De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/7.3.5.3:7.3.5.3 Vertaling naar de enquœtebevoegdheid van de vennootschap
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/7.3.5.3
7.3.5.3 Vertaling naar de enquœtebevoegdheid van de vennootschap
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS376976:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Maeijer in zijn noot bij HR 9 juli 1990, NJ 1990/51 (Sluis).
Idem Leijten en Nieuwe Weme (2012), p. 136. Vgl. Van Schilfgaarde (1993), p. 27.
HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. Maeijer (Ogem).
Zie ook Van Vught (2016), p. 189 die meent dat het toepassingsbereik van de richtlijn beperkt moet blijven tot de gevallen waarvoor zij is geschreven, dat wil zeggen de gevallen waarin een vennootschap in het dagelijkse handelsverkeer optreedt jegens een derde.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De opvatting van Van Schilfgaarde en Van der Grinten e.a. biedt mijns inziens steun voor de gedachte dat de rechtshandeling tot het indienen van een enquêteverzoek namens de vennootschap niet onder de reikwijdte van het richtlijnstelsel valt.
Het indienen van een enquêteverzoekschrift namens de vennootschap betreft een eenzijdige rechtshandeling die de verhouding betreft tot de verweerder als wederpartij.1 Bij het verrichten van een dergelijke rechtshandeling neemt de vennootschap niet als rechtssubject deel aan het handelsverkeer. De essentie van de vertegenwoordiging in rechte in dit specifieke geval is dat een bestuurder namens de vennootschap een standpunt aan de OK voorlegt, welke nader wordt geformuleerd in het debat met de wederpartij. De vennootschap richt zich bij het indienen van een enquêteverzoek dus niet tot derden, niet tot een wederpartij, maar tot de OK. De OK is echter niet een derde in de zin van de richtlijn. Daar komt bij dat de ‘verweerder’ in dit specifieke geval ook de vennootschap is, maar dan vertegenwoordigd door een of meer andere bestuurders, die daarbij optreden als lid van een orgaan.2 Het indienen van een enquêteverzoek namens de vennootschap betreft dus geen rechtshandeling waarbij de rechten en plichten van derden jegens de vennootschap (rechtstreeks) in het geding zijn. De ratio van de richtlijn is bescherming bieden aan derden die in het dagelijkse handelsverkeer met de vennootschap verbintenissen aangaan.3 Daarvan is geen sprake wanneer de vennootschap verzoekt om een onderzoekt naar haar eigen beleid.4 Verdedigbaar is dat het hier gaat om een rechtshandeling die betrekking heeft op de interne structuur van de vennootschap. In een enquêteprocedure gaat het immers om het bewaken van de gezonde interne verhoudingen van de vennootschap. De Ogem- beschikking leert dat de enquêteprocedure primair tot doel heeft sanering en het herstel van de gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken vennootschap.5
Het voorgaande laat ruimte open voor de gedachte dat het indienen van een enquŒteverzoek namens de vennootschap buiten de richtlijn valt en dus niet onder het principe van de onbeperkte vertegenwoordigingsbevoegdheid.6 Dat biedt de mogelijkheid om voor het laten indienen van een verzoekschrift door de rechtspersoon een bestuursbesluit te vereisen. Daar is reden toe. Ik kom daarop terug in § 7.3.7.