Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.6.1:1.6.1 Terminologie
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.6.1
1.6.1 Terminologie
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS443536:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Visser, 1954.
Spaanstra, 1963.
Van Hilten & Boender, 2010, p. 25.
Kavelaars, 2000.
Van Dijck & Meussen, 2004, p. 68.
Van Houte, 2009, p. 129.
Zie Gribnau, 2013, p. 122.
Een beoordeling van de (groot)boeken die een belastingplichtige bijhoudt (een boekhouding); zie: Den Hartog, 1935, p. 84.
Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 245, p. 8.
Zie ook Snippe, 2019, paragraaf 2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de wijze waarop belasting wordt geheven, worden in de Nederlandse fiscale literatuur verschillende begrippen gehanteerd. Naast heffingsmethode zijn dit heffingstechniek of heffingssysteem. Behalve om tot uitdrukking te brengen hoe een belasting wordt geheven, worden de begrippen heffingstechniek of heffingssysteem ook in een andere context gebruikt. De term heffingstechniek wordt door bijvoorbeeld Visser ook gebruikt om te duiden of belastingen naar draagkracht worden geheven en welke persoonlijke omstandigheden daarbij een rol spelen.1 Verder schrijft Spaanstra dat het zogenoemde realisatie-principe – het beginsel van de minste pijn – noodzakelijk voortvloeit uit de heffingstechniek en de heffingspsychologie.2 We zien hier dat de term heffingstechniek op verschillende wijzen wordt gebruikt.
Ook het begrip heffingssysteem kent enkele van dergelijke voorbeelden. Zo duiden Van Hilten en Boender het oorspronglandbeginsel en het bestemmingslandbeginsel (als uitgangspunt bij grensoverschrijdende diensten van business to business) aan als heffingssysteem voor de omzetbelasting.3 Kavelaars spreekt over heffingssysteem in het kader van de manier van heffing van premies werknemersverzekeringen (op dag- of jaarbasis).4 Van Dijck en Meussen hanteren de term heffingssysteem als moment (van levering van het goed of toezegging van het voordeel) waarop de waarde van een vermogensbestanddeel moet worden bepaald.5 Als laatste voorbeeld wijs ik nog op Van Houte die de heffing over de som van de toegevoegde waarden in de schakels van ondernemers als het heffingssysteem van de omzetbelasting noemt.6
Vanwege het gebruik van de overige begrippen in een ander verband, geef ik de voorkeur aan het begrip heffingsmethode. Dit begrip wordt in de fiscale literatuur namelijk enkel gebruikt in de context van waar dit onderzoek zich op richt: de wijze waarop een belasting wordt geheven. Een bijkomende reden is dat een heffingsmethode in mijn ogen het beste tot uitdrukking brengt dat het draait om het op een bepaalde weldoordachte manier heffen van een belasting. Van Dale omschrijft het woord methode ook als een “vaste, weldoordachte werkwijze om een bepaald doel te bereiken” en een systeem als “het geheel van handelingen die dienen om een gesteld doel te bereiken”.
Hoewel ik de voorkeur heb voor het gebruik van het begrip heffingsmethode, leidt strikt gebruik hiervan op bepaalde punten in dit proefschrift tot verwarring. Dit is onder andere het geval in het deelonderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de heffingsmethoden (hoofdstuk 2). Daarin bespreek ik zowel de huidige heffingsmethoden als hun ‘voorgangers’. Om te benadrukken in welk geval ik het heb over het heden of het verleden, gebruik ik ‘heffingsmethoden’ voor de periode vanaf de invoering van de AWR. In de daaraan voorafgaande periode spreek ik over ‘heffingstechnieken’. Het risico op begripsverwarring is ook aan de orde in het deelonderzoek waarin ik de Nederlandse heffingsmethoden vergelijk met de in het buitenland toegepaste methoden (hoofdstuk 5). Om het voor de lezer zo overzichtelijk mogelijk te houden over welke methoden ik het op dat moment heb, gebruik ik voor de Nederlandse situatie het begrip heffingsmethode en in het geval van het buitenland de term heffingstechnieken.
