Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.9.1:19.9.1 Risicoaanvaarding door specifieke crediteuren
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.9.1
19.9.1 Risicoaanvaarding door specifieke crediteuren
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409119:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande neemt niet weg dat onder omstandigheden geconcludeerd moet worden dat bepaalde crediteuren de risico’s aanvaard hebben die voortvloeien uit het contracteren met een ondergekapitaliseerde vennootschap. In de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake KPNQwest komt bijvoorbeeld de gedachte naar voren dat niet zonder meer alle crediteuren van een vennootschap nadeel ondervinden van een (te) riskante financiële structuur.1 In deze zaak trachtten twee professionele crediteuren, diverse functionarissen van het failliete KPNQwest aansprakelijk te stellen op grond van “kenbare financiële gevaarzetting”. De gedaagde functionarissen zouden onrechtmatig jegens de financiers hebben gehandeld bij het aangaan van een kredietovereenkomst en bij het aanspreken van de verkregen kredietfaciliteit. De rechtbank oordeelde dat in de onderhavige casus geen aanleiding bestond voor aansprakelijkheid vanwege het creëren van een risicovolle situatie, onder andere omdat de financiers professionele kredietverstrekkers waren die een rationele inschatting van de aan de kredietverlening verbonden risico’s hadden gemaakt.
De rechtbank overwoog: “Voor de door Cargill en Citibank in dat kader bepleite toepassing van het ‘Broodbezorgers-criterium’, ontleend aan HR 22 november 1974, in die zin dat gedaagden reeds aansprakelijk zouden zijn door een concreet bestaande gevaarssituatie (te weten de reële kans dat KPNQwest niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden) niet op te heffen of de Original Lenders daarvoor te waarschuwen, ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen aanleiding. Anders dan in het in dat arrest beoordeelde geval is in het onderhavige geval geen sprake van een willekeurige passant die niet bedacht is (en ook niet bedacht hoeft te zijn) op een dreigend gevaar, maar van een professionele contractspartij die bij het aangaan van de Facilities Agreement een zakelijke belangenafweging en daarbij behorende risico inschatting heeft gemaakt.”2 (Onderstr. JB)