Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.5:8.5 De uitoefening van het algemene opschortingsrecht
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.5
8.5 De uitoefening van het algemene opschortingsrecht
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950272:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan, is de schuldenaar opschortingsbevoegd en heeft hij een opschortingsrecht op grond van artikel 6:52 lid 1 BW. Met het hebben van dit opschortingsrecht treden de rechtsgevolgen daarvan nog niet in. Daarvoor is nodig dat de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid uitoefent. Daarbij rijst de vraag hoe de schuldenaar deze bevoegdheid uitoefent. In de volgende paragraaf ga ik in op de vraag wanneer hij deze bevoegdheid niet mag uitoefenen.
De uitoefening van een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW is een eenzijdige gerichte rechtshandeling, waarop artikel 3:33 en 3:37 lid 3 BW van toepassing zijn. Daarom zal de schuldenaar steeds aan zijn wederpartij moeten meedelen dat hij zijn opeisbare verbintenis niet nakomt in verband met zijn vordering op zijn wederpartij. Deze mededeling moet zijn wederpartij hebben bereikt. Een uitdrukkelijke opschortingsverklaring is niet vereist als de wederpartij begrijpt of kon begrijpen waarom de nakoming van haar schuldenaar uitblijft. Of dat zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen en wat de schuldenaar toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen. Als de wederpartij bekend is met de niet-nakoming van haar verbintenis, waarvan zij geacht wordt te weten dat die tot een opschortingsbevoegdheid van haar schuldenaar kan leiden, kan het al voldoende zijn dat die schuldenaar in dat geval zijn opeisbare verbintenis niet nakomt. In de bij de wederpartij bekende gedraging van het niet-nakomen van de verbintenis door de schuldenaar ligt dan de opschortingsverklaring besloten. De wederpartij behoort dan te begrijpen dat haar schuldenaar de nakoming van haar verbintenis heeft opgeschort. De schuldenaar kan wel gehouden zijn de wederpartij meer expliciet mede te delen dat hij de nakoming van zijn verbintenis opschort, als hij bijvoorbeeld weet dat zijn wederpartij niet bekend is met zijn vordering. Tevens is de schuldenaar zo nodig gehouden de door hem gepretendeerde vordering op zijn wederpartij toe te lichten, omdat het opschortingsrecht zijn grondslag vindt in die vordering en hij daarvan de stelplicht heeft en de bewijslast draagt. Daarmee stelt hij zijn wederpartij ook in staat de gegrondheid van zijn vordering te onderzoeken.1
Over het algemeen wordt ook wel door anderen aangenomen dat een schuldenaar een plicht tot mededeling van de uitoefening van zijn opschortingsrecht kan hebben, zij het dat de uitoefening van een in beginsel gerechtvaardigde opschorting in die opvatting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn als de wederpartij niet bekend is met de opschorting en de grond waarop die opschorting plaatsvindt.2 De schuldenaar kan daarom gehouden zijn mede te delen dat en waarom hij de nakoming van zijn verbintenis uitstelt. Deze mededelingsplicht wordt wel gegrond op de aanvullende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.3 Deze opvatting gaat er mijns inziens ten onrechte aan voorbij dat de uitoefening van het algemene opschortingsrecht een rechtshandeling is, waarvoor vereist is dat een op een rechtsgevolg gerichte wil zich door een verklaring heeft geopenbaard en deze verklaring de wederpartij heeft bereikt. Op grond daarvan is de schuldenaar steeds verplicht zijn wederpartij mede te delen dat hij de nakoming van zijn verbintenis uitstelt. Hoewel de grondslag van deze mededelingsplicht een andere is, is de slotsom voor die gevallen waarin ook op basis van de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een mededelingsplicht wordt aangenomen, niet of nauwelijks verschillend: de rechtsgevolgen van het algemene opschortingsrecht treden niet in. Het grondslagverschil kan wel van invloed zijn op de verdeling van stelplicht en bewijslast.4