Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/5.3.1
5.3.1 De rapporten van de High Level Group of Company Law Experts (2001-2002)
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS388248:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een feitelijk verslag Winter 2008, p. 109 die beschrijft dat de stemmen in het Europese Parlement staakten met 273 stemmen voor en 273 stemmen tegen het voorstel. Bij wijze van ongelukkig toeval wijst Winter op het feit dat twee Britse leden van het Europese Parlement, die naar eigen zeggen voor zouden hebben gestemd, te laat binnenkwamen om nog aan de stemming deel te kunnen nemen.
Winter 2008, p. 110-112. Zie voor een beknopte beschrijving van de voorgeschiedenisM.P. Nieuwe Weme, Het verplicht bod op effecten, diss. Nijmegen 2004, Van der Heijden- reeks nr. 80, Deventer: Kluwer 2004, p. 51-54.
Presidency Conclusions of the Lisbon European Council, 23-24 March 2000, te raadplegen via
Het toetredingsverdrag werd op 16 april 2003 in Athene gesloten. Ten tijde van het opstellen van de Lissabon agenda waren de formele onderhandelingen met een aantal van de grotere kandidaat-Lidstaten, waaronder Polen en Tsjechië, al gaande.
Lissabon agenda 2000, nr. 14.
Ibid, nr. 20.
Mededeling van de Europese Commissie ‘Financial Services: Implementing the Framework for Financial Markets: Action Plan’, 11 mei 1999, COM (1999) 232 definitief.
In een later persbericht zou Bolkestein namens de Europese Commissie expliciet een verband leggen tussen de Lissabon agenda en het advies van de High Level Group voor een nieuw voorstel voor de Overnamerichtlijn. Zie het persbericht van de Europese Commissie ‘Company Law: Commission welcomes experts’ report on takeovers’ van 10 januari 2002 ((IP/02/24).
Zie het persbericht van de Europese Commissie ‘Company Law: Commission creates High Level Group of Experts’ van 4 september 2001 (IP/01/1237).
De rapporten van de Steering Group zijn thans te vinden op
Persbericht van de Europese Commissie ‘Company Law: Commission creates High Level Group of Experts’ van 4 september 2001 (IP/01/1237). Zie ook Winter 2008, p. 114.
Persbericht van de Europese Commissie van 4 september 2001 (IP/01/1237).
Timmerman heeft in reactie op de instelling van de High Level Group geopperd dat de High Level Group op zoek zou moeten gaan naar een “klein project met grote gevolgen voor het Europese vennootschapsrecht”, hiermee zou volgens hem meer resultaat bereikt kunnen worden dan met een omvangrijk advies op alle door de Europese Commissie gevraagde onderdelen. Zie L. Timmerman, ‘Kleine gebeurtenissen’, Ondernemingsrecht 2001, p. 413-414.
Zie Winter 2008, p. 112-114. Zie uitgebreid §7.2 hierna.
Op dat moment neergelegd in artikel 5 lid 2 EG-Verdrag, thans in artikel 5 lid 3 VEU. Zie voor een contemporain commentaar over de regelgevende bevoegdheid van de EU op het terrein van het vennootchapsrecht G.J. Vossestein, ‘De bevoegdheid van de Europese Gemeenschap tot regeling van het vennootschapsrecht’, WPNR 2002 (6481), p. 247-253.
High Level Group Report on Takeover Bids 2002. Zie voor een Nederlands commentaarJ.N. Schutte-Veenstra, ‘Rapport Commissie Winter ter zake van overnamebiedingen’,Ondernemingsrecht 2002, p. 54-58.
In deze zin ook Winter 2008, p. 116. Of de High Level Group haar voorstel ook daadwerkelijk aan het Wetsvoorstel betwiste overnames heeft ontleend maakt Winter niet duidelijk.
Persbericht van de Europese Commissie van 10 januari 2002 ((IP/02/24). Zie ook Winter 2008, p. 116 die opmerkt dat Bolkestein persoonlijk ook verheugd was met de voorstellen.
High Level Group Report on Takeover Bids 2002, p. 19.
Ibid, p. 20-21.
Zie Rickford 2002a, p. 326: “The value of the law was to be judged by its effects, and this applied both to reforms proposed and to everything which currently lay within the Act and the case law. In principle, a ‘zero-base’ evaluation was required: anything which constrained freedom of economic choice and which could not be justified in terms of wealth generation should be discarded. (…) This approach clearly tended towards the ‘law and economics’ approach to law as it is and as it ought to be, rather than any influence of theories of the law as an endogenous logical construct in itself, or as an instrument for advancing political values.” (met verwijzingen in de bijbehorende voetnoot naar Coase 1937 en Easterbrook/ Fischel 1991). Zie voorts Rickford 2002b, p. 369-371 waarin de analyse van de Steering Group ten aanzien van de verhouding tussen aandeelhouders onderling in de sleutel van de agency theory wordt gepresenteerd.
