Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.1
13.1 Inleiding en werkwijze
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491430:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit onderzoek is gericht op de winstbelastingregels voor splitsingen ten aanzien van lichamen. Natuurlijke personen in de genoemde hoedanigheden kunnen in de regel ook een fiscaal begeleide splitsing tot stand brengen. Zie art. 3.56, lid 2, Wet IB 2001 voor IB-ondernemers en -resultaatgenieters (via de schakelbepaling in art. 3.95, lid 1, Wet IB 2001) en art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001 voor a.b.-houders. Ook buitenlands belastingplichtige natuurlijke personen kunnen daar gebruik van maken. Zie hoofdstuk 7 Wet IB 2001, zij het dat aan buitenlands belastingplichtige a.b.-houders in bepaalde situaties een conserverende aanslag wordt opgelegd. Zie daarover ook onderdeel 13.4. Voor een uitgebreide bespreking van de positie van natuurlijke personen verwijs ik naar Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.6, p. 404-419 en Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 4.3, p. 107-116.
Deze deelvraag maakt onderdeel uit van de derde onderzoeksvraag. Zie onderdeel 1.4.
Dit is onderbouwd in onderdeel 9.5. Daar is ook vastgesteld dat oneigenlijk gebruik dient te worden tegengegaan. De splitsingsregels over oneigenlijk gebruik zijn onderzocht in onderdeel 10.4.
Zie onderdeel 12.5.2.
Zie onderdeel 12.6.2.
Dit hoofdstuk staat in het teken van lichamen die als (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers van de splitsende rechtspersoon betrokken zijn bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing. Het gaat dus over lichamen in de hoedanigheid van aandeelhouder, lid, schuldeiser, winstbewijshouder en optiehouder.1 Ik richt mij op de volgende deelvraag:2
Dienen de regels in de Wet VPB 1969 (en in de Wet IB 2001) met betrekking tot de fiscaal gefaciliteerde splitsing op het niveau van de aandeelhouders, leden, schuldeisers, winstbewijshouders en optiehouders inhoudelijk te worden verbeterd en zo ja, op welke wijze?
Deze deelvraag wordt beantwoord door deze splitsingsregels te toetsen aan het toetsingskader bestaande uit (i) de fiscaal-theoretische toets, (ii) de fiscaaltechnische toets en (ii) de toets aan hoger recht. De fiscaal-theoretische toets gaat over de vraag in hoeverre deze splitsingsregels op ideale wijze bereiken dat de genoemde betrokkenen bij wenselijke splitsingen niet worden belemmerd terwijl tegelijkertijd de vennootschapsbelastingclaims worden gehandhaafd.3 In het vorige hoofdstuk is dit voor de positie van de splitsingspartners op diverse plaatsen nader geconcretiseerd. Die bevindingen zijn mijns inziens mutatis mutandis bruikbaar voor lichamen in hun hoedanigheid van (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers van de splitsende rechtspersoon. Dit betekent in de eerste plaats dat vennootschapsbelastingclaims dienen te worden gehandhaafd voor zover deze bij een ruisende splitsing tot uitdrukking zouden zijn gekomen of in stand zouden zijn gebleven.4 In de tweede plaats moet worden vermeden dat fiscale aanspraken en overige fiscale posities als gevolg van een fiscaal gefaciliteerde splitsing verloren gaan, ook als dat bij een ruisende splitsing wel (deels) het geval zou zijn geweest.5 De fiscaaltechnische toets evalueert in hoeverre de technische kwaliteit van de te behandelen splitsingsregels in orde is. Met de toets aan hoger recht wordt beoordeeld of de splitsingsregels in overeenstemming zijn met het EU-recht.
Hierna volgt eerst een kernbeschrijving van het huidige recht (onderdeel 13.2). Daarna besteed ik in aparte onderdelen nader aandacht aan de huidige fiscaal gefaciliteerde splitsingsregels voor het lichaam als aandeelhouder, lid, schuldeiser, winstbewijs- en optiehouder (onderdelen 13.3, 13.4 en 13.5). Vervolgens beantwoord ik de vraag of het wenselijk is om voor deze betrokkenen bij de splitsing een partiële doorschuifregeling te introduceren (onderdeel 13.6). Ook ga ik kort in op de positie van lichamen die participeren in een verkrijgende rechtspersoon (onderdeel 13.7). Ik sluit af met een samenvatting en conclusies (onderdeel 13.8).