Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.3
14.3 De relatie van het ‘zelfstandig onderdeel’ met godsdienst
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458845:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Rb. Amsterdam 28 augustus, ECLI:NL:RBAMS:2013:5429; JOR 2013/305, m.nt. T. van Kooten; Gerechtshof Amsterdam 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3572 (Bisdom Haarlem v Stichting Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis c.s.).
Blanco Fernandez in Asser/Rensen 2-III*, Overige rechtspersonen (2017), nr. 380.
HR 30 oktober 1987, NJ 1988/392 (Stichting St. Laurens Ziekenhuis). In dit arrest maakte het R-K Kerkgenootschap op grond van zijn statuut kenbaar een ziekenhuis niet als een zelfstandig onderdeel te beschouwen. De Hoge Raad bekrachtigde in zijn arrest het oordeel van het gerechtshof dat overwoog: ‘Niet is immers gebleken dat de stichting als een – m zelfstandig – onderdeel van dat kerkgenootschap is opgericht of bij haar oprichting als zodanig is erkend op de wijze als voorzien in art. VII Reglement voor het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland.’
Rb. Utrecht 12 maart 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BC6352, JRV 2008, 507.
Oldenhuis, WPNR 5486 (1979), p. 455.
Huizink 2014.
Ontwerp voor een nieuw burgerlijk wetboek, tekst, eerste gedeelte, boek 1-4, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij en Uitgeversbedrijf, 1954, p. 81.
Oldenhuis, WPNR 5865 (1988) p. 156.
Meijers, NTKR 2010-4, p. 60. Het betreft hier Asser/Maeijer 1997 (2-II), p. 261.
Meijers, NTKR 2010-4, p. 69.
Blanco Fernandez in Asser/Rensen 2-III*, Overige rechtspersonen (2017), nr. 380. Ook Huizink en Pel vinden dat de religiositeitseis niet geldt voor zelfstandige onderdelen. Zie: Huizink 2014; Pel 2013, p. 129.
De uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage is kenbaar uit HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173.
Zie bijvoorbeeld Rb. Maastricht 19 september 1991, NJ 1992, 490; Rb. Amsterdam 28 augustus, ECLI:NL:RBAMS:2013:5429; JOR 2013/305, m.nt. T. van Kooten; Gerechtshof Amsterdam 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3572 (Bisdom Haarlem v Stichting Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis c.s.).
CGB 13 augustus 2002, oordeel 2002-111, r.o. 5.4.
Meijers, NTKR 2010-4, p. 52.
In artikel 2:2 BW wordt niet alleen aan kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid en inrichtingsvrijheid toegekend maar ook aan de ‘zelfstandige onderdelen’ daarvan. Aan de kwalificatie als zelfstandig onderdeel zijn enkele algemene regels verbonden. Ten eerste dat uit het statuut van het kerkgenootschap moet blijken dat de instelling een zelfstandig onderdeel is.1 Daarover moet worden opgemerkt dat een kerkgenootschap niet door middel van zijn statuut eenzijdig een andere organisatie die zichzelf als kerkgenootschap beschouwt als zelfstandig onderdeel kan aanmerken.2 Ten tweede dat een instelling niet tegen de wil van een kerkgenootschap zichzelf tot zelfstandig onderdeel kan verklaren.3 Een instelling kan niet eenzijdig bepalen dat zij zelfstandig onderdeel is. Ten derde dat een zelfstandig onderdeel de zelfstandigheid mist om zich op eigen initiatief los te maken van het kerkgenootschap. Zo oordeelde de Rechtbank Utrecht in verband met de eenwording van de NH-Kerk in de PKN dat een plaatselijke gemeente, als zelfstandig onderdeel van de PKN, niet de vrijheid heeft om te besluiten niet toe te treden tot de PKN.4
