Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.5
13.5 Schuldeisers en houders van een recht om vorderingen te verwerven
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491775:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 6.3.2. Blijft de schuld bij de splitsing achter bij de splitsende rechtspersoon, wat mogelijk is bij een afsplitsing, dan is de splitsing voor de schuldeiser een non-event. Voor houders van een recht om vorderingen op de splitser te verwerven dient de splitsing (ook) een non-event te zijn. Zie onderdeel 6.3.3.
Vgl. HR BNB 1992/186. Het lijkt mij overigens denkbaar dat er in het kader van de splitsing onzakelijk wordt gehandeld. De waardestijging van de vordering is volgens mij dan onbelast voor zover deze moet worden verklaard door de vennootschappelijke betrekkingen.
Zie hierover uitgebreider onderdeel 9.5.
De vordering is dan vóór de splitsing afgewaardeerd ten laste van de in Nederland belastbare winst van de schuldeiser of een met hem verbonden lichaam.
Zie art. 2:334j, lid 1, BW en onderdeel 2.7.2. Vgl. ook Essers & Van Zadelhoff, TFO 1998/21, onderdeel 4.3.
Daarmee verdwijnt ook een onredelijk gevolg van het huidige claimdoorschuifvoorschrift. In art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 3, Wet IB 2001 is namelijk bepaald dat de waarde waarvoor de vorderingen ten tijde van de splitsing te boek zijn gesteld, voor een evenredig gedeelte wordt toegerekend aan de vorderingen die de schuldeiser direct na de splitsing op de splitsingspartners heeft. Het evenredig gedeelte wordt daarbij bepaald aan de hand van de verhouding tussen de waarde in het economische verkeer van het vermogen dat bij de splitsing naar de verkrijger(s) overgaat en de waarde van het gehele vermogen van de splitser (art. 3.56, lid 5, onderdeel a, Wet IB 2001). Er wordt dus niet aangesloten bij de nominale waarde van de schulden die tegenover de vorderingen staan. In de literatuur is al in een vroeg stadium met behulp van een voorbeeld betoogd dat dit onjuiste en onredelijke gevolgen heeft. Zie Brandsma & De Vries 1999, onderdeel 4.3.10.2, p. 129-130. Zie ook Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.6.2, p. 408.
Eerder in dit onderzoek zijn voor die bijzondere gevallen al voorstellen gedaan ter vermijding van (feitelijke) dubbele heffing. Zie onderdeel 7.6.2 (ruisende splitsing) en onderdeel 12.5.6.2 (fiscaal gefaciliteerde splitsing).
Zie onderdeel 8.5.2.
Eerder in dit onderzoek is geconcludeerd dat schuldeisers van de splitsende rechtspersoon en houders van een recht om vorderingen op de splitsende rechtspersoon te verwerven ten onrechte worden geacht hun vorderingen respectievelijk opties te hebben vervreemd. Als de wetgever mijn aanbevelingen opvolgt, wordt de vervreemdingsfictie geschrapt voor schuldeisers en houders van een recht om vorderingen te verwerven.1 In plaats daarvan wordt de schuldeiser in mijn voorstel geacht te hebben ingestemd met een schuldoverneming voor zover de met de vordering corresponderende schuld in het kader van de splitsing overgaat naar een verkrijgende rechtspersoon.2 In veruit de meest gevallen blijft heffing van vennootschapsbelasting bij de splitsing dan achterwege. Dit lijdt uitzondering als de schuldeiser zijn vordering vóór de splitsing fiscaal heeft afgewaardeerd en de financiële positie van de nieuwe schuldenaar (de betreffende verkrijgende rechtspersoon) beter is dan die van de splitsende rechtspersoon. In zo’n situatie dient de vordering namelijk op grond van goed koopmansgebruik te worden opgewaardeerd naar maximaal de nominale waarde.3 Gelet op de fiscaal-theoretische toets is het wenselijk om voor die gevallen een regeling te creëren op grond waarvan deze acute belastingheffing bij de splitsing achterwege kan blijven. Daarmee wordt dan bereikt dat de vennootschapsbelastingwetgeving een schuldeiser in het geval van een (wenselijke) splitsing niet belemmert.4 Dit kan worden vormgegeven door de schuldeiser de mogelijkheid te bieden te handelen alsof sprake is van een nieuwe vordering waarbij wordt bepaald dat deze ‘nieuwe’ vordering in de plaats treedt van de ‘oude’ vordering. Hierdoor schuift de boekwaarde van de vordering door en blijft het afwaarderingsverleden van de ‘oude’ vordering kleven aan de ‘nieuwe’ vordering. Dat is bijvoorbeeld relevant als de ‘oude’ vordering is beclaimd op grond van art. 13b Wet VPB 1969.5 Bij een splitsing gaat een rechtsverhouding, waaronder een schuld, als hoofdregel in haar geheel over naar één verkrijgende rechtspersoon.6 Mocht de schuldeiser na de splitsing – ondanks deze hoofdregel – te maken hebben met meer dan één schuldenaar, dan dient de fiscale boekwaarde te worden verdeeld. Het meest zuiver lijkt mij om voor deze verdeling vorm te geven naar evenredigheid van de nominale waarde van de corresponderende schulden. Tegelijkertijd met de invoering van de zojuist beschreven regeling kan de huidige doorschuifmethodiek met betrekking tot vorderingen vervallen.7
Met betrekking tot de positie van schuldeisers is eerder in dit onderzoek geconcludeerd dat bij de splitsing volgens het wenselijk recht onder omstandigheden art. 13b, lid 3, Wet VPB 1969 in werking kan treden. Als mijn eerdere aanbevelingen worden opgevolgd, zal dat slechts aan de orde zijn (i) wanneer bij de splitsing schuldvermenging optreedt8 of (ii) ingeval de schuldeiser zijn positie bij de splitsing niet beschermt, terwijl het (toepasselijke) civiele recht hem wel die mogelijkheid biedt.9 In laatstgenoemde gevallen bestaat er mijns inziens geen reden voor een claimdoorschuifmogelijkheid.