Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.4.2.3
8.4.2.3 Event study; de methodologie
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655850:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de methodologie van een event study onder meer Macey e.a. 1991, p. 1029; Mitchell & Netter 1994, p. 557; Tabak & Dunbar 1999, p. 3-4 en p. 7-11; Ferrell & Saha 2007, p. 166-170; AFM-rapport 2007, p. 3-6; Kaufman & Wunderlich 2010, p. 6-8; Bajaj, Mazumdar & McLaughlin 2014, p. 172-173 en p. 183-190; Brav & Heaton 2015, p. 589-593; Baker 2016, p. 1226-1231; Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 570-579. Zie hierover onder meer ook de uitspraken Bricklayers and Trowel Trades Int’l Pension Fund v. Credit Suisse Securities (USA) LLC, 752 F.3d 82, 86-87 (1st Cir. 2014); In re Vivendi, S.A. Securities Litigation, 838 F.3d 223, 253-254 (2d Cir. 2016); Findwhat Investor Group v. Findwhat.com, 658 F.3d 1282, 1313 n.31 (11th Cir. 2011); Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 309 F.R.D. 251, 264 (N.D. Tex. 2015); In re REMEC Inc. Securities Litigation, 702 F. Supp. 2d 1202, 1269-1273 (S.D. Cal. 2010); In re Enron Corp. Sec., Derivative & ERISA Litigation, 529 F. Supp. 2d 644, 720 (S.D.Tex. 2006).
Terzijde merk ik op dat het de laatste jaren opgekomen verschijnsel van high frequency trading zowel kansen als bedreigingen biedt voor de huidige event study-methodologie. Zie hierover Levens 2015, p. 1552.
Volledigheidshalve merk ik op dat met ‘rendement’ niets anders wordt bedoeld dan de procentuele verandering in de beurskoers gemeten over een bepaalde periode.
Zie Bajaj, Mazumdar & McLaughlin 2014, p. 178; Tabak & Dunbar 1999, p. 3-4; Mitchell & Netter 1994, p. 557-558; De Jong 2010, p. 239.
Zie hierover onder meer Macey e.a. 1991, p. 1030-1031; Mitchell & Netter 1994, p. 558-559; Tabak & Dunbar 1999, p. 7-8; Krivin e.a. 2003; Marais & Schipper 2005, p. 20; Ferrell & Saha 2007, p. 167-168; AFM-rapport 2007, p. 4; Bajaj, Mazumdar & McLaughlin 2014, p. 179; Tabak 2015, p. 472-478. Zie hierover in de Nederlandse literatuur De Jong 2010, p. 240-241.
Zie in dit verband het vierde scenario in hoofdstuk 4.
Zie hierover Mitchell & Netter 1994, p. 559; Tabak 2015, p. 473-474. Zie in dit verband ook De Jong 2010, p. 240.
Zie over deze oplossing Prevoo & Ter Weel 2010, p. 253-256; Booth 2004, p. 1053-1054. Zie in dit verband ook Mitchell & Netter 1994, p. 559. Verder wijs ik voor het Nederlandse recht op de door de VEB aangespannen procedure tegen Super de Boer. Bij het vaststellen van het tijdstip waarop de litigieuze informatie bekend werd, wordt in deze zaak zowel door de rechtbank als het hof mede gekeken naar ontwikkelingen in het handelsvolume, zie Rb. Utrecht 30 maart 2011, JOR 2011/191 (VEB/Super de Boer), m.nt. T.M. Stevens onder JOR 2011/193, r.o. 4.18-4.24 respectievelijk Hof Amsterdam 10 juli 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0488, JOR 2015/70 (Super de Boer/VEB), m.nt. G.T. J. Hoff, r.o. 4.12 e.v. en Hof Amsterdam 11 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8609, JOR 2015/71, m.nt. G.T.J. Hoff (Stichting Procedure SdB/VEB), r.o. 2.3 en r.o. 2.7 e.v. Zie over deze zaak uitgebreid De Jong 2016b.
