Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.2.2
6.9.2.2 De grondwetsherziening van 1983
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455270:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk artikel 119 en artikel 120 Gw 1848 met artikel 105 Gw 1983. Zie over de algemene grondwetsherziening van 1983 en het budgetrecht: Kortmann 1987b, p. 292-297.
Handelingen II 1979/80, 18 maart 1980, p. 3909, p. 3919.
Handelingen II 1979/80, 18 maart 1980, p. 3919.
Handelingen II 1979/80, 18 maart 1980, p. 3920.
Handelingen II 1979/80, 25 maart 1980, p. 4084, p. 4439.
Handelingen II 1979/80, 25 maart 1980, p. 4084.
Handelingen I 1980/81, 9 december 1980, p. 238.
Handelingen I 1980/81, 9 december 1980, p. 238. Zie ook: Kamerstukken I, 1980/81, 15468, 22, p. 4.
Hoewel de algemene grondwetsherziening van 1983 weinig gevolgen had voor de vastlegging van het budgetrecht in de Grondwet, kwam tijdens de parlementaire behandeling van die wijzigingen voor het eerst duidelijk de spanning tussen het geldstelsel en internationalisering naar voren.1 Oorzaak waren de plannen van de regering om in de Grondwet geen bepaling meer op te nemen over het geldstelsel. Volgens de regering waren de op dat moment bestaande artikelen grotendeels afgestemd op de heersende monetaire omstandigheden uit de vorige eeuw.2 Het was niet nodig om in de Grondwet bevoegdheden met betrekking tot de munt aan de wetgever toe te kennen, omdat die door de regering zo vanzelfsprekend werden geacht dat ze in een beknopte Grondwet niet hoeven te worden opgenomen.3
De Tweede Kamer oordeelde echter anders en vond het onwenselijk dat de Grondwet geen enkele bepaling meer zou bevatten over monetaire zaken.
Via een amendement kwam daarom het sindsdien ongewijzigde artikel 106 in de Grondwet, waarin is opgenomen: ‘De wet regelt het geldstelsel.’4 Een van de argumenten voor deze bepaling die in de discussie hierover naar voren kwam, was dat anders het gehele nationale monetaire stelsel zou kunnen opgaan in een Europese munt, zonder grondwettelijke waarborgen.5 Dit werd onwenselijk geacht, nu het regelen van het eigen muntstelsel als een van de meest autonome bevoegdheden werd aangeduid die een land heeft. Het creëren van grondwettelijke waarborgen was noodzakelijk, aldus een van de ondertekenaars van het amendement, zodat het nationale geldstelsel niet zonder een behoorlijke democratische besluitvorming zou kunnen worden vervangen door een algemeen Europees stelsel.6 Het was dus niet de bedoeling van de initiatiefnemers van het amendement om vast te leggen dat het geldstelsel per se nationaal moest worden geregeld. Het amendement liet, ook in de ogen van de ondertekenaars, ruimte voor een Europees geldstelsel, maar eiste wel parlementaire instemming bij deze stap. De term ‘geldstelsel’ moest daarbij volgens de initiatiefnemers van het amendement overigens breed worden uitgelegd, zodat die niet alleen betrekking heeft op het muntstelsel, maar ‘op alle zaken die met het monetaire beleid te maken hebben’.7
De regering stelde zich ten tijde van de grondwetsherziening op het standpunt dat het niet in strijd zou zijn met deze bepaling om bij verdrag een Europees geldstelsel in te voeren.8 Nog afgezien van de parlementaire goedkeuring van een dergelijk verdrag, zou de wetgever dan bij gewone meerderheid de Nederlandse monetaire regelgeving moeten aanpassen aan dat verdrag, zodat de betrokkenheid van het parlement bij een Europees geldstelsel op twee manieren is gegarandeerd. Juist vanwege de al bestaande betrokkenheid van het parlement bij het sluiten van verdragen, voegde het amendement volgens de regering weinig toe.9
Tijdens de behandeling van deze grondwetswijzigingen in de Eerste Kamer kwam bij de discussie over deze bepaling onder meer de vraag aan de orde of een verdrag, waarin de oprichting van een Europees geldstelsel wordt geregeld, met een gewone of een tweederdemeerderheid goedgekeurd zou moeten worden. Volgens de regering was een gewone meerderheid voldoende, zoals ook in de Tweede Kamer verdedigd.10 Bij monde van toenmalig minister Wiegel stelde de regering:
‘De bepaling “de wet regelt het geldstelsel” kan op geen enkele wijze worden gezien als een grondwettelijk obstakel tegen eventuele toekomstige Europese ontwikkelingen.’11