Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/3.4.3
3.4.3 Wilsgebreken
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS442378:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:52 lid 1 aanhef en onder b en c BW.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 195.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 197.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 197.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 197 en 198.
Vgl. Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 198.
Vgl. paragraaf 3.4.3.
Molengraaff, p. 535 en 536.
Zie paragraaf 5.6.2.
Zie paragraaf 5.6.2.
Zie Hilverda, diss., derde druk (2009) en Keulen, diss. (1990).
Zie ook Molengraaff, p. 536 en Leuftink, p. 283.
Zie nader paragraaf 5.6.2.
Ervan uitgaande dat het akkoord slechts voorziet, wat normaliter het geval is, in gedeeltelijke voldoening van de vordering. Zie Molengraaff, p. 536.
Op advies van de Raad van State is art. 164 ontwerp Fw, waarin was bepaald dat het gehomologeerde akkoord tot een jaar na de homologatie kon worden vernietigd, geschrapt. Zo luidde het advies: 'Deze bepaling komt den Raad van State niet practisch voor. Of het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, moet door de rechtbank worden onderzocht en beslist, alvorens zij de homologatie verleent. Later behoort die vraag geen punt van behandeling meer te kunnen uitmaken. Is het vonnis van homologatie in kracht van gewijsde gegaan, dan dient het lites finiri oportet te gelden. De schuldeischers moeten niet gedurende een jaar nadat de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde gegaan is, in onzekerheid verkeeren, of het akkoord wel stand zal houden, dan of het op grond van vóór de aanneming gepleegde handelingen zal worden vernietigd.' Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 196 e.v.
Art. 173 lid 1 Fw.
De wijzigingsmogelijkheid bestaat alleen voor de wilsgebreken misbruik van omstandigheden en dwaling.
Vgl. in dit kader een uitspraak van de rechtbank Breda (Rb. Breda 27 juni 1986, NJ 1987, 699), waarin tijdens de behandeling van de homologatie - dus nadat de stemming over het akkoord reeds had plaatsgevonden - bleek dat er ruimte was voor een verhoging van het aangeboden akkoordpercentage van 20% naar 24%. Hierop homologeerde de rechtbank het akkoord en verhoogde eigenhandig het uit te keren percentage op de vorderingen van 20% naar 24%.
Vgl. Leuftink, p. 275 e.v.
In deze paragraaf wordt gekeken naar de eventuele invloeden van wüsgebreken op een akkoord. De wüsgebreken bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden zijn geregeld in art. 3:44 BW. Dit artikel ziet op rechtshandelingen die tot stand zijn gekomen onder invloed van een van deze wüsgebreken. De dwalingregeling is opgenomen in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (art. 6:228 BW) betreffende de totstandkoming van overeenkomsten.
In art. 3:44 BW lezen we dat een rechtshandeling die door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, vernietigbaar is. Hetzelfde geldt voor een overeenkomst die onder invloed van dwaling tot stand is gekomen (art. 6:228 BW). Op zichzelf genomen is het denkbaar dat een akkoord onder invloed van een van de hiervoor genoemde wilsgebreken tot stand is gekomen. Kan een akkoord worden vernietigd op grond van dwaling, bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden? Indien een akkoord onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, zou een gehomologeerd akkoord gedurende drie jaar na de ontdekking van het wilsgebrek aan vernietiging bloot kunnen staan.1 Het wetsontwerp Faillissementswet voorzag in art. 164 in de mogelijkheid om gedurende één jaar vernietiging van het akkoord te vorderen.
"Vernietiging van het gehomologeerde akkoord kan gedurende één jaar, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, gevorderd worden wegens het plegen van een der handelingen in artikel 153 onder 3 vermeld."2
De memorie van toelichting motiveerde het bestaan van art. 164 ontwerp Fw als volgt:
"Aan de voorgestelde bepaling is het bezwaar verbonden, dat dientengevolge het bestaan van het akkoord gedurende den tijd van één jaar niet absoluut verzekerd is, een bezwaar waarvan het betrekkelijk gewicht geenszins mag worden ontveinsd. Toch mag daaraan geene overwegende beteekenis worden toegekend; immers wanneer door de homologatie het beroep op bedrog inderdaad wordt gedekt, dan mag de overweging beslissend heeten, dat niet-opneming van een voorschrift als het onderhavige feitelijk eene premie zou stellen op het voltooide bedrog."3
Art. 164 ontwerp Fw is later toch komen te vervallen. De regering zwichtte voor de bedenkingen van de Raad van State en een aantal leden van de Tweede Kamer.
"Of het akkoord door bedrog, begunstiging van een of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, moet door de rechtbank worden onderzocht en beslist, alvorens zij de homologatie verleent. Later behoort die vraag geen punt van behandeling meer te kunnen uitmaken. Is het vonnis van homologatie in kracht van gewijsde gegaan, dan dient het lites finiri oportet te gelden. De schuldeischers moeten niet gedurende een jaar nadat de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde gegaan is, in onzekerheid verkeeren, of het akkoord wel stand zou houden, dan of het op grond van vóór de aanneming gepleegde handelingen zal worden vernietigd."4
(...)
