Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.4.2.5
8.4.2.5 Corrigerende mededeling hoeft niet noodzakelijkerwijs te resulteren in een (zichtbare) koersreactie
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655669:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook Langevoort 2015, p. 46-47.
Zie hierover het vierde scenario in hoofdstuk 4.
Zie hierover eveneens het vierde scenario in hoofdstuk 4.
Zie in dit verband onder meer de uitspraken Bricklayers and Trowel Trades Int’l Pension Fund v. Credit Suisse Securities (USA) LLC, 752 F.3d 82, 94-95 (1st Cir. 2014); Lormand v. US Unwired, Inc., 565 F.3d 228, 267 n. 33 (5th Cir. 2009); Public Employees’ Retirement System of Mississippi v. Amedisys, Inc. (Amedisys II), 769 F.3d 313, 323-325 (5th Cir. 2014); In re Gilead Sciences Securities Litigation, 536 F.3d 1049, 1057-1058 (9th Cir. 2008); In re Apollo Group, Inc. Securities Litigation, 2010 WL 5927988, at *1 (9th Cir. June 23, 2010); Sapssov v. Health Management Associates, Inc., 608 Fed. Appx. 855, 863 (11th Cir. 2015); Meyer v. Greene, 710 F.3d 1189, 1197-1200 (11th Cir. 2013); In re Banc of California Securities Litigation, 2017 WL 3972456, at *9 (C.D. Cal. Sept. 6, 2017); In re Winstar Communications, 2006 WL 473885, at *14-15 (S.D.N.Y. Feb. 27, 2006). Zie over dit scenario ook § 6.3.4.
Vgl. Thorsen, Kaplan & Hakala 2006, p. 112.
Zie over de true financial condition theory het derde scenario in hoofdstuk 4.
Zie hierover eveneens het derde scenario in hoofdstuk 4 en zie het ook het voorbeeld in de bijbehorende Appendix.
Zie hierover eveneens het derde scenario in hoofdstuk 4. En zie voor empirisch bewijs dat Amerikaanse vennootschappen zich niet zelden van een dergelijke strategie bedienen Furchtgott & Partnoy 2015.
Zie wederom voor empirisch bewijs dat Amerikaanse vennootschappen bij het publiceren van een corrigerende mededeling zich niet zelden van een dergelijke ‘information bundling’-stategie bedienen Furchtgott & Partnoy 2015. Zie in dit verband ook de studie Bliss, Partnoy & Furchtgott 2018 en Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 617.
Zie hierover het zesde scenario in hoofdstuk 4.
Zie hierover het vijfde scenario in hoofdstuk 4.
Wanneer in werkelijkheid de litigieuze informatie de beurskoers wel heeft beïnvloed, wil dat uiteraard nog niet zeggen dat de eisende belegger ook meteen recht heeft op schadevergoeding. Voor een valide claim zal vanzelfsprekend aan alle aansprakelijkheidsvereisten moeten zijn voldaan. Vandaar dat ik bewust zeg dat de ‘reële kans bestaat’ dat valide claims ten onrechte worden afgewezen.
Zie in dit verband ook De Jong 2016b, § 4.5.
Ik wijs erop dat men in deze scenario’s uiteraard alleen kan volstaan met het uitvoeren van een event study rondom het tijdstip van de corrigerende mededeling, wanneer in het processuele debat voldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat zich inderdaad de situatie voordeed dat de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding is afgenomen als gevolg van een gewijzigde inhoud van de misleidende informatie en/of als gevolg van een afgenomen marktwaarde van de misleidende informatie.
Voor het Amerikaanse recht volgt dit uit de uitspraak Dura Pharmaceuticals Inc. v. Broudo, 544 U.S. 336 (2005). Zie hierover uitgebeid § 6.3.3. In § 5.5.2.3 sub a en sub b en in § 7.2.3 heb ik verdedigd dat ook voor het Nederlandse recht zou moeten gelden dat in het scenario van een afnemende marktwaarde van de misleidende informatie respectievelijk het scenario van een veranderende inhoud van de misleidende informatie de rechtens toerekenbare schade wordt beperkt tot het bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van de bekendwording van de misleiding.
