Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/2.10.3
2.10.3 Rulingbeleid
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS400612:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Onder andere in de Brief Staatssecretaris van Financiën, 2 februari 2015, kenmerk IZV/2015 22 U, Informatie over rulings, V-N 2015/10.3.
Zie de besluiten van 3 juni 2014, nr. DGB 2014/296, Stcrt. 2014, 15954 en DGB 2014/3098, Stcrt. 2014, 15955, V-N 2014/32.1 t/m 32.6.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 18 februari 2018, onderzoek rulings met een internationaal karakter, kenmerk 2018-0000024590.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 23 februari 2018, Aanpak belastingontwijking en ontduiking, kenmerk 2018-0000026987, V-N 2018/14.2.
Vleggeert pleitte in 2013 al voor een stop op het afgeven van rulings aan brievenbusmaatschappijen. Zie J. Vleggeert, Stop met afgeven tax rulings aan brievenbusmaatschappijen, WFR 2013/916.
R. Taha, WFR fiscaal café 2017: De 100 dagen-brief van de DG Belastingdienst: het (toezicht) beleid van de Belastingdienst, WFR 2018/11, onderdeel 3.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 23 februari 2018, Aanpak belastingontwijking en ontduiking, kenmerk 2018-0000026987, V-N 2018/14.2.
Na een boekenonderzoek kan een belastingplichtige (kostenloos) verzoeken om een zogenoemde Verbindliche Zusage (§§ 204 ff AO) waarin de Belastingdienst een uitspraak doet over toekomstige belastingheffing van de gecontroleerde feiten en omstandigheden. Daarnaast kan op grond van §42e EStG worden verzocht om een Lohnanrufungsauskunft, waarbij de belastingplichtige (kostenloos) zekerheid kan krijgen over wel of niet toepassing van loonbelasting voorschriften.
Zie EY Tax & Law Magazine, 03/2013, blz. 18 en EY Tax & Law Magazine 01/2015, blz. 32.
EU Joint Transfer Pricing Forum; Statistics on APAs at the end of 2013.
Richtlijn 2015/2376/EU van de Raad van 8 december 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/ EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PbEU 2015, L 332/5). Zie ook de brief van de staatssecretaris van 11 januari 2017 (V-N 2017/8.4). Voor een nadere uiteenzetting verwijs ik naar N. Kolste, De Wet uitwisseling inlichtingen over rulings, MBB 2017/05.
Zie hierover bijvoorbeeld Van de Streek en Nouwen in het Financieel dagblad, L. Berentsen, Strengere regels zetten praktijk van belastingafspraken onder druk, Financieel Dagblad, 17 januari 2017. Zie ook S. Grotherr, Sollten verbindliche Auskünfte anonymisiert veröffentlich werden? StuW 1/2016, blz. 76 ev. Hij geeft aan dat in Duitsland nog de nodige stappen zijn te zetten voor een optimaal gewenst transparant rulingbeleid en uitwisseling daarvan.
Zie onder andere het oordeel van de Europese Commissie van 21 oktober 2015 en de reactie van het Nederlandse kabinet op dit oordeel (Min. v. Fin. 27 november 2015, AFP/2015/948M).
Besluit van 17 juli 2015, nr. DGB 2015 – 3524 M.
Nederland kent van oudsher een uitgebreid rulingbeleid. Dit beleid wordt ook vaak genoemd als één van de pijlers onder het goede fiscale vestigingsklimaat van Nederland. Nadat het Nederlandse (standaard) rulingbeleid in 2002 als schadelijke belastingconcurrentie werd aangemerkt, heeft Nederland het proces rondom het aanvragen, verkrijgen en bekendmaken van rulings veranderd. Sindsdien worden grofweg twee soorten rulings afgegeven, namelijk de Advance Pricing Agreement (APA) en Advance Tax Ruling (ATR). Een APA geeft zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning) of een methode voor de vaststelling van een dergelijke beloning voor grensoverschrijdende transacties tussen gelieerde lichamen en winstallocatie aan vaste inrichtingen van lichamen. Een ATR geeft zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen (in de vennootschapsbelasting en dividendbelasting) van een voorgenomen transactie of samenstel van transacties. Daarbij heeft de staatssecretaris divers malen nadrukkelijk opgemerkt dat de waarde van een ruling voor een bedrijf zit in de zekerheid vooraf en niet in de fiscale gunst.1 De voorwaarden waaraan de aanvraag moet voldoen en de gehele procedure staan beschreven in beleidsbesluiten.2
De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer op 18 februari 20183 geïnformeerd dat naar aanleiding van onderzoek kan worden geconcludeerd dat het volgen van de interne procedures voor het afgeven van rulings niet in alle gevallen foutloos is verlopen. Volgens de staatssecretaris betreft dit bij de rulings die zijn afgegeven door het APA/ATR-team een beperkt aantal en bij de rulings die niet door het APA/ATR-team zijn afgegeven een groter aantal. De staatssecretaris laat weten dat uitkomsten van het onderzoek, de beleidskeuzes van het kabinet en de uitkomst van een intern onderzoek naar de naleving van Europese richtsnoeren over de voorwaarden en regels voor het afgeven van rulings aanleiding geven om het geven van zekerheid vooraf op onderdelen te herzien. Deze herziening betreft zowel het proces van afgifte van rulings als de inhoud van de rulings. In de brief aanpak belastingontwijking en ontduiking4 geeft de staatssecretaris aan dat de substance-eisen voor het verkrijgen van een ruling zullen worden verzwaard.5 De eisen worden in lijn gebracht met de eisen voor relevante substance zoals die zijn geïntroduceerd bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling. Het gaat hier – naast de al bestaande substance eisen om een loonsomeis van € 100.000 en de eis van een kantoorruimte die gedurende ten minste 24 maanden ter beschikking staat. De nieuwe vormgeving van de rulingpraktijk zou per 1 januari 2019 moeten staan.