In dezelfde zin kunnen de volgende opmerkingen van Rickford uit een voordracht over het werk van de Steering Group tijdens het IVO-congres in Groningen op 5 oktober 2002 worden begrepen: “In our view, the law in the field of companies should be regarded as a product. The legislators must produce a product which is suitable for the users. This is true not only for legislators, but also for adjudicators and advisers. Although legislators are less trapped by path dependency than adjudicators and advisors, the fact remains that for all of them it is a product like any other product. The question is whether something that is suitable for the needs of the users is being produced. The overriding purpose of company law should be the generation of welfare for the community as a whole. (…) The object of the endeavour of creating a new company law is a system for the disciplined control and effective exercise of economic power to increase the wealth of the community.” Zie J. Rickford, ‘Which requirements should a modern competitive company law meet?’, in L.J. Hijmans van den Bergh et al. (reds.), Nederlands ondernemingsrecht in grensoverschrijdend perspectief, IVO-reeks nr. 40, Deventer: Kluwer 2003, p. 160-161.
Illustratief is Winter’s preadvies ‘Vennootschapsrecht en moderne technologie’ voor de Vereeniging Handelsrecht uit 2001. Zie J.W. Winter, ‘Vennootschapsrecht en moderne technologie’, in R.E. van Esch, J.W. Winter & G.J. van der Ziel, Afscheid van papier: handelsrecht en moderne technologie, preadviezen Vereeniging Handelsrecht 2001, Deventer: Kluwer 2001, p. 55-136, in het bijzonder p. 121-136.
R.R. Kraakman et al (reds.), The Anatomy of Corporate Law: a Comparative and Functional Approach, 1st edition, Oxford: Oxford University Press 2004. Kraakman was hoofdredacteur van dit project en schreef samen met Hansmann de eerste drie hoofdstukken met algemene beschouwingen. Een tweede editie verscheen in 2009.
Zie K.J. Hopt, Europäisches Übernahmerecht: eine rechtsvergleichende, rechtsdogmatische und rechtspolitische Untersuchung, Tübingen: Mohr Siebeck 2013, in het bijzonder p. 5-12 en p. 77-88.
Resolutie van het Europese Parlement over de harmonisatie van het burgerlijk en handelsrecht van de Lidstaten, COM(2001) – C5-0471/2001 – 2001/2187 (COS) van 15 november 2001. Zie Vossenstein 2002, p. 247 die wees op de mogelijke reflexwerking van deze resolutie voor een verdergaande harmonisatie van het vennootschapsrecht op Europees niveau.
Schutte-Veenstra kwam in haar bespreking van het rapport van de High Level Group over openbare overnamebiedingen tot een iets andere, maar niet minder tot de verbeelding sprekende conclusie: “Het rapport ademt de sfeer uit dat de Commissie Winter het tot haar taak heeft gesteld om te komen met een voorstel dat zo goed mogelijk verzekert dat aandeelhouders binnen de EU gelijk worden behandeld bij een overnamebod, ongeacht de eventuele politieke consequenties.” Zie Schutte-Veenstra 2002, p. 57.
High Level Group Report on EU Company Law 2002.
Zie het bijbehorende achtergronddocument ‘Note for the informal Ecofin Council Oviedo 12 and 13 april 2002, te raadplegen op <https://ec.europa.eu/internal_market/company/docs/enron/ecofin_2004_04_enron_en.pdf>.
High Level Group Report on EU Company Law 2002, p. 29.
Ibid, p. 31-33.
Ibid, p. 33-34.
Ibid, p. 47.
Ibid, p. 59.
Ibid, p. 33-34.
Ibid, p. 45.
Voor een beschrijving van de voor dit onderzoek relevante ontwikkelingen op Europees niveau is de datum van 4 juli 2001 een goed vertrekpunt. Op deze dag werd de compromistekst die in juni 2001 in het kader van de conciliatieprocedure door Raad van Ministers en een delegatie van het Europese Parlement was vastgesteld over de Dertiende EG-Richtlijn inzake openbare overnamebiedingen bij een stemming in het Europese Parlement alsnog verworpen.1 Voor de verantwoordelijke eurocommissaris Bolkestein van het DG Interne Markt was dit een tegenslag. Gelet op de lange voorgeschiedenis van de ontwerp-richtlijn – de eerste voorstudie van de Brit Pennington ten behoeve van het project dateert van 19742 – en gelet op het belang van de materie van de ontwerp-richtlijn voor de interne markt (dat wil zeggen het creëren van een gelijk speelveld in de Europese markt voor grensoverschrijdende openbare overnamebiedingen) was de schipbreuk in het zicht van de haven een pijnlijke aangelegenheid.
