Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.2
8.2 Het functioneel verband van art. 6:181 is van praktisch geringe betekenis
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301659:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.4.
HR 14 juli 2017, NJ 2017/467, m.nt. Spier (JMV/Zurich), r.o. 3.4.4. Zie ook par. 5.3.1.
Zie par. 7.6 voor de uitwerking hiervan voor de verschillende door art. 6:173, 174, 175 en 179 bestreken ‘gevaarsobjecten’.
In werkelijkheid sprak de werknemer zijn werkgever ex art. 6:171 aan, en wel voor de beweerde fout van de vrachtwagenchauffeur om de laaddeur niet goed vast te zetten. Deze vordering slaagde reeds niet, omdat het transport bij gebreke van voldoende ‘eenheid’ niet als een werkzaamheid ‘ter uitoefening van’ het tuinbouwbedrijf werd aangemerkt. Hiernaast werd, zij het eveneens vergeefs, door de werknemer ook een beroep gedaan op art. 7:658.
Eenzelfde geldt voor de – strikt genomen overbodige – tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 (par. 7.6.5.2) en de leden 2 en 3 van art. 6:181 (par. 7.7.1 en 7.7.2).
Zie in deze zin reeds par. 1.3.
Vgl. ook Parl. gesch. Boek 6, p. 715: wanneer de ondergeschikte niet handelt ter vervulling van zijn taak maar louter eigen doeleinden nastreeft, ‘dus niet als ondergeschikte de daad beging’ (curs. van de Toelichting Meijers), is het verband met het opgedragen werk te ver verwijderd om aansprakelijkheid ex art. 6:170 te kunnen aannemen.
Illustratief is ook dat blijkens HR 14 juli 2017, NJ 2017/467, m.nt. Spier (JMV/Zurich) binnen art. 6:170 bij het ondergeschiktheids- én functioneel verband-vereiste hetzelfde aspect van zeggenschap een rol speelt. Dit terwijl in de literatuur (vgl. par. 5.3.1) wel is betoogd dat wanneer de zeggenschapseis bij het functioneel verband dezelfde betekenis zou toekomen als ter afbakening van de kring van personen waarvoor de opdrachtgever aansprakelijk is, zij overbodig is. Ook hier derhalve een indicatie dat het ondergeschiktheidsvereiste van art. 6:170 het functioneel verband-vereiste van deze bepaling op zijn minst overlapt.
Ik doel op de in het kader van het functioneel verband van art. 6:170 inmiddels ontwikkelde – en ook op het terrein van art. 6:181 bruikbare – ‘deelfactoren’, aan de hand waarvan getoetst kan worden of in het voorkomende geval al dan niet sprake is van de vereiste functionele samenhang.
Vanwege de beperkte aandacht die het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 tot nog toe ten deel is gevallen, is een algemeen uitgangspunt voor de uitleg daarvan – eng of ruim? – nog niet uitgekristalliseerd. Evenmin is duidelijk welke gezichtspunten bij de beoordeling van het functioneel verband van art. 6:181 in het voorkomende geval van belang zijn. Omdat uit bronnen rondom art. 6:181 zelf maar weinig duidelijk wordt over het functioneel verband-vereiste van deze bepaling, acht ik de plaatsbepaling ten opzichte van art. 6:170 ook hier van belang: art. 6:170 heeft als inspiratiebron voor de juridisch-inhoudelijke toepassing van art. 6:181 te gelden.1 Net zoals art. 6:181 betreffende hulpzaken, kent art. 6:170 betreffende hulppersonen ter afbakening van de aansprakelijkheid een functioneel verband-vereiste: tussen de ‘fout’ van de ondergeschikte en het opgedragen werk moet op grond van art. 6:170 een zodanig verband bestaan, dat de ‘gebruiker’ van de hulppersoon (de opdrachtgever) voor de door de ‘fout’ veroorzaakte schade aansprakelijk kan worden geacht. Van belang is dat de beoordeling van het functioneel verband van art. 6:170 scharniert om de vraag of de opgedragen werkzaamheden de kans tot het maken van de fout hebben vergroot, alsmede of de opdrachtgever zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.2 Wanneer bij de beoordeling van het functioneel verband van art. 6:181 eveneens betekenis wordt toegekend aan het element van kansvergroting en een zeggenschapseis, lijkt dit functioneel verband-vereiste náást het gebruiksbegrip van art. 6:181 nauwelijks zelfstandige betekenis te hebben. De gedachte achter het aanwijzen van een persoon als ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 is immers al dat diegene wordt geacht het aan de zaak verbonden ‘verhoogde’ gevaar in de hand te werken en de kans op schade door een (verborgen) gebrek in de zaak dan wel de ‘eigen energie’ van het dier te hebben vergroot. De in art. 6:181 bedoelde ‘gebruiker’ van een zaak wordt geacht de grootste mate van invloed op c.q. zeggenschap over de daaraan verbonden risico’s te hebben.3 Kortom, het gebruiksbegrip van art. 6:181 bakent de aansprakelijkheid reeds op een wijze af die vergelijkbaar is met het functioneel verband-vereiste van art. 6:181. Ter illustratie van het feit dat het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 zodoende gemist lijkt te kunnen worden, geef ik een tweetal casus.
