Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.6
13.6 De (on)mogelijkheid om gedeeltelijk door te schuiven
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491842:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
In onderdeel 12.2 is bepleit dat zo’n gedeeltelijke doorschuifregeling wenselijk is voor de splitsingspartners.
Ik beperk mij in de hoofdtekst tot aandeelhouders. In § 15, Abs. 1 en § 13 UmwStG wordt uitsluitend melding gemaakt van aandelen (Anteile). Volgens het Duitse Ministerie van Financiën (BMF) geldt § 13 UmwStG – en daarmee ook 15 UmwStG – echter niet alleen voor aandeelhouders, maar ook voor houders van lidmaatschapsrechten (Mitgliedschaftsrechte). Zie BMF-Schreiben, 11 november 2011, BStBl. I 2011, p. 1314, punt 13.12. Daarin wordt gesproken over situaties waarin een aandeelhouder in de verdwijnende rechtspersoon lidmaatschapsrechten verkrijgt in de verkrijgende rechtspersoon, of omgekeerd. Zie ook Schroer in: Haritz, Menner & Bilitewski 2019, § 13, punt 6. Deze auteur stelt meer in het algemeen dat § 13 ook geldt wanneer er geen aandelen zijn, maar lidmaatschapsrechten in de ‘overdragende’ en/of ‘overnemende’ entiteit. Zie over dit onderwerp ook Neumann in: Rödder, Herlinghaus & Van Lishaut 2019, § 13, punt 30 en Schmitt in: Schmitt & Hörtnagl 2020, § 13, punt 10.
Zie § 15, Abs. 1 in verbinding met § 13, Abs. 1, UmwStG.
Zie § 15, Abs. 1 in verbinding met § 13, Abs. 2, UmwStG. Behoren de aandelen in de splitsende rechtspersoon niet tot het bedrijfsvermogen (Betriebsvermögen), dan wordt fiscaal uitgegaan van de aanschafprijs van de aandelen in de splitser.
BMF-Schreiben, 11 november 2011, BStBl. I 2011, p. 1314, punt 13.10. Zie hierover ook Schmitt in: Schmitt & Hörtnagl 2020, § 13, punt 2 en punt 33, Neumann in: Rödder, Herlinghaus & Van Lishaut 2019, § 13, punt 51 en Dworschak in: Kraft, Edelmann & Bron 2019, § 15, punt 31.
Dötsch in: Dötsch, Patt, Pung & Möhlenbrock 2012, § 13, punt 2, p. 552.
Zie onderdeel 12.2.4, ook voor de koppeling van dat argument aan de fiscaal-theoretische toets uit het toetsingskader.
In het huidige systeem kunnen de aandeelhouders, leden, schuldeisers, winstbewijshouders en optiehouders van de splitsende rechtspersoon er niet voor kiezen de splitsingswinst gedeeltelijk in aanmerking te nemen en gedeeltelijk door te schuiven (partiële fiscaal gefaciliteerde splitsing). De vraag rijst of het wenselijk is een partiële doorschuifregeling in het leven te roepen.1
Om deze vraag te beantwoorden, ga ik eerst in op het Duitse systeem. In Duitsland is een splitsing voor aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon als hoofdregel een vervreemding van hun aandelen tegen de waarde in het economische verkeer (gemeinen Wert).2 De aandelen die door de verkrijger(s) worden toegekend, worden in dat geval geacht tegen dezelfde waarde te zijn aangeschaft.3 Op verzoek en onder voorwaarden kunnen de aandeelhouders de verkregen aandelen op de fiscale balans opnemen voor het bedrag waarvoor de (fictief) vervreemde aandelen in de splitsende rechtspersoon fiscaal te boek stonden (doorschuiven fiscale boekwaarde).4 De aandeelhouders kunnen de verkregen aandelen niet tegen een tussenwaarde (Zwischenwert) op de fiscale balans opnemen. In het Duitse systeem bestaat dus geen partiële doorschuifmogelijkheid op aandeelhoudersniveau.5 Volgens Dötsch is de reden hiervoor dat de Duitse wetgever daar de behoefte niet van inzag.6
Mijns inziens bestaat er naast het ‘behoefte-argument’ ook een andere reden om niet te voorzien in een partiële doorschuifregeling. Wanneer (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers een doorschuifregeling toepassen, verschuift de belastingclaim weliswaar naar de toekomst, maar deze blijft achter bij dezelfde belastingplichtige (belastingsubject). De belastingclaim wordt slechts (geheel of ten dele) gekoppeld aan andere objecten, namelijk aandelen, lidmaatschapsrechten, winstbewijzen, vorderingen respectievelijk opties. Van een inbreuk op de totaalwinst van de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers is dus geen sprake. Het is niet zo dat een subjectbenadering wordt ingewisseld voor een objectbenadering. Dat ligt fundamenteel anders ingeval de splitsende rechtspersoon gebruikmaakt van een doorschuifregeling. Dan verhuist er namelijk wél een belastingclaim tussen verschillende belastingsubjecten. Een partiële doorschuifregeling zorgt er dan voor dat voor een groter gedeelte recht wordt gedaan aan het vaststellen van de totaalwinst van de splitser als heffingssubject. Naast het doelmatigheidsargument was dit hét argument in mijn pleidooi voor het creëren van een partiële doorschuifregeling voor de splitsingspartners.7 Dit speelt evenwel geen rol bij de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers van de splitser. Daarom is het naar mijn mening voor hen niet nodig om een partiële doorschuifregeling te creëren.