Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.2.2
5.2.2 Jurisprudentie
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344317:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 november 1922, B. 3153.
T.a.p., blz. 155.
HR 15 november 1922, B. 3153.
HR 12 maart 1958, nr. 13 488, BNB 1958/ 158.
Citaat uit het arrest: 'dat de in het geding zijnde (...) voorraad, die naar tussen partijen vaststaat geen incourante maten en/of soorten bevatte, de normale bedrijfsvoorraad der onderneming uitmaakte en derhalve, nu niet is gesteld noch gebleken, dat liquidatie van de onderneming gaande of ophanden was, dient te worden gewaardeerd op de bedrijfswaarde, zijnde de waarde welke een verkrijger bij overneming van het bedrijf zou toekennen aan dien voorraad, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en voornemens zou zijn de uitoefening van het bedrijf voort te zetten;'
Reeds in 19221 overwoog de Hoge Raad: 'Art. 7E legt nu verder verband tussen de waarde en de bestemming voor zover deze op de waarde invloed heeft. Deze nadere bepaling duidt aan, dat de bestemming in de ogen van de wetgever kan veroorzaken, dat de verkoopwaarde niet samenvalt met de in art. 7E bedoelde geldswaarde. De wetgever heeft dan ook, blijkens de geschiedenis van het artikel, zeer bepaald het oog gehad op een geval waarin zekere zaken (de machines in een in gang zijnde fabriek) in verband met hare bestemming een hogere (cursivering/ GM) waarde hebben dan bij verkoop, doch het omgekeerde is evenzeer denkbaar, en wanneer die omstandigheid zich in een bepaald geval voordoet, behoort daarmede alsdan bij de schatting rekening te worden gehouden.'
Allereerst is opvallend dat in dit arrest uit 1922 niet de term bedrijfswaarde wordt gebruikt terwijl het toch gaat om de tegenhanger van de directe opbrengstwaarde (verkoopwaarde). Vervolgens kan geconstateerd worden dat voor de vermogensbelasting waardering van de in het geding zijnde bedrijfsmiddelen uitsluitend op 'functionele waarde' behoort plaats te vinden en dat deze waardering zowel hoger als lager dan de directe opbrengstwaarde (verkoopwaarde) kan uitvallen. Indien de 'functionele waarde' hoger is dan de boekwaarde van het bedrijfsmiddel c.q. de directe opbrengstwaarde (verkoopwaarde), wordt wèl de vraag aangaande de kwalificatie van de goodwill actueel. Moet goodwill gezien worden als een zelfstandig bedrijfsmiddel of dient deze in het kader van de bedrijfswaardebepaling aan alle (andere) activa te worden toegerekend. Deze problematiek komt in dit hoofdstuk (waar het gaat over de vermogensbelasting) nog ruimschoots aan bod.
Terecht merkt Geppaart2 op dat met betrekking tot het begrip 'geldswaarde' door het hiervoor aangehaalde arrest3, ruimte is geschapen om invloed toe te kennen aan subjectieve omstandigheden van de bezitter van een zaak.
Pas op 12 maart 19584 wordt in de jurisprudentie aangaande de vermogensbelasting melding gemaakt van het begrip bedrijfswaarde. Het arrest heeft betrekking op een aanslag vermogensbelasting over het jaar 1953, waarbij het om de vraag gaat of stille reserves begrepen in de voorraden (die conform de liforesolutie zijn gewaardeerd) in de vermogensbelasting moeten worden betrokken. De Hoge Raad stelt dat voor de vermogensbelasting de voorraad op de geldswaarde in de zin van bedrijfswaarde moet worden gewaardeerd en verwijst naar de klassieke bedrijfswaardedefinitie5. Hij overweegt vervolgens: 'dat de bedrijfswaarde van een normale voorraad, als de onderhavige is te stellen op de prijs, die de verkrijger van het bedrijf zou moeten betalen om die voorraad elders (cursivering/ GM) in te kopen, op welke inkoopsprijs de rentabiliteit van de onderneming geen invloed heeft.'
Conclusie: voor de vermogensbelasting is, evenals voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting, de bedrijfswaarde van voorraden gelijk aan de waarde op de inkoopmarkt.