Een medewerker van een garagebedrijf huurt een aantal keren per jaar een zitmaaier van een hoveniersbedrijf, om het uitgestrekte grasveld rondom het garagebedrijf te kunnen maaien. Op dit grasveld worden te koop aangeboden auto’s door het garagebedrijf tentoongesteld aan potentiële kopers. De medewerker heeft toestemming van zijn leidinggevende om, nadat hij het gras rondom het garagebedrijf heeft gemaaid, van de gelegenheid gebruik te maken en altijd ook nog even langs huis te gaan om met de zitmaaier zijn eigen riante privétuin te maaien. Dit laatste gaat nu echter fout, omdat tijdens het maaien plotseling een van de messen van de machine losschiet en een toevallige passant treft. Deze spreekt het garagebedrijf als bedrijfsmatige gebruiker van de zitmaaier ex art. 6:181 jo. 173 tot schadevergoeding aan.
Het andere voorbeeld is ontleend aan HR 8 februari 2008, NJ 2008/93 (Lagraauw/Van Schie), waarin een tuinbouwbedrijf voor het vervoer van zaken als containers en pallets regelmatig gebruik maakt van een bepaalde transportonderneming. Zo arriveerde op een zekere dag op het terrein van het tuinbouwbedrijf een chauffeur met vrachtwagen om containers te laden. Een werknemer van het tuinbouwbedrijf werd door zijn werkgever zoals gebruikelijk verzocht daarbij een helpende hand te bieden. Dit keer loopt dat niet goed af, omdat de werknemer wordt getroffen door een laaddeur van de vrachtwagen die vanwege een gebrek plotseling dichtslaat. De werknemer spreekt zijn werkgever als bedrijfsmatige gebruiker van de vrachtwagen ex art. 6:181 jo. 173 tot schadevergoeding aan.4
Het gaat mij nu niet om het antwoord op de vraag of deze vorderingen in de beide casus kansrijk zijn of niet, maar om de aanvliegroute om de aansprakelijkheid te beoordelen. Die beoordeling zou in de sleutel van het functioneel verband van art. 6:181 geplaatst kunnen worden. Werd de gebrekkige zitmaaier ten tijde van het ongeval ‘in de uitoefening van’ het garagebedrijf gebruikt? Kan van het tuinbouwbedrijf worden gezegd de gebrekkige vrachtwagen op het moment van het ongeval ‘in de uitoefening van’ haar activiteiten te hebben gebruikt? Het is echter ook mogelijk de beoordeling van de functionele samenhang tussen het schadeveroorzakende gebruik van de zitmaaier en vrachtwagen en de uitoefening van het garage- en tuinbouwbedrijf in de sleutel van het gebruiksbegrip van art. 6:181 te plaatsen. Stel dat gezien de eis van kansvergroting en zeggenschap in beide gevallen het gebruik van de schadeveroorzakende zaak wordt geacht in te ver verwijderd verband te staan met de betreffende bedrijfsvoering. Van het tuinbouwbedrijf kan gezegd worden dat zij niet ‘als’ gebruiker van de gebrekkige vrachtwagen had te gelden, nu kort gezegd niet zij maar de transportonderneming daarmee ‘de meest sprekende band’ had. Ook van het garagebedrijf zou ten tijde van het privégebruik door een van haar medewerkers gezegd kunnen worden, dat zij op dát moment niet (meer) ‘als’ gebruiker van de gebrekkige zitmaaier had te gelden. In dit perspectief past ook het in de inleiding van dit hoofdstuk gegeven voorbeeld van de werknemer van de manege die daar privégebruik maakt van andermans paard. Overigens zou de afbakening van schadegevallen op de grens van de bedrijfs- en privésfeer ook via het bedrijfsbegrip van art. 6:181 kunnen lopen. Zo zou van het garagebedrijf gezegd kunnen worden dat ten tijde van de schadeveroorzaking door de zitmaaier, deze zaak niet (meer) ‘als’ bedrijf werd gebruikt maar op persoonlijke titel van de betreffende medewerker. Hetzelfde geldt voor de medewerker van de manege die zijn jarige dochter daar een privérit laat maken. Art. 6:181 vestigt alleen een aansprakelijkheid in de kwaliteit van bedrijf, terwijl in het voorbeeld van het privégebruik van de zitmaaier en het paard op de manege aangenomen zou kunnen worden dat niet (de hoedanigheid van) het garage- of manegebedrijf bij het schadeveroorzakende gebruik was betrokken, maar dat het ging om privégebruik waarop art. 6:181 niet ziet.