Behalve de bovenstaande regels wordt ook wel als regel gezien dat een zelfstandig onderdeel een religieus karakter moet hebben. In het vervolg van deze paragraaf staat de relatie van het zelfstandig onderdeel met godsdienst centraal. Begin jaren tachtig bepleitte Oldenhuis dat alleen instellingen als zelfstandige onderdelen kunnen worden aangemerkt die daadwerkelijk godsdienst uitoefenen, dat wil zeggen instellingen die rechtstreeks op de eredienst en geloof betrekking hebben, dan wel onmiddellijk bij de uitoefening betrokken zijn. Instellingen met een bedrijfsmatig karakter, zoals een bierbrouwerij, en instellingen op het gebied van maatschappelijk zorg, zoals een bejaardenhuis, een school of een museum kunnen volgens Oldenhuis niet hieronder vallen.5 De rechtsvorm ‘zelfstandig onderdeel’ zou gereserveerd moeten blijven voor bisdommen, dekenaten, parochies, seminaries, in Nederland gevestigde kloosterordes, opleidingscentra voor zending of missie, enz.6 Deze uitleg vindt steun in de toelichting van E.M. Meijers op het NBW:
‘(…) Slechts dan kan van een zelfstandig onderdeel, dat zonder meer evenals het kerkgenootschap eigen rechtspersoonlijkheid bezit, worden gesproken wanneer dit onderdeel een religieus karakter heeft; het moet een onderdeel van het kerkgenootschap zijn, niet een met het kerkgenootschap samenhangende vereniging of stichting, als een op bepaalde religieuze grondslag staande toneelvereniging of een stichting van jeugdzorg.’7
In een in 1988 verschenen artikel nuanceert Oldenhuis echter zijn eerder ingenomen standpunt. Charitatieve instellingen kunnen volgens Oldenhuis bij nader inzien toch wel door een kerkgenootschap overeenkomstig hun godsdienstige grondslag worden aangewezen als zelfstandige onderdelen. Wat betreft bedrijfsmatige of commerciële instellingen blijft Oldenhuis bij zijn opvatting dat deze niet kunnen worden aangemerkt als zelfstandige onderdelen.8 Verwijzend naar dit artikel van Oldenhuis wordt dit standpunt in de achtste druk van het Asser-commentaar van 1997 overgenomen.9 A.P.H. Meijers stelt echter voorop dat noch het BW noch enig andere wet een criterium formuleert met het oog op het religieus of kerkelijk karakter van de zelfstandige onderdelen en betoogt vervolgens op grond van de inrichtingsvrijheid en de scheiding van kerk en staat dat de rechter en de rechtsleer zich niet dienen uit te spreken over het religieuze karakter van de zelfstandige onderdelen. Volgens A.P.H. Meijers moet de rechterlijke toetsing zich beperken tot de toetsing van het rechtspersoonlijk karakter van de zelfstandige onderdelen en de statutaire band met het kerkgenootschap.10 In navolging van A.P.H. Meijers, acht Blanco Fernandez, in het Asser-commentaar van 2012, het niet noodzakelijk dat een instelling een religieus karakter heeft om als zelfstandig onderdeel te kunnen gelden. Hij stelt dat de religiositeiteis niet geldt voor het zelfstandig onderdeel maar voor het kerkgenootschap. Volgens Blanco Fernandez spreekt E.M. Meijers in zijn toelichting weliswaar over het religieuze karakter van het zelfstandige onderdeel, maar zou E.M. Meijers hiermee vooral bedoelen dat het zelfstandige onderdeel deel uit moet maken van het kerkgenootschap. Het onderdeel ontleent zijn bestaansreden aan zijn participatie aan het kerkgenootschap. Bepalend is volgens Blanco Fernandez niet of het zelfstandig onderdeel een religieus karakter heeft, maar of het kerkgenootschap waarvan het zelfstandig onderdeel uitmaakt dat karakter heeft.11
Ook in de rechtspraak is de vraag naar het religieuze karakter van zelfstandige onderdelen meermaals aan bod geweest. Bijvoorbeeld in het Sint Walburga-arrest. Daarin kwam de kwestie aan de orde of het Sint Walburga-Klooster als zelfstandig onderdeel van de Kerk van Satan moest worden beschouwd. Bij de beantwoording van deze vraag verwierp het hof de opvatting van de President van de Rechtbank Den Haag
‘(…) dat als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap alleen die lichamen in aanmerking komen, waarin activiteiten met een uitsluitend, althans nagenoeg uitsluitend religieus karakter plaatsvinden’.