De impact van het stranden van de ontwerp-Dertiende Richtlijn moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de Lissabon agenda. De Lissabon agenda (ook wel aangeduid als Lissabon strategie) behelsde een set beleidsdoelstellingen voor de EU die in maart 2000 aan het slot van een tweedaagse EU-top in Lissabon door de Raad waren vastgesteld.3 De Lissabon agenda was bedoeld als antwoord op de vrees voor stagnatie van de Europese economie ten opzichte van andere wereldeconomieën als gevolg van globalisering in het algemeen en verschuivingen in de wereldwijde economische dynamiek door nieuwe technologische ontwikkelingen in het bijzonder. Het streven van de Lissabon agenda was om het wereldwijde concurrerend vermogen van de Europese economie als “knowledge-based economy” te waarborgen en waar mogelijk te versterken. De Lissabon agenda stond voorts in het teken van “Preparing for Enlargement”: de aanstaande uitbreiding van de EU met tien nieuwe Lidstaten die uiteindelijk in 2004 zijn beslag zou krijgen.4 Voor de Europese economie als geheel zou de toetreding van de nieuwe Lidstaten niet alleen nieuwe kansen bieden, maar zeker ook de nodige lasten in de vorm van integratiekosten en economische ondersteuning. Ook vanuit deze achtergrond werd een versterking van de Europese economie wenselijk, zo niet noodzakelijk geacht.
De overkoepelende doelstelling van de Lissabon agenda voor de EU was om per 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te zijn. Vanuit deze doelstelling bevatte de Lissabon agenda concrete beleidsvoornemens op uiteenlopende terreinen. Veel van die beleidsvoornemens stonden in het teken van (een versnelling van) de vervolmaking van de interne markt op bepaalde gebieden. Een aantal van deze doelstellingen had, direct dan wel indirect, betrekking op het ondernemingsrecht. Onder de kop “Creating a friendly environment for starting up and developing innovative businesses, especially SMEs [‘Small and Medium-sized Enterprises’, ofwel MKB, FO]” was in de Lissabon agenda een aantal maatregelen geïdentificeerd die ertoe zouden moeten leiden dat er binnen de EU “a regulatory climate conducive to investment, innovation, and entrepreneurship” voor ondernemingen gewaarborgd zou worden.5 Om dit te bereiken zouden onder meer de kosten voor het beginnen van een onderneming en voor het drijven ervan omlaag gebracht moeten worden en zou bovendien onnodig bezwarende wet- en regelgeving (‘red tape’) teruggebracht moeten worden.
Een ander aandachtspunt van de Lissabon agenda betrof de versnelling van de interne kapitaalmarkten. Hierover stelde de Lissabon agenda in algemene zin: “Efficient and transparent financial markets foster growth and employment by better allocation of capital and reducing its cost. They therefore play an essential role in fuelling new ideas, supporting entrepreneurial culture and promoting access to and use of new technologies. It is essential to exploit the potential of the euro to push forward the integration of EU financial markets. Furthermore, efficient risk capital markets play a major role in innovative high-growth SMEs and the creation of new and sustainable jobs.”6 Ter uitvoering van dit beleidsvoornemen voorzag de Lissabon agenda onder meer in een versnelde uitvoering van bepaalde elementen uit het Financial Services Action Plan dat een jaar eerder door de Europese Commissie was vastgesteld.7 Deze doelstelling was in wezen verbonden met de eerder genoemde doelstelling om het vestigingsklimaat voor ondernemingen binnen de EU onder meer ‘conducive to investment’ te maken. De Europese kapitaalmarkten zouden meer efficiënt moeten worden gemaakt om tot een betere allocatie van de beschikbare financiële middelen over de investeringsmogelijkheden in ondernemingen binnen de EU te komen. De interne markt voor grensoverschrijdende openbare overnamebiedingen zou een soortgelijke allocatiefunctie voor het beschikbare kapitaal voor investeringen in Europese beursgenoteerde ondernemingen kunnen vervullen. In zoverre paste de ontwerp-Dertiende Richtlijn nadrukkelijk in de beleidsdoelstellingen uit de Lissabon agenda.8
Een reactie van de Europese Commissie op het stranden van de ontwerp- Dertiende Richtlijn in het Europees Parlement liet niet lang op zich wachten. Op 4 september 2001, precies twee maanden na de stemming in het Europese Parlement, maakte de Europese Commissie bij persbericht de instelling van de ‘High Level Group of Company Law Experts’ bekend, een groep van experts op het gebied van het ondernemingsrecht die de Europese Commissie zou gaan adviseren.9 De High Level Group bestond uit zeven personen. Voorzitter was de Nederlandse hoogleraar ondernemingsrecht Winter, op dat moment tevens bedrijfsjurist bij het Brits-Nederlandse Unilever. Andere opvallende namen waren de Duitse hoogleraar Hopt, een autoriteit op het gebied van zowel het Duitse- als ook het Europese ondernemingsrecht, en de Brit Rickford, die in de jaren ervoor als projectcoördinator vanuit het Britse ministerie van Trade and Industry deel had uitgemaakt van de Steering Group die vanuit de Britse overheid met de omvangrijke Company Law Review was belast (hierover uitgebreid §7.3).10 Van een eenduidige politieke oriëntatie lijkt bij de leden van de High Level Group geen sprake te zijn geweest, althans niet in kenbare zin.
