Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.2.2:4.2.2 Wettelijke omschrijving
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.2.2
4.2.2 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS496587:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de invoering van Boek 2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek werden stichtingen niet meer in een afzonderlijke wet geregeld1 maar in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.2 Expliciet was bepaald3 dat die titel niet van toepassing was op (i) kerkelijke stichtingen, (ii) stichtingen, die waren opgericht door de overheid dan wel (iii) stichtingen die op grond van een wettelijk voorschrift met een taak waren belast.
Het was niet meer mogelijk de rechtsvorm van een stichting te wijzigen in een naamloze vennootschap op de enkele grond dat de stichting een met de wet strijdig doel had. Rechtsvormwijziging zou alleen mogelijk zijn, wanneer een rechtspersoon niet meer voldeed aan de in de wet gegeven omschrijving. Een strijdig doel en het hebben van leden kon leiden tot rechtsvormwijziging in een naamloze vennootschap. Te verwachten was dat in laatstgenoemd geval de rechter een machtiging tot rechtsvormwijziging niet zou verlenen als de overgang van stichting naar naamloze vennootschap onvoldoende was geregeld.
Bij de behandeling van de stichtingstitel4 vroegen vele leden van de Eerste Kamer5 de aandacht van de regering voor de mogelijkheden van rechtsvormwijzigingen van stichtingen, die niet aan de wettelijke omschrijving voldeden, in andere rechtspersonen (de artikelen 2.1.10e en 2.1.10.f). De vraag die zich voordeed was, wanneer een stichting niet meer onder de wettelijke omschrijving van zijn soort viel. Viel alleen artikel 2.4.1.1 hier onder of ook artikel 2.4.1.3?
`Artikel 2.4.1.1
Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken.
Artikel 2.4.1.3
Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.'
Volgens de Minister van Justitie was rechtsvormwijziging op grond van artikel 2.4.1.3 niet mogelijk. De wettelijke omschrijving was uitsluitend opgenomen in artikel 2.4.1.1. Polak6 wees er volgens de leden van de Eerste Kamer terecht op dat artikel 2.4.1.3 min of meer toevallig los was geraakt van artikel 2.4.1.1 en dat dientengevolge artikel 2.4.1.3 wél tot de wettelijke omschrijving hoorde. Artikel 2.4.1.1 is een neutraal artikel en artikel 2.4.1.3 is een uitwerking daarvan en daarom dienen de artikelen in samenhang gelezen te worden. Het waren formeel twee artikelen die materieel één geheel vormden. Daarmee werd artikel 2.4.1.3 dan ook beschouwd als onderdeel van de wettelijke omschrijving.
De Minister van Justitie was ten aanzien van stichtingen echter van mening dat slechts het eerste lid van artikel 2.4.1 de wettelijke omschrijving bevatte. Het derde lid was een norm en behoorde daarom niet tot de definitie. Daarom was het niet nodig een afzonderlijke bepaling op te nemen om rechtsvormwijziging van een stichting in een naamloze vennootschap onmogelijk te maken. De minister achtte een dergelijke rechtsvormwijziging ook ongewenst omdat er geen leden waren en dus niemand de functie van aandeelhouder in een naamloze vennootschap zou kunnen vervullen. De flexibele houding ten aanzien van stichtingen die krachtens artikel 27 lid 2 Wet op stichtingen van rechtsvorm waren gewijzigd in een naamloze vennootschap dateert nog uit de tijd dat aan stichtingen niet de eis van materiële kenmerken werd gesteld.
Een stichting heeft een doelvermogen en verdiende daarom speciale behandeling. De werking van rechtsvormwijziging werd uitgebreid tot elke rechtsvormwijziging van een stichting, ongeacht in welke rechtsvorm. In de veertiende vergadering van de vaste commissie voor Justitie7 werd door Wolffensperger (D66) opgemerkt: Volgens het aanvankelijke ontwerp kon een stichting alleen de rechtsvorm wijzigen in een vereniging. Waarom moet nu bij andere rechtsvormwijzigingen niet uit de statuten blijken dat het oorspronkelijke stichtingsvermogen beklemd blijft? Het voorstel van de vaste commissie voor Justitie om het creëren van een wettelijke reserve voor te schrijven, werd door de minister afgewezen. In de vereiste rechterlijke machtiging kon aanvankelijk een zekere waarborg worden gezien dat het oorspronkelijke stichtingsvermogen beschermd zou blijven. Een machtiging was echter niet meer vereist volgens het nader gewijzigde voorstel.