Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.2.1.1:5.3.2.1.1 Redenen voor het ontstaan van de vervolging van overheidswege
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.2.1.1
5.3.2.1.1 Redenen voor het ontstaan van de vervolging van overheidswege
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946105:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Corstens beschrijft dat pas daadwerkelijk iets van strafrechtelijke sanctionering kon ontstaan op het moment dat een reactie vanuit de gemeenschap was gewenst tegen misdaden die juist die gemeenschap troffen (zoals verraad en desertie). Het gaat dan immers niet enkel meer om het voorzien in genoegdoening vanwege leed dat een concreet slachtoffer is aangedaan. 1De rechtspraak met betrekking tot dit soort misdaden tegen de gemeenschap komt tijdens de heerschappij van Karel de Grote in handen van daartoe aangewezen schepenen en speciale gerechten. Het uitgangspunt is nog wel dat wordt vervolgd naar aanleiding van een klacht van een getroffene, maar de ambtshalve vervolging wordt ook in die tijd voor bepaalde feiten al geaccepteerd. In het feodale tijdperk groeit de macht van de landsheer. Zijn gezag was bij gratie Gods verleend en was dus niet gestoeld op een opdracht van volksgenoten die wilden dat hun belangen gemeenschappelijk werden behartigd. Met de toename van meer centraal gezag brokkelde de gemeenschappelijke zorg voor het handhaven van de openbare orde af. Misdaden tegen de gemeenschap zag men veelal als een probleem van (de vertegenwoordiger van) de landsheer. In diezelfde periode groeide ook in de steden het openbare gezag en ook daar was sprake van een toename van ambtshalve vervolgingen.
Er zijn verschillende oorzaken die bijdragen aan de groei van het fenomeen van de vervolging van overheidswege. Ten eerste speelt een rol dat vervolgingen een aanzienlijke inkomstenbron voor het gezag vormden. Daarnaast was het in sommige streken mogelijk dat particulieren die een klacht aangaande een misdrijf indienden zelf werden veroordeeld tot een boete, straf of schadeloosstelling indien de klacht geen doel trof. Dit risico werkte ontmoedigend voor particulieren die een misdrijf aan de kaak wilden stellen, hetgeen bijdroeg aan de noodzaak om van overheidswege op te treden.
Volgens Corstens is deze achtergrond verklarend voor de vervolging van overheidswege van delicten tegen de openbare orde, maar maakt dit niet direct duidelijk waarom de overheid óók de vervolging naar zich toetrok van feiten waardoor hoofdzakelijk een particulier werd getroffen. Die stap was echter gemakkelijk gezet. De magistraten hielden zich immers al bezig met het vervolgen van misdaden en zij konden op deze wijze hun invloed vergroten. Daarbij speelde mee dat ook de vervolging van deze feiten een bron van inkomsten opleverde. Belangrijk was tevens dat het groeiende gezag met zich bracht dat de personen die aan dat gezag onderworpen waren omgekeerd bescherming aan dat gezag meenden te kunnen ontlenen. Het onderworpen zijn aan het gezag leidde tot het gevoelen dat de bescherming van rechtsgenoten door het gezag was aangewezen. Dit bracht met zich dat een inbreuk op een particulier belang tevens werd ervaren als een aantasting van het gemeenschapsbelang. Daarmee volstond niet langer schadeloosstelling van de direct getroffene, maar moest het handelen ook in het algemeen belang worden gesanctioneerd. Zodoende kwam de bescherming van de gemeenschap centraal te staan en onderscheidde de strafrechtelijke rechtshandhaving, primair geënt op publieke belangen, zich van de privaatrechtelijke schadeloosstelling. Corstens concludeert dat de publiekrechtelijke vervolging en sanctionering zich dus eerst een plaats verwierven naast de privaatrechtelijke actie om deze uiteindelijk volledig te overvleugelen. In de zeventiende en achttiende eeuw was het uitgangspunt inmiddels dat strafrechtelijke vervolging van de overheid uitging.2
Uit deze achtergronden volgt dat pragmatische argumenten – vervolgen ten behoeve van een toename van invloed en vermogen – een belangrijke rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de publiekrechtelijke strafprocesvoering. De centralisatie en toename van macht en gezag bracht echter ook mee dat personen die aan die macht waren onderworpen daaraan bescherming gingen ontlenen voor zichzelf en voor rechtsgenoten. De toename van macht gaat dus gepaard met een toenemende verantwoordelijkheid voor (orde in) de gemeenschap. Daarmee werd de sanctionering van overheidswege geplaatst in de sleutel van het algemeen belang. Ook Geelhoed ziet samenhang tussen de ontwikkeling in de richting van het alleenrecht om te vervolgen en de herkenning van een algemeen belang bij strafvervolging. Het erkennen van een dergelijk algemeen belang bij rechtshandhaving gaat volgens Geelhoed hand in hand met het monopoliseren van de mogelijkheid om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. 3