In de fiscale wereld worden begrippen als toezicht, handhaving en controle vaak door elkaar gebruikt. De laatste jaren had de Belastingdienst een voorkeur voor het begrip handhaving. Dit omvatte zowel ‘preventieve instrumenten’ (zoals voorlichting, dienstverlening en afspraken vooraf) als ‘repressieve instrumenten’ (controles, aanslagregeling, boeten, invordering en opsporingsacties).7 Daarbij valt nog op te merken dat sommige van deze instrumenten ook nog andere benamingen kennen. Zo worden controles bijvoorbeeld ook wel aangeduid als boekenonderzoeken8 of veldtoetsen. En aanslagregeling staat ook wel bekend als heffing, kantoortoets of uitworpbehandeling.9 In de in 2018 verschenen Handhavingsbrief heeft de Belastingdienst een voorkeur voor het gebruik van het begrip toezicht. Dit komt namelijk 59 keer voor, terwijl “handhaving” nog slechts 8 keer voorkomt. In 2001 is toezicht in de ‘Kaderstellende visie op toezicht’ gedefinieerd als “het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren”.10 In dit proefschrift zal ik zoveel mogelijk gebruik maken van het begrip toezicht. Een belangrijk deel van de vraag of de aanslagbelastingen moet worden omgezet naar aangiftebelastingen houdt namelijk verband met de correctiemogelijkheden voor de Belastingdienst. De definitie van toezicht in de Kaderstellende visie, het (kunnen) interveniëren, sluit hier goed bij aan.11 Een extra reden voor deze keuze is dat dit begrip ook past bij het huidige door de Belastingdienst gehanteerde begrippenkader. Onder correctiemogelijkheden versta ik de mogelijkheden die het belastingrecht de Belastingdienst biedt om in geval van een (eerdere) te lage vaststelling de formele belastingschuld overeenkomstig de materiële belastingschuld vast te stellen.
Ten slotte gebruik ik in dit boek bij voorkeur het begrip Belastingdienst boven het begrip inspecteur. Dit om zoveel mogelijk tot uitdrukking te brengen dat het vaak de overheidsinstantie (of delen daarvan) betreft. Het begrip inspecteur gebruik ik om tot uitdrukking te brengen wanneer het om een actie of handeling van een ambtenaar van vlees en bloed gaat. Daarbij ben ik me ervan bewust dat een inspecteur in de zin van de AWR inmiddels ook is verworden tot een instituut en min of meer vergelijkbaar is met de overheidsinstantie Belastingdienst. De heffing en invordering van rijksbelastingen zijn namelijk opgedragen aan de rijksbelastingdienst (artikel 1, lid 2, AWR). Binnen de Belastingdienst zijn twee bestuursorganen verantwoordelijk voor de uitvoering van de opgedragen taken: de inspecteur en de ontvanger (artikel 2, lid 3, onderdeel b, AWR). In artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 is vastgelegd wie inspecteur en ontvanger zijn. Dat zijn thans (voor zover in het kader van dit onderzoek van belang): de landelijke directeuren van de organisatieonderdelen binnen de Belastingdienst (zogenoemde segmenten) en de directeur Belastingdienst/Centrale Administratie. Zij kunnen taken (zoals het vaststellen van aanslagen) mandateren aan ambtenaren binnen hun organisatieonderdeel. De inspecteur is dus in formele zin een bestuursorgaan. De gemandateerde ambtenaren duid ik om die reden zoveel mogelijk aan als inspecteur. In de gevallen dat ik meer de organisatie in algemene zin en niet zozeer deze specifieke ambtenaar voor ogen heb, spreek ik zoveel mogelijk over de Belastingdienst.