Met een ‘abnormale’ toename in het handelsvolume bedoel ik een toename die niet kan worden verklaard door macro-economische en/of sectorspecifieke ontwikkelingen.
Aldus ook Macey e.a. 1991, p. 1031; Mitchell & Netter 1994, p. 559; AFM-rapport 2007, p. 4. Zie in dit verband ook de uitspraak Liberty Media Corp. v. Vivendi Universal S.A., 923 F.Supp.2d 511, 520-522 (S. D.N.Y. 2013).
Ik wijs erop dat Rinaudo en Saha in hun analyse van de event study-methodologie bij gebruikmaking van intraday trading data werken met een variabele lengte van de event window, zie Rinaudo & Daha 2014, p. 167.
Zie echter ook de uitspraken Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 309 F.R.D. 251, 268-269 (N.D. Tex. 2015) en In re Intuitive Surgical Sec. Litig., 2016 WL 7425926, at * 14-15 (N.D. Cal. Dec. 22, 2016), waarin een twee handelsdagen omvattende event window werd afgewezen, en waarin expliciet werd gekozen voor een event window van één enkele handelsdag.
Vgl. Ferrell & Saha 2007, p. 167-168; Thorsen, Kaplan & Hakala 2006, p. 112.
Het spiegelbeeld van deze situatie is het scenario waarin de koers naar aanleiding van de corrigerende mededeling aanvankelijk niet of nauwelijks reageert, en waarin het enkele dagen of weken duurt voordat de relevantie van de nieuw vrijgekomen informatie door de markt wordt ingezien en de koers dientengevolge daalt. Wat in de praktijk nog wel eens voorkomt, is dat de koers pas reageert op het moment waarop een analistenrapport wordt gepubliceerd waarin de (informatie opgenomen in de) corrigerende mededeling wordt geanalyseerd en in perspectief wordt geplaatst. Zie in dit verband onder meer de uitspraken Bricklayers and Trowel Trades Int’l Pension Fund v. Credit Suisse Securities (USA) LLC, 752 F.3d 82, 94-95 (1st Cir. 2014); Lormand v. US Unwired, Inc., 565 F.3d 228, 267 n. 33 (5th Cir. 2009); Public Employees’ Retirement System of Mississippi v. Amedisys, Inc. (Amedisys II), 769 F.3d 313, 323-325 (5th Cir. 2014); In re Gilead Sciences Securities Litigation, 536 F.3d 1049, 1057-1058 (9th Cir. 2008); In re Apollo Group, Inc. Securities Litigation, 2010 WL 5927988, at *1 (9th Cir. June 23, 2010); Sapssov v. Health Management Associates, Inc., 608 Fed. Appx. 855, 863 (11th Cir. 2015); Meyer v. Greene, 710 F.3d 1189, 1197-1200 (11th Cir. 2013); In re Banc of California Securities Litigation, 2017 WL 3972456, at *9 (C.D. Cal. Sept. 6, 2017); In re Winstar Communications, 2006 WL 473885, at *14-15 (S.D.N.Y. Feb. 27, 2006).
Zie over dit probleem uitgebreid Krivin e.a. 2003.
Vgl. Tabak & Dunbar 1999, p. 15 en p. 19; Krivin e.a. 2003, p. 9.
Een andere oplossing zou nog kunnen zijn om te kijken naar de ontwikkeling in de intraday volatility van het litigieuze aandeel. De gedachte is dat zolang na publicatie van de litigieuze informatie nog sprake is van een abnormale intraday volatility, de markt nog bezig is de nieuwe informatie te verwerken. Zie over deze oplossing Krivin e.a. 2003, p. 9.
Zie over content analysis uitgebreid Tabak 2007a.
Vgl. Tabak & Dunbar 1999, p. 15 en p. 19. Vgl. ook Morgan, McElroy & Duarte-Silva 2014, p. 2; Tabak 2015, p. 473.
Aldus Macey e.a. 1991, p. 1030; Mitchell & Netter 1994, p. 558; Tabak & Dunbar 1999, p. 7-8; Ferrell & Saha 2007, p. 170; De Jong 2010, p. 240.