De opdracht aan de High Level Group was tweeledig. Als eerste werd de High Level Group gevraagd om een advies over de regulering van openbare overnamebiedingen, mede aan de hand van drie deelvragen over de specifieke onderwerpen waarop de discussie over de ontwerp-Dertiende Richtlijn uiteindelijk was vastgelopen. Deze onderwerpen betroffen het waarborgen van een gelijke behandeling van aandeelhouders, het bepalen van een billijke prijs bij een verplicht bod en het al dan niet op Europees niveau voorzien in een uitkooprecht van een meerderheidsaandeelhouder na een openbaar bod.11 Na afronding van dit advies zouden de werkzaamheden van de High Level Group een tweede fase ingaan: “During a second stage, the Group is due to provide recommendations for a modern regulatory European company law framework designed to be sufficiently flexible and up-to-date to meet companies’ needs, taking into account fully the impact of information technology.”12 Het persbericht noemde ook een aantal specifieke deelterreinen waarop het onderzoek en het advies van de High Level Group zou moeten zien. Een van die deelterreinen was: “shareholders’ rights, including cross-border voting and virtual general meetings.”
Met het instellen van de High Level Group maakte de Europese Commissie (althans eurocommissaris Bolkestein) een sprong naar voren in de beleidsvorming op het gebied van het ondernemingsrecht. De High Level Group kreeg een omvangrijk en ambitieus werkprogramma mee dat qua reikwijdte (ver) uitsteeg boven de materie waarvoor vanuit het perspectief van de Europese Commissie een directe noodzaak tot advisering bestond, te weten openbare overnamebiedingen.13 Ter verklaring kan in de eerste plaats op het doel en de strekking van de Lissabon agenda worden gewezen. De strekking van het tweede onderdeel van de adviesopdracht aan de High Level Group sloot inhoudelijk aan op de algemene beleidsdoelstelling van de Lissabon agenda om “a regulatory climate conducive to investment, innovation, and entrepreneurship” voor ondernemingen te creëren. Ook de overeenkomsten in formulering, met name de verwijzingen in de adviesopdracht naar “the impact of information technology” en “virtual general meetings”, berustten hoogst waarschijnlijk niet op toeval. In de tweede plaats is de kans aanwezig dat de persoon van Bolkestein en zijn ervaringen uit de Nederlandse politiek een factor zijn geweest bij de mate van ambitie die vanuit de Europese Commissie bij dit project werd getoond. Bolkestein had als politiek leider van de VVD de moeizame discussies over de structuurregeling en beschermingsconstructies en de pogingen van het eerste Paarse kabinet – onder aanvoering van zijn partijgenoot Zalm vanuit Financiën – om daar doorheen te breken meegemaakt. Zijn ervaringen als eurocommissaris met de weerstand die te elfder ure nog op het niveau van de Lidstaten, in het bijzonder Duitsland,14 ontstond tegen de ontwerp-Dertiende Richtlijn zullen vast niet hebben geholpen om dit beeld van het ondernemingsrecht als een moeizaam veranderproces weg te nemen. Denkbaar is dat Bolkestein met de adviesopdracht aan de High Level Group bewust heeft aangestuurd op het opstarten van een breed beleidsprogramma voor ondernemingsrecht op Europees niveau om zo vanuit Europees niveau het voortouw te kunnen nemen bij het bewerkstelligen van de noodzakelijke veranderingen op het niveau van de Lidstaten. In zekere zin nam Bolkestein met de ruime opdracht aan de High Level Group een voorschot op de beoordeling in hoeverre een regelgevend optreden van de EU ten aanzien van de aan de High Level Group voorgelegde onderwerpen gelegitimeerd zou zijn vanuit het subsidiariteitsbeginsel.15 In plaats van te focussen op bepaalde specifieke onderwerpen waarvan reeds vast stond dat harmonisatie op Europees niveau noodzakelijk dan wel aangewezen was, stuurde Bolkestein, mogelijk naar het voorbeeld van de Britse Company Law Review, aan op een integrale ‘review’ op Europees niveau.