Naast het afgeven van formele rulings is de Nederlandse Belastingdienst vaak ook bereid om een fiscaal vraagstuk vooraf te bekijken, te beoordelen en zekerheid vooraf te geven over de fiscale gevolgen van een bepaalde transactie of rechtshandeling. Het vooroverleg wordt in Nederland als een groot goed gezien. De Kleer noemt een kwalitatief goed vooroverleg essentieel voor de rechtszekerheid en het heeft internationale aantrekkingskracht.6 De staatssecretaris heeft op 23 februari 2018 aangegeven dat het kabinet onverminderd voorstander blijft om in een vroeg stadium duidelijkheid te scheppen en discussies tussen belastingplichtigen en de Belasting “aan de voorkant’’ te willen beslechten.7 De Duitse Finanzverwaltung is op dit vlak veel terughoudender. Duitsland kent overigens wel een mogelijkheid tot het aanvragen van een ruling, “verbindliche Auskunft’’ genoemd. Sinds 2006 zijn de voorwaarden waaronder een verbindliche Auskunft wordt verstrekt wettelijk vastgelegd in §89, Abs. 2 Abgabenordnung (AO). In tegenstelling tot een aanvraag van een Nederlandse ruling moet in Duitsland een vergoeding worden betaald aan de Belastingdienst voor de ruling.8 Een verbindliche Auskunft is in principe alleen bindend voor de Finanzverwaltung. Op het moment dat de aanvrager van de ruling de feiten en omstandigheden als zodanig opneemt in de aangifte, dan moet de Finanzverwaltung de toegezegde fiscale uitkomst in de aanslag omzetten.
Uit de praktijk blijkt dat het rulingbeleid in de uitvoering in Duitsland vrij star is. Er is volgens EY een zekere mate van terughoudendheid in het afgeven van verbindlichen Auskünften.9 Dit blijkt mijns inziens ook uit Europese cijfers van afgegeven rulings over het jaar 2013. In Nederland zijn in dat jaar in totaal 323 APA verzoeken ingediend en 228 toegewezen, terwijl het aantal verzoeken in Duitsland in dat jaar 27 bedroeg, waarvan er 10 zijn toegewezen.10
Zowel in OESO-verband als op EU niveau zijn er in de afgelopen jaren afspraken gemaakt over de uitwisseling van inlichtingen over rulings tussen Belastingdiensten om zodoende meer transparantie in de strijd tegen belastingontwijking na te streven.11 Deze afspraken zouden van invloed kunnen zijn op de bestaande rulingpraktijk in Nederland en Duitsland. De aangescherpte regelgeving en toename van administratieve lasten voor de Belastingdienst in Nederland en Duitsland zou er toe kunnen leiden dat de dienst terughoudender wordt in het afgeven van rulings.12 Daarnaast zal de “Starbucks- IKEA en NIKE affaire’’, waarbij rulings tussen genoemde partijen en de Nederlandse staat door de Europese commissie zijn aangemerkt als een vorm van verboden staatssteun de nodige impact kunnen hebben op het bestaande rulingbeleid (vooral in Nederland als direct betrokkene).13 Zoals hierboven al opgemerkt is Nederland van plan het rulingbeleid enigszin aan te passen, hetgeen in 2019 vorm dient te hebben gekregen.
Om het (Europese) goede voorbeeld te geven hebben Nederland en Duitsland op 14 juli 2015 een bilaterale overeenkomst gesloten waarin is afgesproken om ruling-gegevens uit te wisselen.14 Opvallend is dat er tot op heden sprake is van eenrichtingsverkeer. Nederland heeft wel informatie verstrekt aan Duitsland, maar tot op heden nog geen enkele informatie teruggekregen.15 Een ontwikkeling die mijns inziens past bij mijn beschouwing in hoofdstuk 2.7.5 over de omgang van Nederland en Duitsland met Europese ontwikkelingen.