Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.6.2
1.6.2 Afbakening van het onderzoek
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS444750:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hageman, 2015.
Gemeenten mogen onder andere de volgende belastingen heffen: een onroerendezaakbelasting (OZB), toeristenbelasting, forensenbelasting en parkeerbelastingen (paragraaf 2 en 3 van de Gemeentewet). Daarnaast zijn er verschillende heffingen (rechten, tarieven en leges) zoals een rioolrecht of de kosten voor een paspoort. Een heffing is een vergoeding voor door de gemeente gemaakte kosten voor een concrete, individueel bewezen dienst (retributie). Provincies mogen (naast de opcenten voor de motorrijtuigenbelasting onder meer een grondwaterbelasting (van de waterbedrijven) heffen paragraaf 2 van de Provinciewet). De waterschappen mogen onder andere een zuiveringsheffing (voor het zuiveren van afvalwater), een verontreinigingsheffing oppervlaktewateren (voor het direct of indirect lozen van afvalwater in open water) en een watersysteemheffing ingezetenen (voor het beheer en onderhoud van sloten, dijken, gemalen en het grondwaterpeil) invoeren (artikel 114 tot en met 122L van de Waterschapswet).
Zie artikel 219 Gemeentewet, artikel 221 Provinciewet en artikel 113 Waterschapswet. Zie ook Stevens & Lejour, 2016, p. 225.
Zie artikel 216 Gemeentewet, artikel 220a Provinciewet en artikel 111 Waterschapswet.
Van der Burg e.a., 2011, p. 4-8.
Een bijzondere wijze van heffing, die bij rijksbelastingen niet voorkomt, betreft de zogenoemde heffing op andere wijze (artikel 126 Waterschapswet, artikel 228 Provinciewet en artikel 236, lid 1, laatste volzin, Gemeentewet). Hierbij wordt het geheven en verschuldigde bedrag direct van de belastingplichtige geïnd. Voor de toepassing van de AWR en de Invorderingswet wordt deze heffingstechniek aangemerkt als een aanslagbelasting (artikel 233a, lid 2, Gemeentewet). Toch heeft het twee kenmerken (geen aangifte en direct innen) die de (rijks)aanslagbelastingen niet hebben. Wat ze echter wel gemeenschappelijk hebben, is dat de heffende instantie eerst de feiten beoordeelt (toezicht vooraf) en vervolgens de aanslag vaststelt. Dat het toezicht feitelijk opgaat in de handeling van het vaststellen van de aanslag en dat die vervolgens een kennisgeving, een kassabon of zelfs een mondelinge mededeling kan zijn, doet daar naar mening niet aan af.
Wet van 3 april 2008, houdende Aanpassingswet Algemene douanewet, Stb. 2008, 112.
Punt & Van Vliet, 2000, p. 367-368.
Het uitgangspunt binnen dit onderzoek is dat de wetgever bij iedere belastingwet verschillende opties heeft voor de toe te passen heffingsmethode.1 Dit geldt zowel voor de rijksbelastingen als de belastingen die op decentraal niveau worden geheven. Dit onderzoek richt zich primair op de keuze van de heffingsmethoden voor de rijksbelastingen. De eerste reden om dat te doen, is dat uit de bestudeerde literatuur, zowel Nederlandse als buitenlandse, naar voren komt dat vraagstukken rondom de keuze van de heffingsmethode vooral betrekking hebben op het centrale overheidsniveau. De resultaten van dit onderzoek kunnen een bijdrage leveren aan die vragen. Het tweede argument is dat de heffingsmethoden voor de rijksbelastingen voor een belangrijk deel dezelfde zijn als die voor de decentrale belastingen. Dat laatste licht ik hieronder toe.
Belastingheffing in Nederland dient steeds een grondslag te hebben in een wet in formele zin (artikel 104 Grondwet). Dit is het zogenoemde legaliteitsbeginsel. Voor de decentrale overheden is dit ook het geval. De basis voor het kunnen heffen van belastingen ligt voor de gemeenten en provincies in artikel 104 jo. artikel 132, lid 6, Grondwet. Voor de waterschappen betreft dit artikel 104 jo. artikel 133, lid 2, Grondwet. Vervolgens is in de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet vastgelegd welke belastingen de decentrale overheden mogen heffen.2 Dit betreft een gesloten heffingsstelsel waarin de nationale wetgever de heffingsruimte van de decentrale belastingheffer strikt heeft afgebakend.3 Daarnaast zijn er ook enkele ‘bijzondere’ wetten (zoals de Wet milieubeheer) waarin dit is vastgelegd. De gemeenteraad (artikel 216 Gemeentewet), provinciale staten (artikel 220 Provinciewet) en het algemeen bestuur (artikel 110 Waterschapswet) kunnen besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een belasting door het vaststellen en bekendmaken van een belastingverordening. Een dergelijke verordening moet de onderwerpen bevatten die essentieel zijn voor de totstandkoming van de materiële belastingschuld.4 Dit betekent dat voor de belastingplichtige duidelijk moet zijn hoeveel belasting hij is verschuldigd en ten aanzien van welk belastbaar feit. Het gaat om onderwerpen als: de belastingplichtige, het belastbaar feit, het heffingsobject, de heffingsmaatstaf, tarief en hetgeen verder voor de heffing en invordering van belang is.5 De wijze waarop die heffing en invordering plaatsvindt, volgt uit de gekozen heffingsmethode. Elke verordening bevat daartoe een bepaling waarin de van toepassing zijnde heffingsmethode is vastgelegd. Hierbij wordt verwezen naar de bijbehorende artikelen in de AWR (bij wege van aanslag of voldoening op aangifte).6 Dit betekent dat het formeelrechtelijke kader voor de heffing van decentrale belastingen in belangrijke mate overeenkomt met dat voor de rijksbelastingen. Via dit onderzoek gegenereerde kennis over de keuze van de heffingsmethoden zal om die reden niet alleen relevant zijn op het niveau van de rijksbelastingen maar ook op het niveau van de decentrale belastingen.
Een verdere afbakening binnen dit onderzoek is het buiten beschouwing laten van de methode voor de heffing van rechten bij invoer en uitvoer (douanerechten). De douanerechten zijn vooral een Europese aangelegenheid en hebben daarmee binnen het Nederlandse belastingrecht een status aparte. Voor de douanerechten is met de inwerkingtreding van de Algemene douanewet, de derde heffingsmethode die de AWR bevatte (heffing bij wege van uitnodiging tot betaling (hoofdstuk IVA AWR)) met ingang van 1 augustus 2008 komen te vervallen.7 Deze heffingsmethode vertoonde bovendien de nodige gelijkenis met heffing bij wege van aanslag.8