Het advies van de High Level Group over openbare overnamebiedingen werd op 10 januari 2002 gepubliceerd.16 Waar adviesrapporten over politiek controversiële onderwerpen nog wel eens enkel ertoe willen strekken om de mogelijkheden tot compromis in de gerezen controverse te verkennen was dit bij het rapport van de High Level Group niet het geval. Het voorstel van de High Level Group voor de uitgangspunten van een nieuwe Europese regeling van openbare overnamebiedingen ging op essentiële delen verder dan de ontwerp- Dertiende Richtlijn. Zo deed de High Level Group de aanbeveling om in een nieuwe conceptrichtlijn naast de reeds eerder voorgestelde ‘board neutrality rule’ (na aankondiging overnamebod geen frustrerende maatregelen van het bestuur toegestaan zonder machtiging door AVA) ook een ‘breakthrough rule’ op te nemen. Deze regel zou ertoe strekken om een bieder die met een openbaar bod meer dan 75% van de aandelen in een doelwitvennootschap had verworven de mogelijkheid te geven om enige zeggenschapsbeperking in de AVA (lees: beschermingsconstructies) terzijde te stellen. Dit voorstel van de High Level Group kwam in grote lijnen overeen met de regeling in het Nederlandse Wetsvoorstel betwiste overnames, met dien verstande dat het voorstel van de High Level Group nog een stap verder ging door anders dan het Wetsvoorstel betwiste overnames geen wachtperiode van ÉÉn jaar of de noodzaak van rechterlijke tussenkomst voor te schrijven.17 Al met al was de door de High Level Group voorgestelde kern voor een nieuw voorstel voor de Dertiende Richtlijn een aanmerkelijk zwaarder stuk geschut dan de gestrande compromistekst. In een persbericht van 10 januari 2002 liet de Europese Commissie, bij monde van Bolkestein, optekenen verheugd te zijn met het rapport van de High Level Group en dat een nieuw ontwerp voor de overnamerichtlijn nog voor de zomer werd verwacht.18
Bijzonder interessant zijn de normatieve en feitelijke uitgangspunten die kenbaar zijn uit de tekst van het rapport van de High Level Group. Zo opende het rapport met de volgende beginselverklaring ten aanzien van het verschijnsel overnames: “In the light of available economic evidence, the Group holds the view that the availability of a mechanism which facilitates takeover bids is basically beneficial. Takeovers are a means for bidders to create wealth by exploiting synergies between their existing business and the target company. Many European companies will need to grow to an optimal scale to make effective use of the integrating internal market. The same is true for companies which compete on global markets. Takeover bids are a means to achieve this for those engaged in the business of both bidder and target. Takeover bids also offer shareholders the opportunity to sell their shares to bidders who are willing to offer a price above the prevailing market price. Such a price will be offered where the bidders believe that the resources of the company can be better developed and exploited under their operation and control. Finally, actual and potential takeover bids are an important means to discipline the management of listed companies with dispersed ownership, who after all are the agents of shareholders. If management is performing poorly or unable to take advantage of wider opportunities the share price will generally under-perform in relation to the company’s potential and a rival company and its management will be able to propose an offer based on their assertion of their greater competence. Such discipline of management and reallocation of resources is in the long term in the best interests of all stakeholders, and society at large.”19
Opvallend is de haast terloopse opmerking (“after all”) dat bestuurders van beursvennootschappen “the agents of shareholders” zijn. Dat het geen terloopse opmerking betrof, maakt het volgende citaat verderop in het rapport duidelijk: “In the event of a takeover bid, the ultimate decision must be with the shareholders. They should always be able to decide whether to tender their shares to a bidder and at what price. This is an essential feature of companies listed on a stock exchange where shares can be acquired through purchases in the market and through public offers. The securities markets, and thus the capacity of European industry to finance itself, will only develop fully where this principle is generally adhered to. It is not for the board of a company to decide whether a takeover bid for the shares in the company should be successful or not. The board should not be able to frustrate or block a takeover bid and thereby deprive shareholders of the opportunity to tender in such a bid. Nor should it be free to take steps to facilitate a bid, or a preferred bid, if there is more than one, in a way which pre-empts the decision of the shareholders. (…) It is sometimes argued that allowing the board to frustrate a takeover bid can be justified as a means to help alleviate the pressure to tender that shareholders face, to increase the premium paid to them and to take into consideration the interests of other stakeholders in the company, notably the employees. The Group rejects these views. Even if board resistance to a takeover bid might in some circumstances help to achieve these goals, which is not always clear, any regime which confers discretion on a board to impede or facilitate a bid inevitably involves unacceptable cost and risk. Defensive mechanisms are often costly in themselves, apart from the fact that they deny the bidder the opportunity to create wealth by exploiting synergies after a successful bid. Most importantly, managers are faced with a significant conflict of interests if a takeover bid is made. Often their own performance and plans are brought into question and their own jobs are in jeopardy. Their interest is in saving their jobs and reputation instead of maximising the value of the company for shareholders. Their claims to represent the interests of shareholders or other stakeholders are likely to be tainted by self interest. Shareholders should be able to decide for themselves and stakeholders should be protected by specific rules (e.g. on labour law or environmental law).”20
De hierboven geciteerde passages dienden ter toelichting van ÉÉn van de door de High Level Group voorgestelde richtsnoeren voor de regulering van openbare overnamebiedingen: het “shareholder decision-making principle”. Het achterliggende uitgangspunt was dat het uiteindelijk aan de aandeelhouders zou moeten zijn om te beslissen over het succes van een overnamebieding. De normatieve strekking van de onderbouwing die de High Level Group voor dit uitgangspunt gaf was evenwel breder. Niet alleen maakte de bovenstaande toelichting duidelijk wat het bestuur volgens de High Level Group niet moest doen (ongewenste overnamebiedingen frustreren of interfereren bij concurrerende overnamebiedingen), maar ook wat het bestuur volgens de High Level Group wel zou moeten doen: “maximising the value of the company for shareholders.” Voorts diende het bestuur zich niet op te stellen als de hoeder van de belangen van andere stakeholders. Volgens de High Level Group zouden de belangen van deze stakeholders niet door of vanwege het bestuur worden beschermd, maar via specifieke wettelijke regels uit bijvoorbeeld het arbeidsrecht of het milieurecht. Voor een adviescommissie van juristen waarbij zes van de zeven leden afkomstig waren uit continentaal-Europese jurisdicties (Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië, Nederland en Denemarken) waren dit toch wel opvallende standpunten.
