Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.7.1:4.7.1 Wie wordt aandeelhouder?
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.7.1
4.7.1 Wie wordt aandeelhouder?
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS495382:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:72/183 lid 3 BW
Zie 4.6 (optie 2).
A. Schadee, 'Het Ontwerp 1954 voor een Wet op stichtingen', De NV 1954-32, p. 121-125.
Artikel 2:18 lid 6 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien een vereniging, cooperatie of onderlinge waarborgmaatschappij de rechtsvorm wijzigt in een kapitaalvennootschap, wordt ieder lid van rechtswege aandeelhouder behoudens opzegging door het lid.1 Wanneer een stichting de rechtsvorm wijzigt in een kapitaalvennootschap, is door de wetgever niet geregeld wie aandeelhouder wordt. Toch zal er minimaal één aandeelhouder moeten zijn. Indien het voorstel wordt gevolgd dat rechtsvormwijziging van een stichting niet mogelijk is2, doet deze vraag zich niet voor. Onder de huidige wettelijke regeling zijn de volgende mogelijkheden denkbaar:
De oprichters van de stichting worden aandeelhouder.
De bestuurders van de stichting worden aandeelhouder.
Zij die gerechtigd zijn tot vermogen van de stichting worden aandeelhouder.
Zij die gerechtigd zijn tot het liquidatiesaldo van de stichting worden aandeelhouder.
Aangeslotenen worden aandeelhouder.
Derden worden aandeelhouder.
Combinatie van de onder 1 tot en met 6 genoemde categorieën.
In 1954 kwam dit probleem al aan de orde. Schadee3 stelt dat bevoordeling van bestuurders niet de bedoeling geweest is van de oprichter van een stichting. De oorspronkelijke gerechtigden, die uitkeringen uit de opbrengst van de onderneming kregen, komen er in zijn ogen slecht af. De vraag wordt verder gesteld of de oprichter de aandeelhouder heeft willen belasten met de invulling van het bestuur.
Tegen alle genoemde opties pleit dat aandelen in een rechtspersoon worden verkregen door (rechts)personen die niet noodzakelijkerwijs vermogen in de stichting hebben ingebracht. Dat de oprichters, initiatiefnemers van de stichting, aandeelhouder worden, lijkt wellicht voor de hand te liggen. Maar de oprichters van een stichting hebben een rechtsvormwijziging in een kapitaalvennootschap doorgaans niet voor ogen gehad. Indien bestuurders van de stichting aandeelhouder worden, leidt dat tot continuering van zeggenschap. Men kan zich afvragen in hoeverre artikel 2:285 lid 3 BW van invloed is. Het doel van de stichting mag niet zijn het doen van uitkeringen aan oprichters of leden van organen (zoals bestuurders). Dat betekent dat bij toepassing van de opties 1. en 2. vermogen van de stichting nimmer toe mag komen aan deze personen aangezien de vermogensklem doorwerkt.4
Voor zover aangeslotenen contributie betaald hebben aan de stichting, is verdedigbaar dat zij aandeelhouder worden. Zij hebben immers vermogen in de stichting gebracht. De laatst geopperde mogelijkheid, derden worden aandeelhouder, biedt een alternatief als er geen andere optie voor de hand ligt. Bezwaar is dat een derde geen band met de stichting heeft. Uitzondering wordt gevormd door derden als bijvoorbeeld leden van een toezichthoudend of ander orgaan (niet zijnde het bestuur).
Het meest voor de hand ligt dat liquidatiegerechtigden aandeelhouder worden. Zij zijn immers gerechtigd tot het doelvermogen van de stichting. Besteding van vermogen is in dat geval mogelijk zonder rechterlijke toestemming. Te denken is aan een steunstichting. Een stichting stelt zich ten doel een school te ondersteunen. Deze school zal dan aandeelhouder kunnen worden als de stichting haar rechtsvorm wijzigt in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Een steunstichting zal echter niet snel van rechtsvorm wijzigen indien bijvoorbeeld een speciaal belastingtarief op de stichting van toepassing is. Alle overige hiervoor genoemde categorieën zullen niet gerechtigd zijn tot het stichtingsvermogen. Het vermogen van de stichting kan dan ook niet worden aangewend ter storting op de ter gelegenheid van de rechtsvormwijziging toegekende aandelen tenzij met toestemming van de rechter op grond van artikel 2:18 lid 6 BW. De huidige jurisprudentie laat zien dat een dergelijke toestemming niet verleend wordt.