Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/2.6.3
2.6.3 Herkennen van uitgestelde werking in de praktijk
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS417434:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. art. XXII Wet van 18 december 2003 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2004), Stb. 2003, 527 inzake een aanpassing van art. 2 lid 4 Wet VPB 1969 waarvan de werking op 8 oktober 2004 is aangegeven, terwijl de wet op 1 januari 2004 in werking is getreden.
Zie bijv. art. II, art. IIIA en art. XI Wet van 15 december 2005 (Belastingplan 2006), Stb. 2005, 683.
Zie bijv. Wet van 14 december 2006 (Belastingplan 2007), art. XXVII lid 1, Stb. 2006, 682.
Dat een regel uitgestelde werking heeft, kan zowel uit de inwerkingtredingsbepaling als uit de wet zelf blijken. In de Aanwijzingen voor de regelgeving zijn hieromtrent geen voorschriften opgenomen. Indien de uitgestelde werking in de inwerkingtredingsbepaling is opgenomen, kan dat als volgt zijn vermeld:1
‘Deze wet treedt in werking met ingang van (...), met dien verstande dat artikel (...), onderdeel (...) voor het eerst toepassing vindt met ingang van (...).’
De laatste tijd wordt ook regelmatig in de wet zelf vermeld dat een regel met uitgestelde werking in werking treedt. Daarbij wordt de volgende tekst gebruikt:2
‘De wet (...) wordt met ingang van (...) als volgt gewijzigd: (...).’
Van een zeer beperkte uitgestelde werking wordt wel gebruikgemaakt indien de inflatiecorrectie moet worden toegepast voordat een op 1 januari in werking getreden regel toepassing kan vinden.3