Alles overziende vertoont het normatieve kader dat in de bovenstaande passages besloten ligt belangrijke overeenkomsten met het aandeelhoudersgeoriënteerde model zoals geformuleerd door Hansmann en Kraakman (zie §4.1). Zoals in hoofdstuk 4 uiteen is gezet, was dit model geconstrueerd op basis van rechtseconomische inzichten en concepten zoals het gezichtspunt van de ‘agency theory’ van Jensen/Meckling, de ‘market for corporate control’ van Manne, de ‘residual claimants’-benadering van Easterbrook/Fischel en de signalerende werking van de prijsvorming op aandelenmarkten aan de hand van de Efficient Markets Hypothesis van Fama zoals nader ingevuld door Easterbrook/ Fischel. Vrijwel alle uitgangspunten van het aandeelhoudersgeoriënteerde model van Hansmann en Kraakman zijn zichtbaar in de hierboven weergegeven passages uit het rapport van de High Level Group, in het bijzonder het idee dat het bestuur van een beursvennootschap zich bij uitsluiting dient te richten op het maximaliseren van aandeelhouderswaarde, het idee dat de belangen van andere stakeholders behartigd dienen te worden via de band van wetgeving of overeenkomst en niet via inbedding in het bestel van corporate governance en het idee dat de inhoud van de belangen van aandeelhouders primair kan worden afgemeten aan de marktwaarde van de aandelen (in combinatie met de ‘market for corporate control’). Twee andere uitgangspunten van het model van Hansmann en Kraakman, te weten het idee dat de uiteindelijke zeggenschap over de onderneming bij de aandeelhouders behoort te liggen en het idee dat het sturen op aandeelhouderswaarde de best beschikbare methode is om te komen tot een verhoging van ‘social welfare’, komen indirect samen in het ‘shareholder decision-making principle’ van de High Level Group. Hoewel het rapport van de High Level Group geen verwijzingen naar geraadpleegde literatuur bevat, lijkt gelet op de hierboven genoemde gelijkenissen de conclusie gerechtvaardigd dat de normatieve uitgangspunten van het rapport op z’n minst zijn geïnspireerd door rechtseconomische uitgangspunten.
De rechtseconomische oriëntatie van de High Level Group is niet ÉÉn op ÉÉn naar bepaalde leden ervan te herleiden. In publicaties van Rickford uit die tijd zijn weliswaar verwijzingen naar rechtseconomische concepten zichtbaar – hij plaatste in een van zijn Nederlandse publicaties het werk van de Britse Steering Group ook expliciet in een rechtseconomische context21 – , maar een expliciete onderschrijving van inhoudelijke rechtseconomische argumenten ontbreekt. De verwijzingen van Rickford naar rechtseconomische perspectieven lijken vooral bedoeld als verantwoording van de door de Steering Group gehanteerde methodologie bij de Com pany Law Review.22 Rickford onderschreef hiermee de benadering van uit rechtseconomisch perspectief van vraagstukken van ondernemingsrecht ter constructie van een normatief kader, maar hij committeerde zich niet aan een bepaalde uitkomst van deze exercitie aan de hand van rechtseconomische concepten. Hetzelfde gold voor Winter. Zijn eerdere (en latere) publicaties gaven blijk van een brede oriëntatie, in het bijzonder door het benaderen van juridische vraagstukken via niet-juridische invalshoeken en gezichtspunten,23 maar niet van een a priori identificatie met bepaalde rechtseconomische concepten. De Duitse hoogleraar Hopt lijkt zich in vergelijking tot Winter en Rickford wat meer met de rechtseconomische oriëntatie op het ondernemingsrecht te hebben geïdentificeerd. Hopt zou later ÉÉn van de auteurs worden van het rechtseconomische standaardwerk The Anatomy of Corporate Law24 en hij gaf in latere publicaties ook blijk van een bijzondere affiniteit met Amerikaanse rechtseconomische theorieën zoals de ‘market for corporate control’.25 Een belangrijke kanttekening hierbij is dat Hopt dergelijke rechtseconomische beschouwingen in zijn eigen publicaties altijd heeft ingebed in – en gecombineerd heeft met – een diepgravende analyse van het positief recht. Ook bij Hopt was dus geenszins sprake van een eenzijdige rechtseconomische oriëntatie.
