft. De raad zou wel indirecte druk op de moeder kunnen uitoefenen wanneer het gaat om adviesplichtige besluiten, maar die mogelijkheid is niet aanwezig in situaties waarin de moeder weigert de dochtervennootschap in staat te stellen haar algemene informatieverplichtingen jegens de raad na te komen. Hier voorzag de SER alleen een oplossing langs de band van het internationale recht.
In datzelfde hoofdstuk besprak ik de prospectief te verstrekken financieeleconomische informatie aan de ondernemingsraad.2 Hiertoe dient ook informatie over belangrijke investeringen in binnen- en buitenland te worden gerekend. Deze bepalingen zijn gericht tot de Nederlandse onderneming en kennen in zoverre geen extraterritoriale werking. Hier is de door de SER geconstateerde lacune in het medezeggenschapsrecht relevant wanneer de buitenlandse concernleiding het bestuur van de Nederlandse dochtervennootschap niet in staat stelt integraal aan de verplichtingen uit de WOR te voldoen. Het Nederlandse bestuur kan uitsluitend aan deze voorschriften voldoen voor zover het daartoe door de buitenlandse concernleiding in staat wordt gesteld, althans als het zich binnen redelijke grenzen heeft ingespannen om de informatie te verkrijgen.
In 2009 noemde het kabinet de informatievoorziening binnen internationale concerns als belangrijk punt van verbetering.3 Ondernemingsraden weten vaak niet hoe zeggenschapsverhoudingen in internationale concerns liggen. Artikel 31 lid 2 WOR bevat de verplichting de ondernemingsraad te informeren over deze verhoudingen, maar strekt zich niet uit tot de internationale activiteiten van de groep. Het kabinet stelde daarom voor deze bepalingen uit te breiden, zodat de ondernemingsraad de beschikking zou krijgen over deze informatie. Ook op dit punt bevat de wet lacunes inzake de informatievoorziening binnen buitenlandse internationale concerns.
Het standpuntbepalingsrecht van de ondernemingsraad van naamloze vennootschappen binnen internationale concerns is (eveneens) beperkt. De wetgever realiseerde zich dat deze regeling waarschijnlijk geen equivalent in het buitenland kende.4 Dat heeft inwerkingtreding van de wet niet belemmerd, maar wel geleid tot beperkingen in de omvang van het standpuntbepalingsrecht. Die beperkingen zijn verwerkt in artikel 2:134a lid 2, 2:135 lid 3 en 2:144a lid 2 BW, waarin is geregeld dat voor de toepassing van de betreffende bepaling onder de ondernemingsraad tevens wordt verstaan de ondernemingsraad van de onderneming van een dochtermaatschappij, mits de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam zijn. Is er meer dan één ondernemingsraad, dan wordt de bevoegdheid door deze raden gezamenlijk uitgeoefend. Is voor de betrokken onderneming of ondernemingen een centrale ondernemingsraad ingesteld, dan komt de bevoegdheid toe aan die ondernemingsraad.
Deze regeling houdt in dat geen standpuntbepalingsrecht geldt in de algemene vergadering van een vennootschap die aan het hoofd staat van een groep waarvan de meerderheid van de werknemers in het buitenland werkzaam is. Voor de vraag of zo’n recht aan de orde is, moet worden bezien of de meerderheid van de werknemers van de betreffende vennootschap en haar dochtervennootschappen in of buiten Nederland werkzaam is.
In de algemene vergadering van de Nederlandse dochtervennootschap van het internationale concern kan het standpuntbepalingsrecht wel van toepassing zijn. Een voorwaarde is dat de meerderheid van de werknemers van die dochter en haar eventuele dochterondernemingen in Nederland werkzaam is, zo is in de nadere memorie van antwoord tijdens de behandeling in de Eerste Kamer verklaard.5 Dat betekent dat het recht wel geldt voor werknemers van Nederlandse dochtervennootschappen van een buitenlands concern, maar dat die rechten beperkt blijven tot de besluitvorming op het niveau van die Nederlandse dochter.