"Het zal ten gevolge hebben, dat gedurende een jaar na de homologatie het handeldrijven voor den gefailleerde zoo goed als onmogelijk zal wezen. Gedurende dat tijdsverloop toch zal hem moeilijk krediet geschonken worden, daar immers na vernietiging van het akkoord de boedel in staat van insolventie kan geraken."5
Art. 164 ontwerp Fw is niet in de Faillissementswet opgenomen. Dit brengt ons terug naar de vraag of een gehomologeerd akkoord kan worden aangetast op grond van de wilsgebreken in de zin van art. 3:44 BW en art. 6:228 BW. Een overeenkomst die onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, is vernietigbaar. Vernietiging is een rechtsgevolg dat de wetgever onder geen beding aan een akkoord heeft willen toekennen.6 Het antwoord op de vraag of een akkoord kan worden aangetast op grond van art. 3:44 BW of art. 6:228 BW, dient derhalve ontkennend te zijn.7 Molengraaff is van mening dat een dergelijke vordering niet uitdrukkelijk is uitgesloten, maar merkt tegelijkertijd op:
"(...) eene gedeeltelijke vernietiging van het akkoord is echter weinig in overeenstemming met het aangenomen beginsel van de eenheid van het akkoord, hetwelk heeft geleid tot verwerping van de door de rechtspraak onder het Wetb. v. Kooph. aangenomen mogelijkheid van gedeeltelijke ontbinding van het akkoord in geval van wanbetaling."8
Nu vernietiging van een akkoord rechtens niet mogelijk is, omdat de wet niet in die mogelijkheid heeft willen voorzien, dient te worden onderzocht hoe een akkoord dat onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, kan worden aangetast. De totstandkoming van een akkoord veronderstelt dat de stemming over het aangeboden akkoord heeft plaatsgevonden.9 Indien de schuldenaar zich nadien op een wilsgebrek wil beroepen, kan hij op de voet van art. 152 lid 2 Fw op de zitting waarop de behandeling van de homologatie plaatsvindt, voor zijn belangen opkomen en het wilsgebrek te berde brengen. Indien voldaan wordt aan de vereisten van art. 153 lid 2 sub 3 Fw, is de rechter verplicht de homologatie van het akkoord te weigeren.10 Zouden concurrente schuldeisers zich op een wilsgebrek willen beroepen, dan kunnen zij ingevolge art. 151 Fw hun bezwaren tegen de homologatie kenbaar maken. De rechter is ook in dat geval gehouden de homologatie van het akkoord te weigeren, indien aan art. 153 lid 2 sub 3 Fw is voldaan.11
Wordt een wilsgebrek ontdekt nadat homologatie van een akkoord heeft plaatsgevonden en zijn de beroepstermijnen12 inmiddels verstreken, dan heeft een wilsgebrek geen invloed meer op de geldigheid van een gehomologeerd akkoord. De handelingen zelf zijn door de wetgever strafbaar gesteld in art. 345 WvSr.13 De onoorbare handelingen kunnen onder omstandigheden een onrechtmatige daad opleveren jegens bepaalde schuldeisers.14 Een benadeelde schuldeiser zou een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad kunnen instellen jegens eenieder die bij de onoorbare handelingen betrokken is geweest.15 De geleden schade bestaat dan uit het deel van de vordering dat de benadeelde schuldeiser door het akkoord heeft verloren.16
De wetgever heeft omwille van de rechtszekerheid bewust niet voorzien in de mogelijkheid van vernietiging van een gehomologeerd akkoord.17 Hierin zien we dat het akkoord een eigen, afwijkende regeling kent in de Faillissementswet. Wordt een wilsgebrek tijdig ontdekt, dan leidt dit derhalve niet tot vernietiging van een akkoord, maar kan dit leiden tot een weigering van homologatie van een akkoord, waardoor wordt verhinderd dat het tot stand gekomen akkoord verbindende kracht verkrijgt. Indien de beschikking waarin de homologatie van het akkoord wordt geweigerd, in kracht van gewijsde is gegaan, verkeert de boedel vervolgens van rechtswege in staat van insolventie.18
Naast het beroep op vernietiging wordt in art. 3:54 BW en art. 6:230 BW aan de wederpartij de mogelijkheid geboden om ter voorkoming van de vernietiging de rechtshandeling of de overeenkomst dusdanig te wijzigen dat hiermee het nadeel dat de ander lijdt, op afdoende wijze wordt opgeheven.19 De bevoegdheid om de vernietiging van de rechtshandeling of de overeenkomst in te roepen, komt hiermee te vervallen. In het kader van het akkoord dienen we ons de vraag te stellen of de wijzigingsmogelijkheid van art. 3:54 BW en art. 6:230 BW ook voor het akkoord zou moeten kunnen gelden. De schuldenaar heeft op grond van art. 144 Fw slechts tot het moment van de stemming de bevoegdheid wijzigingen in een akkoord aan te brengen. Daarna kunnen omwille van de rechtszekerheid geen wijzigingen meer worden aangebracht. De termijn van art. 144 Fw is na homologatie van een akkoord uiteraard reeds verstreken. Zou van de wijzigingsmogelijkheid van art. 3:54 BW en art. 6:230 BW niettemin gebruik kunnen worden gemaakt? Naar de letter van de wet is een wijziging nadat de termijn van art. 144 Fw is verstreken, in strijd met de wet. De ratio van art. 144 Fw is echter gelegen in het feit dat in verband met de rechtszekerheid, schuldeisers vooraf dienen te weten waaraan zij al dan niet hun instemming zullen verlenen. Een door de rechter aangebrachte wijziging in een akkoord ten faveure van de gezamenlijke concurrente schuldeisers nadat het akkoord door een meerderheid van schuldeisers is aangenomen, is niet in strijd met de ratio van art. 144 Fw.20 Verdedigbaar is immers, dat het aannemelijk is dat de schuldeisers ook met het akkoord zouden hebben ingestemd indien zij voor de stemming van het Voordeel' kennis zouden hebben gehad. In dat geval zou het akkoord ook met de vereiste meerderheid van stemmen zijn aangenomen. Met Leuftink zou ik willen aannemen, dat wie het mindere heeft aanvaard tegen het meerdere geen bezwaar zal hebben.21