Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.6.3:9.3.6.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.6.3
9.3.6.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606627:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 306, nr. 3, p. 50.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 6 Wet LB 1964 zijn ten aanzien van de persoon van de inhoudingplichtige geen voorwaarden opgenomen met betrekking tot de rechtsvorm. De inhoudingsplicht bestaat dus ongeacht de rechtsvorm. Om dezelfde reden ga ik ervan uit dat ook voor de ‘samenhangende groep’ geen voorwaarden bestaan ten aanzien van de rechtsvorm.
Ten aanzien van de ‘samenwerkende groep’ is duidelijk sprake van een open norm. Tijdens de parlementaire behandeling is aangegeven dat de onduidelijke inhoud en reikwijdte van het begrip niet bezwaarlijk is. Volgens de wetgever ligt het namelijk niet voor de hand dat inhoudingsplichtigen zonder samenhang zich gezamenlijk met een verzoek tot de inspecteur zullen wenden, en bereid zullen zijn tegelijkertijd aangifte te doen en af te dragen. In het uiterste geval zal de inspecteur moeten beoordelen of van samenhang sprake is, waarbij de bewijslast bij de inhoudingsplichtigen ligt.1 Op basis van de facilitaire functie van het begrip vind ik deze reactie niet logisch. De faciliteit zou naar mijn mening meer succesvol kunnen zijn, indien de wetgever ten minste enige toelichting zou geven ten aanzien van het begrip ‘samenwerkende groep’. De onduidelijkheid waarin het begrip nu is gehuld, past naar mijn mening alleen bij een antiontgaansfunctie.
Overigens zijn ten aanzien van het begrip ‘samenwerkende groep’ verschillende benaderingen mogelijk om te komen tot een uniforme inhoud in relatie tot andere verbondenheidsbegrippen. In de eerste plaats zou kunnen worden aangesloten bij de ‘fiscale eenheid’ in de zin van art. 15 Wet VPB 1969 of art. 7 lid 4 Wet OB 1968. Deze begrippen hebben eveneens een facilitaire functie. Bovendien hebben zij als gemeenschappelijk kenmerk dat aan interne transacties geen fiscale gevolgen worden verbonden: voor de vennootschapsbelasting gaat het hierbij om het uitstel van winstrealisatie, bij de omzetbelasting om een voordeel indien er sprake is van een combinatie van belaste en vrijgestelde prestaties en bij de loonbelasting om verplaatsing van een werknemer van de ene concernmaatschappij naar de andere, zonder dat bijvoorbeeld opnieuw een loonbelastingverklaring hoeft te worden ingevuld. De regelingen leiden daarom elk tot een procedurele en administratieve vereenvoudiging.
Voor de inhoud van het begrip ‘samenwerkende groep’ kan ook worden aangesloten bij de definities van de begrippen ‘verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 4 en 5 Wet VPB 1969. Een andere mogelijkheid is om voor de definitie van het begrip ‘samenhangende groep’ aan te sluiten bij het begrip ‘groep’ in de zin van art. 2:24b BW.