Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.9.2
19.9.2 Risicoaanvaarding en de Peeters/Gatzen-vordering
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402408:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 25 januari 2012, JOR 2012/167 (Watt).
Rb. Rotterdam 25 januari 2012, JOR 2012/167 (Watt), r.o. 4.7.
Zie overweging 6 van zijn noot bij JOR 2012/167.
HR 23 december 1994, NJ 1996, 628 (Notaris M./Curatoren THB).
Overigens is denkbaar dat deze lastige vraag ook rijst in het kader van een Peeters/Gatzen-vordering die word ingesteld tegen een aandeelhouder vanwege een onrechtmatige vermogensonttrekking die het faillissement van de vennootschap heeft veroorzaakt. Crediteuren die na de vermogensonttrekking krediet hebben verstrekt aan de vennootschap en daarbij volledig op de hoogte waren van de (penibele) vermogenspositie van de vennootschap, kunnen onder omstandigheden worden tegengeworpen de risico’s te hebben aanvaard.
Dit probleem doet zich overigens ook voor bij aansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW. Van Schilfgaarde heeft daarom betoogd dat de wet zou moeten worden aangepast om te bewerkstelligen dat crediteuren die eigen schuld hebben aan hun schade niet (volledig) meedelen in de opbrengst van de boedel (Van Schilfgaarde 1995). Het is in dit kader interessant om te wijzen op een vrijwaringszaak in de Ceteco-procedure (Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/66). Daarin trachtten – kort gezegd – de bestuurders en commissarissen van het failliete Ceteco NV, die door de curator (met succes) werden aangesproken voor het boedeltekort, een aantal professionele crediteuren (banken) in het faillissement van Ceteco in vrijwaring op te roepen. De banken zouden op de hoogte zijn geweest van de door Ceteco genomen risico’s en deze in hun tarieven hebben verdisconteerd. Gelet op art. 6:101 BW zouden de banken daarom de gevolgen van de door hen gemaakte keuzes niet mogen afwentelen op de bestuurders en commissarissen. De bestuurders en commissarissen stelden dat ten gevolge van het feit dat in de hoofdzaak de vordering door de curatoren namens de gezamenlijke schuldeisers was ingesteld, hen de mogelijkheid was ontnomen om de eigen schuld van de banken als verweer tegen de hoogte van de vordering aan te voeren. Hierdoor zouden de banken onrechtvaardig worden verrijkt. De rechtbank Utrecht wees de vordering af (op gronden die hier niet van belang zijn).
Procedeert een curator ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren jegens de aandeelhouder van een ondergekapitaliseerde vennootschap, dan ontstaan complicaties als wordt vastgesteld dat bepaalde crediteuren geacht moeten worden de aan de financiële structuur inherente risico’s te hebben aanvaard. De eerste vraag die zich in dat geval aandient, is of de curator ontvankelijk is in zijn vordering jegens de aandeelhouder ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren. In de Watt-zaak beantwoordde de Rechtbank Rotterdam deze vraag ontkennend.1 Daarin sprak de curator van een gefailleerde stichting met een Peeters/Gatzen-vordering de gemeente aan, nu de gemeente verantwoordelijk zou zijn voor een gevaarzettende financiële structuur. Daarbij beriep de curator zich uitdrukkelijk op het Comsysarrest. De rechtbank oordeelde dat de curator niet ontvankelijk was, nu hij niet opkwam voor de gezamenlijke crediteuren. Volgens de rechtbank konden het “collectieve belang” en “de vereiste homogeniteit” van de schuldeisers niet in voldoende mate worden vastgesteld, nu de twee belangrijkste crediteuren in het faillissement van de stichting op de hoogte waren geweest van de risico’s die inherent waren aan de financiële constructie.
De rechtbank overwoog: “[In het faillissement] komen onder meer (aanzienlijke) vorderingen voor van Batenburg en Grolsch. Voor Batenburg en Grolsch geldt dat zij partij waren bij het onderhandelaarsakkoord, met de totstandkoming waarvan zij zich […] intensief hebben bemoeid. Ook waren zij, als beoogde contractspartij, betrokken bij de onderhandelingen over het tweede onderhandelaarsakkoord. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat zij op de hoogte waren van de situatie als geheel, meer concreet: van de risico’s die (wellicht) aan de voor Watt gekozen constructie kleefden. Waar zij niettemin met die constructie akkoord zijn gegaan, valt niet in te zien dat de gemeente (juist) jegens hen onrechtmatig zou hebben gehandeld met de keuze voor deze constructie.”2
Aan het oordeel van de rechtbank ligt de (op zichzelf juiste) gedachte ten grondslag dat de belangrijkste crediteuren in het faillissement van de stichting, vanwege hun nauwe betrokkenheid bij de totstandkoming van de financiële structuur, de daaraan inherente risico’s hadden aanvaard en daarom aan de gemeente geen verwijt konden maken van de verwezenlijking van deze risico’s. Niettemin heeft Spinath in zijn noot bij de uitspraak terecht vraagtekens geplaatst bij het oordeel van de rechtbank dat de financiële constructie, voor zover zij onrechtmatig zou zijn, daarom geen onrechtmatige daad zou behelzen jegens de gezamenlijkheid van crediteuren, zodat de curator niet ontvankelijk was.3 Dat een aantal crediteuren bekend is met de financiële structuur, hoeft niets af te doen aan het gegeven dat een aandeelhouder door een dergelijke structuur in het leven te roepen onrechtmatig handelt jegens de – als eenheid gedachte – gezamenlijke crediteuren. Vergelijk ook het THB-arrest, waarin de Hoge Raad oordeelde dat degene die door een curator met een Peeters/Gatzen-vordering wordt aangesproken geen gebruik kan maken van verweren die hem wellicht tegenover bepaalde individuele schuldeisers ten dienste zouden hebben gestaan; volgens de Hoge Raad wettigt het collectieve belang dat betrokken is bij de bevoegdheid van de curator om op te treden tegen bij benadeling van de gezamenlijke crediteuren betrokken derden, dat in dezen aan het belang van de aangesproken derde voorbij wordt gegaan.4
Aanvaardt men de gedachte dat verwijtbare onderkapitalisatie leidt tot een onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke crediteuren ‘in abstracto’, dan rijst de lastige vraag hoe het recht moet omgaan met de situatie waarin specifieke crediteuren de aan de financiële structuur inherente risico’s hebben aanvaard.5
Op welke wijze dient de ‘eigen schuld’ van deze crediteuren te worden verdisconteerd in de afwikkeling van de schade? Het huidige Nederlandse juridische systeem biedt op dit punt helaas geen panklare oplossing, terwijl het mijns inziens onredelijk zou zijn als crediteuren die de aandeelhouder nimmer zelfstandig hadden kunnen aanspreken, dankzij de tussenkomst van de curator het door hen aanvaarde risico kunnen afwentelen op de aandeelhouder, doordat zij participeren in de opbrengst van de Peeters/Gatzen-vordering. Het betreft hier overigens een probleem dat inherent is aan het systeem van de Peeters/Gatzen-vordering in het algemeen, en dus niet een probleem dat uitsluitend opgeld doet bij de aansprakelijkheid van aandeelhouders vanwege onderkapitalisatie.6