25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/7.4:7.4 Een door partijen begrensd geding
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/7.4
7.4 Een door partijen begrensd geding
Documentgegevens:
prof. mr. B. Schueler, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. B. Schueler
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
K.A.W.M. de Jong, Snel, eenvoudig en onkostbaar. Over continuïteit en verandering in de aard en de inrichting van het bestuursprocesrecht in de periode 1815 tot 2015, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2015 (hoofdstuk 7).
B.W.N. de Waard, Voortgaande heroverweging van uitgangspunten van bestuursprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om een geschil goed te kunnen beslechten is een toespitsing op waar het partijen om gaat noodzakelijk. Dat is moeilijk in een geding dat alle kanten op waaiert omdat alles even belangrijk is. Meteen in de eerste jaren na de invoering van de Awb werd het geding door de bestuursrechters beperkt met een beroep op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Deze bepaling heeft een cruciale betekenis gekregen voor de taak van de bestuursrechter. Geïnspireerd door de memorie van toelichting bij deze bepalingen maakten de bestuursrechters binnen een paar jaar duidelijk dat zij alleen uitspraak doen over de door de indiener van het beroepschrift tegen het besluit aangevoerde gronden. Niet langer werden besluiten getoetst aan rechtsnormen die, hoewel zij wel van toepassing waren op het besluit, geen betrekking hadden op wat de indiener ertegen aanvoerde. Dit was het einde van de ambtshalve toetsing van besluiten aan alle toepasselijke rechtsnormen. Zoals De Jong heeft beschreven, vloeide deze beperking niet voort uit artikel 8:69 zelf, en eigenlijk ook niet helemaal uit de memorie van toelichting. In de bepaling zelf staat niet meer dan dat de bestuursrechter zijn uitspraak moet baseren op wat er in de procedure schriftelijk en mondeling naar voren is gekomen. En de memorie van toelichting voegde daaraan toe dat de primaire taak van de bestuursrechter werd gezocht in het bieden van rechtsbescherming. Van de rechterlijke taak van objectieve rechtmatigheidscontrole werd afstand genomen, maar niet op zo’n manier dat de bestuursrechter een toetsingsverbod zou moeten worden opgelegd om ambtshalve rechtmatigheidsgebreken in besluiten te signaleren en op die grond te vernietigen.1 Dat deze beperking van het geding zich zo gemakkelijk kon voltrekken, is niet te verklaren uit de daarbij uitgesproken wens om ‘de rechtsbescherming tot primaire functie van de bestuursrechtspraak’ te verheffen. Rechtsbescherming kan immers ook zonder zo’n toetsingsverbod worden geboden, soms zelfs beter.2 De wens om geschillen te kunnen toespitsen op waar het partijen om gaat, lijkt meer te zijn voortgekomen uit een streven naar praktische uitvoerbaarheid van de rechterlijke toetsing.