Op deze plaats is het belangrijk om vast te stellen dat de High Level Group een normatief vertrekpunt voor haar analyse en aanbevelingen over openbare overnamebiedingen had geformuleerd. De High Level Group nam niet tot uitgangspunt hoe het recht was, maar hoe het recht zou moeten zijn. Het door de High Level Group geschetste beoordelingskader was niet gebaseerd op de op dat moment bestaande situatie op juridisch- en feitelijk niveau binnen de Lidstaten (met de mogelijke uitzondering van het Verenigd Koninkrijk). Bepaalde van de door de High Level Group geformuleerde uitgangspunten, zoals het idee dat het bestuur niet de belangen van andere stakeholders dan aandeelhouders had te behartigen en het idee dat het bestuur in geen enkel omstandigheid een ongewenst overnamebod zou mogen frustreren, weken juist af van de bestaande juridische situatie in bijvoorbeeld Duitsland en Nederland. Uiteraard betekende de strijdigheid van de uitgangspunten van de High Level Group met positief recht op het niveau van de Lidstaten niet dat een regeling van openbare biedingen op Europees niveau conform de uitgangspunten van de High Level Group op voorhand onmogelijk was. Een dergelijk ingrijpend harmonisatieproject was voor velen in de toenmalige tijd, althans vanuit het perspectief van de EU, niet ondenkbaar. Ter illustratie kan worden gewezen op de in november 2001 aangenomen resolutie van het Europese Parlement om te komen tot een harmonisatie van het burgerlijk recht en handelsrecht van de Lidstaten.26 Hoe dan ook, de nadruk van het High Level Group rapport op normatieve uitgangspunten – en daarmee samenhangend de relatief bescheiden aandacht voor het positief recht op het niveau van de Lidstaten – wijst op een ambitie om op Europees niveau vanuit een nieuwe visie op het ondernemingsrecht tot een doorbraak van gepercipieerde belemmeringen op nationaal niveau voor de Europese overnamemarkt te komen.27
Dezelfde benadering (en dezelfde ambitie) waren zichtbaar in het tweede rapport van de High Level Group dat op 4 november 2002 verscheen.28 Dit rapport, getiteld Report of the High Level Group of Company Law Experts on a Modern Regulatory Framework for Company Law in Europe, bevatte de analyses en bevindingen van de High Level Group ten aanzien van het tweede deel van haar onderzoeksopdracht: het doen van aanbevelingen voor “a modern regulatory European company law framework designed to be sufficiently flexible and up-to-date to meet companies’ needs, taking into account fully the impact of information technology.” Sinds het uitbrengen van haar eerste advies over openbare overnamebiedingen in januari 2002 was de onderzoeksopdracht van de High Level Group tussentijds uitgebreid. Dit had alles te maken met het Amerikaanse energiebedrijf Enron dat in december 2001 in een wolk van boekhoudschandalen ineen was gestort. Hoewel de affaire zich in de Verenigde Staten afspeelde, wierpen de bij Enron geconstateerde tekortkomingen in het toezicht op het bestuur ook hun schaduw vooruit naar de lopende Europese beleidsdiscussies. In een speciaal aan Enron gewijde sessie van de Ecofin (Economic and Financial Affairs) raad in april 2002 werd opgetekend dat de Europese Commissie had besloten tot het verder uitbreiden van het mandaat van de High Level Group.29 In aanvulling op de eerdere onderzoeksopdracht werd de High Level Group gevraagd om ook advies uit te brengen over de rol van niet-uitvoerend bestuurders en commissarissen, over de bezoldiging van bestuurders en over de verantwoordelijkheid van het bestuur voor de financiële verslaggeving. In wezen kreeg het project van de High Level Group door de koppeling met de Enron-affaire een zeker politiek momentum. Het ligt althans voor de hand dat deze identificatie met Enron zal hebben bijgedragen aan het creëren van draagvlak voor de voorstellen van de High Level Group.