Zie over het probleem van confounding events Tabak & Dunbar 1999, p. 11; Ferrell & Saha 2007, p. 168-170; Heys 2011, p. 7; Tabak 2015, p. 474; De Jong 2010, p. 244.
Aldus ook Tabak & Dunbar 1999, p. 8.
Ik wijs er in dit verband op dat de Analysis Group in het deskundigenrapport dat zij (in opdracht van Ageas) heeft opgesteld in het kader van het WCAM-verzoek met betrekking tot de Fortis-schikking heeft gewerkt met een zogenoemde ‘response time’ van 15 minuten. Ter controle heeft de Analysis Group ook berekeningen uitgevoerd met een response time van 30 en 45 minuten, maar dat leidde niet tot significante verschillen in uitkomst. Zie Hof Amsterdam 16 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2257 (Ageas S.A./N.V e.a./X e.a.), r.o. 7.15 en Deskundigenrapport Fortis-schikking 2016, § 37-§ 51. De lengte van de event period bedroeg in dit geval dus 15 minuten respectievelijk 30 minuten respectievelijk 45 minuten.
Vgl. Tabak & Dunbar 1999, p. 9.
Zie hierover ook Ferrell & Saha 2007, p. 175-178; Fumerton 2006, p. 97-100; De Jong 2010, p. 225-228.
Zie in dit verband ook § 7.3.1.
Zie hierover het derde scenario in hoofdstuk 4 en zie het ook het voorbeeld in de bijbehorende Appendix.
Vgl. Mitchell & Netter 1994, p. 559; Ferrell & Saha 2007, p. 168; De Jong 2010, p. 241.
Zie het derde scenario in hoofdstuk 4.
Bij het identificeren van de verschillende tijdstippen kan het onder meer behulpzaam zijn om te kijken naar ontwikkelingen in het handelsvolume en om gebruik te maken van content analysis.
Over het scenario waarin tijdens de event period ook andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie bekend wordt gemaakt, kom ik hierna nog te spreken.
Ook andersoortige modellen dan het marktmodel zijn denkbaar om het rendement van het litigieuze aandeel te relateren aan externe factoren. Zie hierover AFM-rapport 2007, p. 4-5. Verder wijs ik in dit verband op Adams & Runkle 1997, p. 1128-1135. De laatstgenoemde auteurs maken gebruik van de zogenoemde ‘arbitrage pricing theory’ en ontwikkelen in dat verband een multi-factor model.
Voor de exacte specificatie van het model zijn vele alternatieven denkbaar. Zie bijvoorbeeld Prevoo & Ter Weel 2010, p. 242-245 en p. 272-275; Bruegger & Dunbar 2009, p. 16-17; Gelbach, Helland & Klick 2009, p. 4-5; AFM-rapport 2007, p. 5-6; Ferrell & Saha 2007, p. 166-167; Finnerty & Pushner 2003, p. 221-224. In essentie gaat het in deze artikelen steeds om hetzelfde model.
Ik wijs erop dat het in de praktijk vaak voorkomt dat de sector-index wordt weggelaten en dat wordt volstaan met de marktindex. Zie in dit verband onder meer AFM-rapport 2007, p. 5 en Macey e.a. 1991, p. 1023.
Zie voor een introductie over regressieanalyse bijvoorbeeld Heij e.a. 2004, p. 75 e.v; Brooks 2014, p. 75 e.v. Voor een voorbeeld van de toepassing van regressieanalyse in de Nederlandse rechtspraak wijs ik op het arrest Hof ’s-Gravenhage 24 november 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BL0569 (Gabo B.V./Gemeente Vianen), r.o. 4.
