De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/11.3.5:11.3.5 De strafrechtelijke antimisbruikwetgeving
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/11.3.5
11.3.5 De strafrechtelijke antimisbruikwetgeving
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS385077:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 december 1986, NJ 1987, 321 (Slavenburg II).
Schwarz & Wessels 1992, p. 96.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De strafrechtelijke antimisbruikwetgeving dient veelal te worden gelezen in samenhang met artikel 51 Sr. Uit het eerste lid van voormeld artikel volgt namelijk dat strafbare feiten ook kunnen worden begaan door rechtspersonen. Wanneer een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon kan een strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen worden uitgesproken jegens de rechtspersoon en/of jegens degenen die tot het feit opdracht hebben gegeven of feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging. Voor de strafbaarstelling van een feitelijk leidinggevende is vereist dat deze op de hoogte was van de strafbare feiten en de mogelijkheid heeft gehad om deze te beëindigen. Volgens de Hoge Raad aanvaardt degene die maatregelen ter voorkoming van een strafbare gedragingen achterwege laat, terwijl hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden (het machtsvereiste) was, bewust de aanmerkelijke kans op een verboden gedraging (het aanvaardbaarheidsvereiste).1
Voor wat betreft de vraag of een bestuurder als feitelijk leidinggevende in de zin van artikel 51 Sr kan worden aangemerkt, kan de interne taakverdeling binnen de BV van belang zijn. In geval van een duidelijk omlijnde en min of meer duurzame taakverdeling kan de bestuurder die krachtens deze taakverdeling geen bemoeienis heeft gehad met het bedrijfsonderdeel waar het strafbare feit zich heeft voltrokken, niet als leidinggevende in de zin van artikel 51 Sr worden aangemerkt.2
De strafbaarstelling van de volgende feiten heeft een preventieve werking voor wat betreft misbruik van vennootschappen: valsheid in (bijzondere) geschriften (artikelen 225 en 226 Sr), valse opgaven in authentieke akten (artikel 227 lid 1 Sr), de opgave van onware gegevens (artikel 227a Sr), het nalaten van het verstrekken van verplichte gegevens (artikel 227b Sr), oplichting (artikel 326 lid 1 Sr), bedrog in de jaarstukken (artikel 336 Sr), eenvoudige en bedrieglijke bankbreuk (artikelen 340 tot en met 343 Sr), het verlenen van medewerking of het geven van toestemming door bestuurders of commissarissen van een rechtspersoon aan handelingen in strijd met de wet, de statuten of de reglementen als gevolg waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel ondervindt (artikel 347 Sr) en actieve en passieve fraude (artikel 447c respectievelijk artikel 447d Sr).