Kortom, ook zonder het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 lijkt de risicosfeer van de bedrijfsmatige gebruiker op de gewenste maat gesneden te kunnen worden. Wordt een bepaald gebruik van een zaak geacht te ver verwijderd te zijn van de bedrijfsvoering voor een aansprakelijkheid op grond van art. 6:181, dan lijkt een niet-aansprakelijkheid aan de hand van de elementen kansvergroting en zeggenschap al bereikt te kunnen worden door de toepassing van het gebruiks- en soms ook bedrijfsbegrip van deze bepaling. En zodra een persoon – aan de hand van de elementen kansvergroting en zeggenschap – eenmaal als ‘gebruiker’ van een in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde zaak is aangemerkt, zal daarin doorgaans reeds de vereiste functionele samenhang (‘in de uitoefening van’) besloten liggen tussen het gebruik van de zaak en diens bedrijfsuitoefening. Zo beschouwd geldt ook voor de zinsnede ‘in de uitoefening van’ dat zij niet zozeer als afzonderlijk criterium moet worden gezien, maar vooral tot uitdrukking brengt wat ‘de grondnorm’ van art. 6:181 inhoudt.5 Dit past ook bij mijn eerdere opmerking dat de drie kernvereisten van art. 6:181 (bedrijf, gebruik, ‘in de uitoefening van’) nauw met elkaar samenhangen en ook overlap kunnen vertonen of elkaar kunnen aanvullen, waarbij dan niet ieder element dezelfde mate van zelfstandige betekenis toekomt.6 Uiteindelijk gaat het zoals gezegd steeds om de ‘totaaltoets’: of van de zaak kan worden gezegd dat deze op het moment van de schadeveroorzaking werd ‘gebruikt in de uitoefening van een bedrijf’.
Dat het functioneel verband van art. 6:181 als afzonderlijke vereiste strikt genomen gemist zou kunnen worden, vindt tot slot adstructie in de positie van het functioneel verband-vereiste van ‘inspiratiebron’ art. 6:170 zélf. Wanneer men in een voorkomend geval zou willen aannemen dat onvoldoende verband bestaat tussen een door een in art. 6:170 bedoelde ondergeschikte gemaakte ‘fout’ en de aan hem opgedragen werkzaamheden, is die uitkomst ook al te bereiken door de toepassing van de andere kernbegrippen van art. 6:170, te weten ‘ondergeschikte’ en ‘meester’. Stel dat het gaat om een fout van een ondergeschikte in de privésfeer: tijdens een vakantie berokkent hij een derde schade. Een vordering ex art. 6:170 jegens diens werkgever zou van de hand gewezen kunnen worden door te oordelen dat de betreffende schade door de veroorzaker niet ‘als’ ondergeschikte (van zijn werkgever) is aangericht.7 De redenering is dan dat de werknemer zich ten tijde van de schadeveroorzaking niet meer in een ondergeschikt verband ten opzichte van zijn werkgever bevond.8 Voorts is in geval van een ‘fout’ op vakantie ook denkbaar het oordeel dat een dergelijke door een ondergeschikte gemaakte fout zó ver van de (eigenlijke) taakvervulling afstaat, dat de opdrachtgever dáárvan voor een tijdens vakantie begane fout niet ‘als’ werkgever is aan te spreken. Oftewel, er is niet voldaan aan het ‘meester-begrip’ van art. 6:170.
Hoewel het functioneel verband van art. 6:181 (en ook art. 6:170) strikt genomen gemist lijkt te kunnen worden, zal dit vereiste in bepaalde gevallen toch een verhelderende rol kunnen spelen. Naar mijn idee valt in ieder geval te denken aan ‘bijzondere’ schadegevallen met zaken binnen het op voet van art. 6:181 aangesproken bedrijf (par. 8.4.2) en ook aan schadegevallen die op de grens van de bedrijfs- en privésfeer (par. 8.4.3) liggen. Het gaat om situaties waarin een direct verband tussen het gebruik van de zaak en de (‘reguliere’) activiteiten van de bedrijfsuitoefenaar ontbreekt. Wanneer de afbakening in dergelijke gevallen in de sleutel van het functioneel verband van art. 6:181 wordt geplaatst, en niet in die van zijn gebruiks- of bedrijfsbegrip, zou dat, zoals nog zal blijken (par. 8.4.1), kunnen leiden tot een beter beargumenteerde en/of meer inzichtelijke beoordeling.9 Hierom wordt in het navolgende (toch) uitgewerkt hoe de toetsing aan het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 zou kunnen plaatsvinden.