De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.6.3:6.6.3 Niveau en inhoud van het examen
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.6.3
6.6.3 Niveau en inhoud van het examen
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949381:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Behoudens de eindtoets die ook door een externe toetsaanbieder vormgegeven kan worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het examen wordt getoetst of de student bij het afsluiten van een bepaalde vorm van onderwijs beschikt over de benodigde mate van kennis, inzicht en vaardigheden. De wijze waarop bepaald wordt over welke kennis, inzicht en vaardigheden de student dient te beschikken om te slagen voor het examen is in vrijwel alle onderwijssectoren verschillend geregeld. In het primair onderwijs wordt met het onderwijs gestreefd naar het behalen van kerndoelen. Een leerling slaagt echter niet voor het primair onderwijs door te beschikken over de kennis, inzicht en vaardigheden die in de kerndoelen zijn beschreven. In het schooladvies wordt niet uitgedrukt of de leerling de kerndoelen heeft behaald, maar voor welke vorm van voortgezet onderwijs de leerling geschikt is. Uiteindelijk komen de doelen waar gedurende het onderwijs naar wordt gestreefd, dus niet een op een terug in het oordeel waarmee het onderwijs wordt afgesloten.
In zowel het voortgezet als het beroepsonderwijs wordt de te examineren stof door de minister vastgesteld wanneer het examen bestaat uit respectievelijk zowel een school- of instellingsexamen en een centraal examen. Voor bepaalde vakken kan het bevoegd gezag de inhoud van het examen vaststellen. In het middelbaar beroepsonderwijs dient het examen zicht daarnaast uit te strekken over de kwalificatie dan wel een of meer keuzedelen die door de minister zijn vastgesteld.
Op de doorstroomtoets in het primair onderwijs en een deel van het centraal examen in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs zijn de referentieniveaus van toepassing zoals geregeld in de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Met het instellen van deze referentieniveaus heeft de wetgever beoogd te komen tot versterking van de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen en tot verbetering van de aansluiting tussen de verschillende sectoren in het onderwijs op het gebied van de Nederlandse taal en rekenen.1 De doorstroomtoets en de examens waarop de referentieniveaus in de verschillende onderwijssectoren van toepassing zijn worden allen van overheidswege vormgegeven.2 Met de referentieniveaus wordt ten aanzien van het niveau van de examens een brug geslagen tussen het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs.
Op de tentamens in het hoger onderwijs die het examen vormen zijn geen door de overheid vastgestelde inhoudelijke eisen van toepassing. Ook zijn de referentieniveaus niet van toepassing op het hoger onderwijs. Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs dient zelf vast te stellen over welke kennis, inzicht en vaardigheden de student dient te beschikken bij het afstuderen bij een bepaalde opleiding. Indien de opleiding de student opleidt tot een bepaald beroep dient het instellingsbestuur te borgen dat de student aan de beroepsvereisten voldoet. In het hoger onderwijs heeft het bevoegd gezag dan ook een grote mate van vrijheid om de inhoud van de examens vorm te geven.