In de praktijk komt het nogal eens voor dat de corrigerende mededeling niet alleen een koersreactie bij de onderzochte beursvennootschap tot gevolg heeft, maar tevens een koersreactie uitlokt bij sectorgenoten (zogenoemde ‘peers’) van deze vennootschap. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de vennootschap wereldkundig maakt dat een bepaald risico waaraan zij bloot stond zich ten kwade heeft gerealiseerd, terwijl haar peers aan een vergelijkbaar risico bloot staan zonder dat de markt zich dat tot dusver heeft gerealiseerd. Wanneer in zo’n geval de corrigerende mededeling zijn weerslag heeft zowel op de beurskoers van de onderzochte beursvennootschap als op die van haar peers, leidt dat tot complicaties bij het berekenen van het (door de corrigerende mededeling veroorzaakte) abnormale rendement. Deze complicaties werk ik hier niet verder uit. Zie over dit probleem in de literatuur Booth 2015, p. 47, voetnoot 30 en p. 51, voetnoot 42; Fox 2015, p. 443, voetnoot 19. Zie hierover in de rechtspraak de uitspraak Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 309 F.R.D. 251, 278 & n. 41 en 280 (N.D. Tex. 2015).
Een complicatie die in het verlengde ligt van de in de vorige voetnoot genoemde complicatie, doet zich voor wanneer de misleidende medede ling niet alleen een koersreactie bij de onderzochte beursvennootschap tot gevolg heeft, maar tevens een koersreactie uitlokt bij haar peers. Gedacht kan worden aan de situatie waarin de vennootschap ten onrechte goed nieuws publiceert, dat tevens slecht nieuws impliceert voor haar peers. Zij misleidt de markt bijvoorbeeld door bekend te maken een zeer effectief (en daarmee lucratief) nieuw medicijn te hebben uitgevonden, dat de medicijnen van haar concurrenten vanaf nu overbodig maakt. Wanneer in zo’n geval de misleidende mededeling zijn weerslag heeft zowel op de beurskoers van de onderzochte beursvennootschap als op die van haar peers, levert dat eveneens problemen op bij het berekenen van het (door de misleidende mededeling veroorzaakte) abnormale rendement. Ook deze problemen werk ik nier niet verder uit. Vgl. in dit verband de weerlegging van de kritiek van de door de eisende beleggers geraadpleegde deskundige op het deskundigenrapport van de door de vennootschap geraadpleegde deskundige in de uitspraak In re Finisar Corporation Securities Litigation, 2017 WL 6026244, at *9 (N.D. Cal. Dec. 5, 2017).
Dit geldt ook voor de situatie waarin met meerdere event windows wordt gewerkt, die elk afzonderlijk uit een of meer handelsdagen bestaan.
Zie ook Macey e.a. 1991, p. 1032; Mitchell & Netter 1994, p. 570; Thorsen, Kaplan & Hakala 2006, p. 111; AFM-rapport 2007, p. 5; De Jong 2010, p. 244.
Ik wijs erop dat om de cumulative abnormal return te berekenen, niet simpelweg de abnormal returns van de verschillende event days bij elkaar op mogen worden geteld (dit zou alleen mogen wanneer met logaritmische rendementen zou worden gewerkt). Zou men dat namelijk doen, dan zou daarmee worden miskend dat het basisbedrag van waaruit het dagelijkse rendement wordt berekend, van dag tot dag verandert. Om de cumulative abnormal return te verkrijgen moet men daarom met een soort samengestelde renteberekening werken. Men kan dit vergelijken met de wijze waarop bij een rentedragende spaarrekening het bedrag aan spaarrente wordt berekend. Zie over dit probleem Mitchell & Netter 1994, p. 570 en Bruegger & Dunbar 2009, p. 22-24.
Voor een aansprekend voorbeeld uit de rechtspraak waarin de estimation window ter discussie stond, wijs ik op de uitspraak Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 309 F.R.D. 251, 264-265 (N.D. Tex. 2015).
Zie over deze keuzes in de Amerikaanse (juridische) literatuur Tabak & Dunbar 1999, p. 8; Marais & Schipper 2005, p. 20-21. Zie hierover in de Nederlandse literatuur De Jong 2015, p. 323.
Aldus Tabak & Dunbar 1999, p. 9.
Voor een geavanceerde(re) oplossing voor het probleem van een in de tijd fluctuerende (statistische) relatie tussen het rendement op het litigieuze aandeel en het markt- en sectorrendement wijs ik op de studie Renzi-Ricci 2016 over het schatten van de Beta aan de hand van de zogenoemde ‘Kalman filter’.
