Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.7:13.7 Lichamen die participeren in een verkrijgende rechtspersoon
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.7
13.7 Lichamen die participeren in een verkrijgende rechtspersoon
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491448:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 12.4, p. 273-274.
Art. 13, lid 2, onderdeel a, Wet VPB 1969.
Art. 18, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 4.16, lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een splitsing kan ook fiscale gevolgen hebben voor participanten van verkrijgende rechtspersonen. Dat zal voornamelijk het geval zijn als het belang van die participant als gevolg van de splitsing ‘verwatert’.1 Zo is het mogelijk dat het belang van een lichaam/aandeelhouder in een verkrijger als gevolg van de splitsing beneden de deelnemingsgrens van 5% zakt.2 In dat geval is niet langer sprake van een deelneming. Voor dergelijke gevallen bevat het deelnemingsregime een regeling op grond waarvan (kort gezegd) de deelnemingsvrijstelling in beginsel nog drie jaar van toepassing blijft.3 Voor buitenlands belastingplichtige lichamen met een a.b. in de verkrijgende rechtspersoon ex art. 17, lid 3, onderdeel b, Wet VPB 1969 kan de splitsing ertoe leiden dat niet langer sprake is van een a.b. Die omstandigheid kwalificeert als een fictieve vervreemding.4 Op verzoek hoeft het voordeel echter niet in aanmerking te worden genomen. In dat geval ontstaat een fictief a.b.5 Omdat in deze situaties acute vennootschapsbelasting bij de splitsing achterwege blijft of op verzoek achterwege kan blijven, zie ik geen noodzaak voor specifieke splitsingsregels.