Het Hof Den Haag stelt daarentegen dat:
‘(…) het van algemene bekendheid is dat tal van rooms-katholieke kloosterorden op commerciële wijze het boerenbedrijf en andere economische activiteiten uitoefenen en dat dit ook in de protestantse wereld voorkomt’.
Daarnaast wijst het hof erop dat de kerk vanouds instellingen zoals scholen, bejaardentehuizen, ziekenhuizen etc. als zelfstandig onderdeel aanmerkt en dat de rechtsgeldigheid hiervan nooit is aangevochten.12
In andere meer recentere uitspraken vinden we eenzelfde soort benadering en wordt de religieuze aard van een organisatie niet als eis gesteld voor de kwalificatie als zelfstandig onderdeel.13 Een enkele keer blijkt het niet-religieuze karakter van een instelling echter toch reden om een instelling niet als zelfstandig onderdeel te kwalificeren. Zo oordeelde de CGB in 2002 dat een door het R-K kerkgenootschap als zelfstandig onderdeel aangemerkt pensioenfonds, vanwege zijn niet-religieuze karakter, niet als zelfstandig onderdeel kon gelden. Het ging in deze zaak om een pensioenfonds dat in zijn pensioenreglement verzekerden uitsloot van bepaalde pensioenrechten indien er sprake was van een samenlevingsvorm die indruiste tegen de kerkelijke normen. Het betrof in concreto een geregistreerd partnerschap van een pastoraal werker terwijl de R-K kerk enkel het kerkelijk huwelijk erkende. Het pensioenfonds stelde gerechtigd te zijn de toekenning van pensioenrechten in te trekken indien bleek dat pensioengerechtigden in de visie van de kerk in zonde leven. Het beriep zich daarbij op artikel 3, aanhef en onderdeel a, AWGB waarin staat dat de AWGB niet van toepassing is op de rechtsverhoudingen binnen een kerkgenootschap. Volgens de kerk zou het afdwingen van rechtsgevolgen bij samenwoonconstructies van priesters, diakens en pastoraal werkers die in strijd zijn met de leer en de voorschriften van de kerk, de vrijheid van godsdienst in haar kern treffen. De CGB stelde echter dat artikel 3 AWGB niet van toepassing was omdat het in deze zaak niet ging om een rechtsverhouding binnen een kerkgenootschap. Op grond van dit uitgangspunt kwam het tot het oordeel dat er sprake is van verboden onderscheid op grond van de burgerlijke staat (tussen gehuwden en geregistreerden). De CGB komt tot haar oordeel op grond van de constatering dat het doel van het pensioenfonds ‘het voor de deelnemers alsmede hun rechtverkrijgenden verzekeren van in de reglementen omschreven pensioenuitkeringen’ niet een religieus karakter draagt. Daarnaast kan volgens de CGB ook uit de activiteiten van het pensioenfonds geen religieus karakter worden afgeleid.14 De wijze waarop de CGB het kerkrecht buiten toepassing laat is opmerkelijk. Zij doet dit namelijk enkel en alleen op basis van de doelstellingen en activiteiten van het pensioenfonds en laat daarbij de statuten van het pensioenfonds buiten beschouwing, terwijl deze statuten het pensioenfonds expliciet noemen als zelfstandig onderdeel van het R-K kerkgenootschap.15
Op basis van het bovenstaande kunnen we concluderen dat er zich in de literatuur een verandering heeft voltrokken ten aanzien van de vraag of de religiositeitseis ook geldt voor zelfstandige onderdelen van kerkgenootschapen. Tegenwoordige zijn de meeste auteurs van mening dat de religiositeitseis niet geldt voor zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen. Dit standpunt vinden we ook terug in de jurisprudentie. Uit de jurisprudentie blijkt echter ook dat in een enkel geval het ontbreken van een duidelijk religieus karakter aangegrepen wordt om een organisatie niet als zelfstandig onderdeel te kwalificeren.