Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.2.3.5
3.2.3.5 Bestemming
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622176:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tijdens de beraadslagingen in de Eerste Kamer heeft de heer Franken aangevoerd dat overdracht van 'informatie' niet mogelijk is. Informatie is volgens hem een subjectief begrip. Het gaat hier om het transport van data of gegevens, signalen, berichten: de bouwstenen van informatie. Informatie vormt de verzameling van gegevens waaraan een betekenis kan worden gehecht.
In de Tw is voorzien in een regeling (artikel 5.2) voor het gedogen van nog niet in gebruik genomen kabels van een openbaar elektronische telecommunicatienetwerk. Wanneer de aangelegde kabels echter gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar niet worden gebruikt, is de aanlegger verplicht op verzoek van degene op wie de gedoogplicht rustte, de kabels op te ruimen.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 15.
Hypothetisch in de zin dat de bestemming van een net al snel onder het begrip 'transport' zal vallen. Het ligt min of meer in de aard van een ondergronds kabel- of buizenstelsel dat er enige mate van transport plaatsvindt van de ene plek naar de andere; zeker wanneer het net een bepaalde lengte heeft. Wellicht dat dit anders kan zijn bij een ondergrondse installatie dat bestaat uit diverse ondergrondse tanks die onderling verbonden zijn met (buis)leidingen, die ervoor zorgen dat (bijvoorbeeld) de vloeistof van de ene naar de andere tank wordt overgeheveld. Een ander voorbeeld kan een koude-warmte-opslag zijn. Een gedeelte van die installatie bestaat uit distributienetten van warmte resp. koude; het overige deel zal uit ruimte voor opslag bestaan. Mij lijkt het dat bij een dergelijke installatie er tenminste twee soorten bestemmingen te onderscheiden zijn; enerzijds het opslaan of bewaren van een bepaalde vloeistof en anderzijds het transporteren van de vloeistof van de ene naar de andere tank.
Kamerstukken 11 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 18.
Uit het tweede lid van artikel 5:20 BW volgt dat het net in ieder geval 'bestemd' moet zijn voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen van energie of van informatie.1 Indien het net niet als zodanig wordt gebruikt, maar wel bestemd is voor transport dan is het bepaalde van het tweede lid van toepassing. Dit betekent dat aanleggers van nog niet in gebruik zijnde netwerken2de eigendom ervan verwerven. De leden van het CDA vroegen tijdens de behandeling wie of wat de bestemming van een net bepaalt. In beginsel wordt de bestemming van een net bepaald door (i) de aard van het werk zelf. Indien de aard meebrengt dat het op verschillende wijze kan worden gebruikt, dan kan aangesloten worden bij (ii) het feitelijk gebruik van het net. Wordt het net niet gebruikt en laat de aard van het net divers gebruik toe, dan moet gekeken worden naar (iii) het doel waarvoor het net is aangelegd.3 Uit de aanlegvergunning zal de bestemming van het net kunnen volgen, maar eventueel ook uit de akte die in de openbare registers wordt ingeschreven indien de aanlegger overgaat tot inschrijving van de aanleg van het net. Uit de toelichting volgt verder dat de bevoegde aanlegger ook na bestemmingswijziging van een net of bij buiten gebruikstelling van een net, dat voorheen bestemd was voor transport, de eigendom van het net behoudt. Uitgangspunt is wat de bestemming was op het moment van de aanleg. Wellicht een hypothetisch geval,4 maar welke regel zal gelden ten aanzien van de eigendom indien een net, of een substantieel deel ervan niet voor transport, maar voor een ander doel, bijvoorbeeld opslagdoeleinden, wordt aangelegd? Gelet op deze andere bestemming (dus: opslag in plaats van transport) zal het tweede lid van artikel 5:20 BW niet van toepassing zijn. Is in die gevallen dan de hoofdregel van het eerste lid (verticale natrekking) van toepassing en dus de eigenaar van de grond eigenaar van het net c.q. de ondergrondse opslag? Volgens de minister is dit laatste niet het geval en zal nog zeer wel overeenkomstig de huidige rechtspraak horizontale natrekking kunnen plaatsvinden op grond van artikel 5:20, eerste lid onder e, slot.5 Met andere woorden: in het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt op de hoofdregel van het eerste lid van artikel 5:20 BW; indien echter de uitzondering van het tweede lid niet van toepassing is dan geldt, volgens de minister, niet in eerste instantie de hoofdregel van het eerste lid, maar prevaleert de horizontale natrekking die als uitzondering heeft te gelden op de in het eerste lid verwoorde verticale natrekking. Is dit niet een redelijk omslachtige manier om te zeggen dat de eigendom van ieder net in de grond van een ander — ongeacht de bestemming van dat net — toebehoort aan de bevoegde aanlegger ervan? Het is immers helemaal niet de bedoeling, althans dit lijkt te volgen uit het antwoord van de minister, dat de grondeigenaar op grond van verticale natrekking aanspraak kan maken op (een deel van) een net dat in zijn grond is gelegen en waarvan hij niet de bevoegde aanlegger is. De verwachting is dan ook niet dat het criterium 'bestemming' problemen zal opleveren in geval een bevoegde aanlegger de eigendom claimt van een net. Is het niet op basis van het tweede lid van artikel 5:20 BW, dan kan de eigendom geclaimd worden op grond van de horizontale natrekking indien de bestemming van het net anders is dan de bestemming `transport'.