Zie in dit verband ook Prevoo & Ter Weel 2010, p. 253-256; Booth 2004, p. 1053-1054; Mitchell & Netter 1994, p. 559.
Met een ‘abnormale’ toename in het handelsvolume bedoel ik een toename die niet kan worden verklaard door macro-economische en/of sectorspecifieke ontwikkelingen. Zie in dit verband ook AFM-rapport 2007, p. 6.
Zoals reeds opgemerkt wordt met ‘residuele koersdaling’ hier bedoeld de koersdaling gecorrigeerd voor (het koerseffect veroorzaakt door) markt- en/of sectorspecifieke factoren.
Vgl. Booth 2004, p. 1054, voetnoot 42; Thorsen, Kaplan & Hakala 2006, p. 111.
Ik wijs er nogmaals op dat wanneer de event period uit meer dan één handelsdag bestaat, gewerkt moet worden met de zogenoemde ‘cumulative abnormal return’. Zie hierover § 8.4.2.3 sub c onder het eerste kopje ‘Het marktmodel’.
Zie in dit verband onder meer de uitspraken Alaska Electrical v. Flowserve, 572 F.3d 221, 232 (5th Cir. 2009); In re Williams Securities Litigation, 558 F.3d 1130, 1138 (10th Cir. 2009); Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 718 F.3d 423, 434 (5th Cir. 2013). Ik wijs erop dat de laatstgenoemde uitspraak door de Supreme Court is vernietigd, zie Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258 (2014). De in de hoofdtekst aangehaalde loss causation-kwestie betrof echter niet een vraag waar de Supreme Court zich in de Halliburton II-zaak over diende uit te laten.
Zie op dit punt kritisch over het Amerikaanse recht vanwege de zwaarwegende rol die aan de (uitkomst van de) event study wordt toegekend bij het bewijs van de koersinvloed van de misleidende informatie Brav & Heaton 2015, p. 586-587 (‘[R]equiring conventional levels of statistical significance when power is low effectively gives a “free pass” to economically meaningful securities fraud because the [singe-firm event studies] simply cannot detect price impacts below a high threshold. Courts, ignoring low power, then conclude that some economically large price impacts are immaterial. Courts err because of their mistaken premise that statistical insignificance indicates the probable absence of a price impact. Overreliance on statistical significance without consideration of statistical power leads to a decision-making regime in which the probability of an incorrect exoneration far exceeds the probability of an incorrect condemnation.’ leestekens weggelaten, toevoegingen en curs. ACWP). Zie in dit verband ook Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 613-614; Hakala 2017, p. 24.
Zie § 9.4.2.4-§ 9.4.2.5.
Tot slot van deze paragraaf over de event study wil ik er nog op wijzen dat wanneer naar aanleiding van de officiële corrigerende mededeling een (significante) koersreactie uitblijft, dit niet noodzakelijkerwijs hoeft te betekenen dat de koers niet door de litigieuze informatie was beïnvloed en/of dat de litigieuze informatie niet material was. Zo zijn er verschillende scenario’s denkbaar waarvoor geldt dat de litigieuze informatie wél material was, en deze informatie tevens de koers heeft beïnvloed, maar waarbij – niettegenstaande deze koersinvloed – op het moment van de corrigerende mededeling tóch geen (significante) koersreactie wordt geobserveerd.1 Ik zal hier een aantal (in de praktijk nogal eens voorkomende) scenario’s bespreken.