Net als het eerdere rapport over openbare overnamebiedingen bevatte ook het rapport van de High Level Group over de modernisering van het Europese ondernemingsrecht een aantal algemene beleidsmatige uitgangspunten. De belangrijkste hiervan was een pleidooi voor een verschuiving in de focus van de Europese wetgever: het ondernemingsrecht diende zich niet zozeer te richten op het opleggen van bepaalde minimum waarborgen voor betrokkenen, zoals voor crediteurenbescherming, maar zou eerder in het teken moeten staan van het faciliteren van efficiënt en concurrerend ondernemen.30 Deze insteek lijkt duidelijk geïnspireerd te zijn door het eerdere werk van de Britse Steering Group, wiens project in het teken stond van “modern company law for a competitive economy”. Ook wat betreft de reguleringstechnieken stelde het rapport van de High Level Group een andere aanpak voor. Zo zou omwille van de flexibiliteit van de regelgeving vaker gekozen moeten worden voor ‘softe’ instrumenten zoals het opstellen van best practices.31 Ook zou meer en beter gebruik gemaakt moeten worden van verplichtingen tot ‘disclosure’ als regelgevend instrument.32 Hiermee werd het Europees ondernemingsrecht van een ‘modern’ kader voorzien.
Voorts bevatte het nieuwe rapport van de High Level Group in navolging van hun eerdere rapport over overnamebiedingen verwijzingen naar normatieve uitgangspunten die duidelijk op rechtseconomische ideeën terug zijn te voeren. Deze rechtseconomische benadering is goed zichtbaar in de onderstaande passages:
“In a proper system of corporate governance, shareholders should have effective means to actively exercise influence over the company. (…) [S]hareholders are the residual claimholders (they only receive payment once all creditors have been satisfied) and they are entitled to reap the benefits if the company prospers and are the first to suffer if it does not. Shareholders need to be able to ensure that management pursues – and remains accountable to – their interests. Shareholders focus on wealth creation and are therefore, in the Group’s view very suited to act as ‘watchdog’ not only on their behalf, but also, in normal circumstances, on behalf of other stakeholders.”33
“Good corporate governance requires a strong and balanced board as a monitoring body for the executive management of the company. Executive managers manage the company ultimately on behalf of the shareholders. In companies with dispersed ownership, shareholders are usually unable to closely monitor management, its strategies and its performance for lack of information and resources. The role of non-executive directors in one- tier board structures and supervisory directors in two-tier board structures is to fill this gap between the uninformed shareholders as principals and the fully informed executive managers as agents by monitoring the agents more closely.”34
“Requiring disclosure of information can be a powerful regulatory tool in company law. It enhances the accountability for and the transparency of the company’s governance and its affairs. The mere fact that for example governance structures or particular actions or facts have to be disclosed, and therefore will have to be explained, creates an incentive to renounce structures outside what is considered to be best practice and to avoid actions that are in breach of fiduciary duties or regulatory requirements or could be criticised as being outside best practice. For those who participate in companies or do business with companies, information is a necessary element in order to be able to assess their position and respond to changes which are relevant to them. (…). Disclosure requirements can sometimes provide a more efficient regulatory tool than substantive regulation through more or less detailed rules. Such disclosure creates a lighter regulatory environment and allows for greater flexibility and adaptability.
Although the regulatory effect may in theory be more indirect and remote than with substantive rules, in practice enforcement of disclosure requirements as such is normally easier.”35
“[W]e take the view that disclosure has a pivotal role in company law. (…) We underlined this when we recommended in our First Report [het rapport van de High Level Group van januari 2002 met aanbevelingen voor een herziene EU Overnamerichtlijn, FO] that listed companies in all Member States be required to disclose their capital and control structures. On the basis of information about potentially defensive structures established in a company, the market would be able to react by discounts and higher costs of capital.”36
In al deze citaten zijn verschillende van de rechtseconomische ideeën en concepten zichtbaar die ook aan het werk van Hansmann en Kraakman ten grondslag liggen. Zo geeft citaat 1 een letterlijke weergave van de idee van aandeelhouders als residual claimants en bevatten citaten 1 en 2 beide elementen van de agency theory, in citaat 2 wordt de principal-agent verhouding tussen aandeelhouders en bestuurders zelfs letterlijk benoemd. In citaten 3 en 4 leunen de overwegingen impliciet op de EMH: de gedachte lijkt te zijn dat alle beschikbare informatie over een beursvennootschap door de werking van kapitaalmarkten in de beurskoers zal worden verdisconteerd. De ‘discounts’ die aan het slot van citaat 4 worden genoemd zullen immers pas ontstaan als de markt daadwerkelijk op de beschikbare informatie over beschermingsmaatregelen zou reageren en deze informatie daardoor ‘zichtbaar’ zou worden in de prijs. De overkoepelende notie van rationele actoren is door alle hierboven geciteerde grondslagen geweven: het verwachte gedrag van actoren in de verhouding aandeelhouders-bestuur en de efficiënte werking van kapitaalmarkten is immers gebaseerd op de rationaliteitspresumptie. Zonder dit verondersteld rationeel handelen van actoren zijn de hierboven beschreven generalisaties niet mogelijk.