Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/7.3.6
7.3.6 Art. 2:15 lid 3 sub b BW
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS379445:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J.M. Blanco FernÁndez, in: Sdu Commentaar Boek 2 BW art. 15, aant. C.5 (online bijgewerkt tot 9 juni 2015).
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/317; De Monchy en Timmerman, Preadvies (1991), p. 89. Anders J.M. Blanco FernÁndez, in: Sdu Commentaar Boek 2 BW art. 15 Boek 2 BW, aant. C.5, die meent dat het ontbreken van het bestuursbesluit werkt als een wettelijke beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur (een zogenoemd indirect extern werkend besluit). Dit is echter niet de heersende leer. Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3 (MvT), p. 60-62 en Kamerstukken II 1984-1985, 17 725, nr. 7(MvA), p. 16-17) blijkt dit niet. Ook GS Rechtspersonen/Huizink, art. 2:15 BW, aant. 7.5 (online bijgewerkt tot 29 november 2012) en T&C Ondernemingsrecht/Roest, art. 2:15 BW, aant. 3 (online bijgewerkt tot 25 februari 2015) noemen niet dat het besluit op dit punt werkt als een wettelijke beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid.
Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3 (MvT), p. 60-62; Kamerstukken II 1984-1985, 17 725, nr. 7 (MvA), p. 16-17.
De Monchy en Timmerman, Preadvies (1991), p. 90.
Ook Van Bekkum (2015), p. 5-6 maakt deze vergelijking met art. 2:15 lid 3 sub b BW.
Boek 2 BW kent reeds een bepaling waarin een bestuursbesluit als ontvankelijkheidsvereiste geldt voor het starten van een procedure door de rechtspersoon. Art. 2:15 lid 3 sub b BW behelst de bevoegdheid tot het instellen van een vordering tot vernietiging van een besluit van de rechtspersoon door de rechtspersoon zelf. Het instellen van deze vordering brengt de rechtspersoon in de positie van eiser en gedaagde in dezelfde procedure ter zake van dezelfde vordering.1 In deze positie bevindt de rechtspersoon zich ook bij het indienen van enquêteverzoek. Voor het instellen van een vordering op grond van art. 2:15 lid 3 sub b BW is een bestuursbesluit vereist. Het is een ontvankelijkheidsvereiste.2 De parlementaire geschiedenis bevat geen toelichting op het ‘krachtens bestuursbesluit’-vereiste van art. 2:15 lid 3 sub b BW.3 Ik vermoed dat de wetgever met dit vereiste wil zekerstellen dat de rechtspersoon die een vordering tot vernietiging van een besluit van zijn orgaan instelt, dat ook daadwerkelijk wil.
Op deze lijn zit ook Timmerman, die in zijn preadvies uit 1991 over de (dan nog) nieuwe algemene bepalingen van Boek 2 BW wel aandacht besteedt aan het vereiste. Hij is van oordeel dat zonder het vereiste ‘krachtens bestuursbesluit’:
“één volledig vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder van een meerhoofdig bestuursorgaan een procedure namens de rechtspersoon [zou] kunnen starten tot vernietiging van een besluit van de rechtspersoon. Dit lijkt niet acceptabel. Vóór het starten van een vernietigingsprocedure behoort steeds tenminste een meerderheid in het bestuurscollege zich te hebben uitgesproken (…).”4
Timmerman plaats hierbij de opmerking dat de situatie waarin de rechtspersoon een vernietigingsprocedure tegen zijn eigen besluit instelt, een andere is dan de situatie in de Sluis-beschikking waarin de rechtspersoon een verweerschrift in een enquêteprocedure indient. In § 7.3.4 betoog ik reeds hetzelfde, maar dan voor de situatie waarin de vennootschap een enquêteverzoek indient. Bij de vraag of namens de vennootschap verweer mag worden gevoerd in een door een andere enquêtegerechtigde geëntameerde enquêteprocedure is de horde van ontvankelijkheid namelijk al genomen.
Nu de positie van de rechtspersoon bij het indienen van een enquêteverzoek zodanige gelijkenis vertoont met de positie van de rechtspersoon bij het starten van een vernietigingsprocedure, zie ik niet in waarom voor het starten van een vernietigingsprocedure wel een bestuursbesluit vereist is en voor het starten van een enquêteprocedure niet. De achterliggende gedachte van het bestuursbesluit in art. 2:15 lid 3 sub b BW is dezelfde als bij het door mij bepleite vereiste van een bestuursbesluit in de enquêteprocedure: een meerderheid van het bestuur moet zich hebben uitgesproken over de vraag of de rechtspersoon een vernietigings- dan wel enquêteprocedure tegen zichzelf instelt. Tegen deze achtergrond ben ik de opvatting toegedaan dat de OK in lijn met art. 2:15 lid 3 sub b BW in beginsel een bestuursbesluit moet vereisen bij een enquêteverzoek van de rechtspersoon.5 Het feit dat de vernietigingsprocedure op grond van art. 2:15 lid 3 sub b BW een dagvaardingsprocedure is en de enquêteprocedure een verzoekschriftprocedure, doet hieraan niet af.