In de eerste plaats kan worden gedacht aan het scenario waarin sprake is van een lek waardoor handel met voorkennis (eventueel in combinatie met geruchtenvorming) ontstaat.2 De koersinflatie zal hierdoor voor tijdig uit de koers lopen, zodat op het moment van de officiële corrigerende mededeling geen (significante) koersreactie meer wordt geobserveerd. In de tweede plaats kan men denken aan het scenario waarin de markt op eigen kracht achter de misleiding komt.3 Ook dat zal tot gevolg hebben dat de koersinflatie voortijdig verdwijnt. In derde plaats valt te denken aan het scenario waarin de markt (de informatie opgenomen in) de corrigerende mededeling niet meteen op waarde kan schatten, en waarin zij even de tijd nodig heeft om (de informatie opgenomen in) de corrigerende mededeling op correcte (en volledige) wijze in de koers te verwerken.4 Als gevolg van deze onderreactie zal het even duren voordat de corrigerende mededeling in een (significante) koersdaling resulteert.5 In de vierde plaats kan worden gedacht aan het scenario waarin de misleidende informatie op het moment van de corrigerende mededeling inmiddels haar relevantie heeft verloren, omdat in de tussentijd nieuwe(re) informatie is gepubliceerd waarmee de ware toestand van de vennootschap bekend is geworden (dit scenario kan worden geschaard onder de zogenoemde ‘true financial condition theory’).6 De koersinflatie die zich aanvankelijk als gevolg van de misleiding had gevormd, is hierdoor op het moment van de corrigerende mededeling inmiddels ‘uitgedoofd’.7 In de vijfde plaats kan men denken aan het scenario waarin de vennootschap haar toevlucht neemt tot het zogenoemde mechanisme van ‘walking down the stock price’.8 Hiermee wordt bedoeld dat de vennootschap stapje voor stapje informatie publiceert, waaruit het beleggende publiek (althans, het professionele deel daarvan) kan afleiden dat de actuele beurskoers te hoog is. De koersinflatie zal hierdoor geleidelijk uit de koers lopen, waardoor op het moment van de officiële corrigerende mededeling geen (significante) koersdaling meer intreedt. In de zesde plaats kan worden gedacht aan het scenario waarin de corrigerende mededeling wordt gecombineerd (of toevalligerwijs samenvalt) met de publicatie van andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie die positief van aard is, en een tegengesteld koerseffect heeft.9 In dat geval zullen het negatieve koerseffect van (het bekend worden van) de misleidende informatie en het positieve koerseffect van de andere bedrijfsspecifieke informatie elkaar opheffen, waardoor het wederom zo zal zijn dat op het moment van de corrigerende mededeling geen (significante) koersreactie wordt geobserveerd. In de zevende plaats kan worden gedacht aan het scenario waarin de inhoud van de misleidende informatie zich over het tijdvak van de misleiding zodanig ontwikkelt, dat de informatie op het moment van de corrigerende mededeling niet langer misleidend is.10 In dat geval zal op het moment van de corrigerende mededeling de koersinflatie inmiddels tot nul zijn gereduceerd. In de achtste plaats kan men denken aan het scenario waarin (onder invloed van externe factoren) de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding zodanig afneemt, dat op het moment van de corrigerende mededeling de koersinflatie inmiddels is verdampt.11
Wanneer in de hierboven genoemde scenario’s op basis van het uitblijven van een koersreactie naar aanleiding van de officiële corrigerende mededeling zou worden geconcludeerd dat de litigieuze informatie de beurskoers niet heeft beïnvloed en/of dat de litigieuze informatie niet material was, bestaat de reële kans dat valide claims ten onrechte worden afgewezen.12 In werkelijkheid was de litigieuze informatie in deze scenario’s namelijk wel material en heeft deze informatie tevens tot koersinflatie geleid, alleen is dit niet (meer) af te leiden uit de koersreactie die plaatsvond toen de misleiding publiekelijk bekend werd. Om het trekken van zo’n verkeerde conclusie te voorkomen, is het van belang om bij het beoordelen van het koerseffect van de misleiding niet te volstaan met het slechts uitvoeren van een event study rondom het tijdstip van de corrigerende mededeling, en om alvorens een definitief oordeel te vellen, de analyse nog wat te verfijnen.13 Zo is het in de eerste plaats raadzaam om nog eens goed te kijken naar de ligging van de event window. Met een zorgvuldig (en correct) gekozen event window zou het in de eerste vijf hierboven genoemde scenario’s namelijk in principe mogelijk moeten zijn om (het bekend worden van) de koersinflatie op te sporen (zie in dit verband § 8.4.2.3 sub b). In de tweede plaats is het raadzaam om te kijken of het uitvoeren van een content analysis en/of het werken met earnings response coefficients wellicht uitsluitsel kan bieden. Deze technieken maken het in het scenario waarin de corrigerende mededeling wordt gecombineerd met de publicatie van andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie immers mogelijk het koerseffect van de misleiding te detecteren (zie in dit verband § 8.4.2.4 sub a en sub b). Alleen in de scenario’s waarin de koersinflatie als gevolg van een gewijzigde inhoud van de misleidende informatie en/of als gevolg van een afgenomen marktwaarde van de misleidende informatie reeds vóór het tijdstip van de corrigerende mededeling is verdampt, kan worden volstaan met het uitvoeren van een event study rondom het laatstgenoemde tijdstip.14 In deze scenario’s geldt op grond van het materiële recht immers dat de rechtens toerekenbare schade wordt gemaximeerd op het bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van de bekendwording van de misleiding, zodat het dan in principe geen zin (meer) heeft om te achterhalen hoe de koersinflatie zich over het tijdvak van de misleiding precies heeft ontwikkeld.15
Wat het opsporen van (het uit de koers lopen van) de koersinflatie betreft, wijs ik verder nog op het belang van het analyseren van ontwikkelingen in het handelsvolume.16 Was in de dagen of weken voorafgaand aan de corrigerende mededeling immers sprake van een (statistisch significante) abnormale toename van het handelsvolume,17 en kan deze toename niet worden verklaard door de publicatie van andere bedrijfsspecifieke informatie, dan is zeer aannemelijk dat de oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat bepaalde marktpartijen alvast op het bekend worden van de misleiding vooruit liepen. Wanneer dit toegenomen handelsvolume tevens gepaard ging met een residuele koersdaling,18 dan kan deze koersdaling dus in beginsel worden toegeschreven aan (de bekendwording van) de misleidende informatie. Hierbij teken ik aan dat het mijns inziens niet noodzakelijkerwijs zo hoeft te zijn dat het abnormale rendement dat over één enkele handelsdag werd gemeten, ook nog statistisch significant is.19 Ook wanneer slechts het (abnormale) rendement dat over meerdere handelsdagen werd gemeten statistisch significant is, volstaat dat voor het aantonen van (het uit de koers lopen van) koersinflatie.20
Als de event study (zelfs met een zorgvuldig gekozen event window) uiteindelijk geen (statistisch) significante koersreactie oplevert, en het derhalve niet lukt om langs die weg het koerseffect van (het bekend worden van) de misleiding aan te tonen, zal hieraan naar Amerikaans recht de conclusie worden verbonden dat niet is voldaan aan het vereiste van loss causation (en zal de vordering tot schadevergoeding derhalve worden afgewezen).21 Er is dan immers niet komen vast te staan hoe de door de beleggers gestelde koersinflatie weer uit de koers is gelopen. Dit wil echter niet zeggen dat ook in werkelijkheid niet is voldaan aan het vereiste van loss causation. Het is immers goed mogelijk dat de mislei dende informatie in werkelijkheid wel tot koersinflatie heeft geleid, en dat deze koersinflatie op een zeker moment ook weer uit de koers is gelopen, maar dat hoe en wanneer dit laatste is gebeurd voor de buitenwereld verborgen blijft (en dat het zelfs met een correct uitgevoerde event study niet lukt om dit te achterhalen). Naar Amerikaans recht wordt in zo’n geval een valide claim dus ten onrechte afgewezen.22 Dan rijst natuurlijk meteen de vraag hoe deze kwestie naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. In hoofdstuk 9 zal ik verdedigen dat het naar Nederlands recht zo is – of wellicht beter gezegd: zo zou moeten zijn – dat de beleggers die aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere koers, onder omstandigheden het causaal verband tussen de misleiding en de door hen gestelde koersschade (c.q. het bestaan van rechtens relevante koersschade) ook kunnen bewijzen zonder dat gebruik gemaakt wordt van (de uitkomst van) een event study (of althans, zonder dat de event study een significante koersreactie oplevert).23