Aldus Tabak & Dunbar 1999, p. 9.
Vgl. Tabak & Dubar 1999, p. 9.
In de situatie waarin de event period niet al te dicht is gelegen bij het tijdstip van de IPO, kan er eventueel ook voor worden gekozen om de estimation window rondom de event period te plaatsen. Wel moet er in dat geval rekening mee gehouden worden dat in de eerste dagen en/of weken na de IPO wellicht sprake is geweest van marktstabilisatie door de begeleidende banken.
Vgl. in dit verband Baker 2016, p. 1229.
Aldus Tabak & Dunbar 1999, p. 9.
Hakala wijst nog op een ander interessant probleem dat zich voordoet bij de keuze van de estimation window, zie Hakala 2017. Hakala laat aan de hand van ‘Monte Carlo’-simulatie zien dat als de estimation window veel handelsdagen bevat waarop relevant bedrijfsspecifiek nieuws werd gepubliceerd, dit leidt tot een onzuivere schatting van het marktmodel en daarmee tot een onzuivere schatting van het abnormale rendement behorend bij het te onderzoeken event. Tevens leidt het tot een te hoog ingeschatte standard error of the regression, waardoor de bijbehorende test statistic ten onrechte op een te laag niveau wordt vastgesteld. Dit laatste kan weer tot gevolg hebben dat de nulhypothese die wordt getoetst (kort gezegd houdt die in dat het te onderzoeken event geen statistisch significant koerseffect had) ten onrechte niet wordt verworpen. Zie over het toetsen op statistische significantie verder hierna sub d.
Zie over deze keuze in de literatuur Tabak & Dunbar 1999, p. 9-10; Marais & Schipper 2005, p. 21.
Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 309 F.R.D. 251, 267-268 (N.D. Tex. 2015).
Vgl. Tabak & Dunbar 1999, p. 9-10.
Aldus ook Ferrell & Saha 2007, p. 167.
Denk bijvoorbeeld aan sector-indices als de NYSE Energy Index, de NYSE Healthcare Index, de NYSE Financial Index of de NYSE Arca Tech 100 Index.
Aldus Tabak & Dunbar 1999, p. 10.
Zie in dit verband ook Marais & Schipper 2005, p. 14-15.
Zie voor een introductie over de R-squared bijvoorbeeld Heij e.a. 2004, p. 75 e.v.; Brooks 2014, p. 151 e.v.
Vgl. Tabak & Dunbar 1999, p. 10.
Vgl. Bruegger & Dunbar 2009, p. 20-21.
Wanneer de event window meer dan één handelsdag beslaat, gaat het uiteraard om de statistische significantie van de cumulative abnormal return. Zie over de cumulative abnormal return hierboven sub c (onder het eerste kopje ‘Het marktmodel’).
Ik benadruk dat statistische significantie niet hetzelfde is als (het bestaan van een) causaal verband. Wordt over de event period echter een abnormaal rendement gemeten dat statistisch significant is en bestaat voor deze statistische significantie geen alternatieve verklaring (zoals de publicatie van andere bedrijfsspecifieke informatie), dan kan met een redelijke mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat dit abnormale rendement door de litigieuze informatie werd veroorzaakt.
Aangezien in het kader van de aansprakelijkheidsvraag het geobserveerde abnormale rendement in de praktijk altijd nog moet worden getransformeerd naar een absoluut geldbedrag, betogen Saha en Ferrell dat het eigenlijk onjuist is om voor het (oordeel over het) causaal verband te kijken naar de statistische significantie van het abnormale rendement. Saha en Ferrell achten het in dit verband zuiverder om te kijken naar de statistische significantie van het met het geobserveerde abnormale rendement corresponderende geldbedrag. Met behulp van methoden van wiskundige statistiek tonen zij vervolgens aan dat de test statistic behorend bij het abnormale rendement verschilt van de test statistic behorend bij het met dit rendement corresponderende geldbedrag. Hieruit leiden zij af dat wanneer het geobserveerde abnormale rendement statistisch significant is, dit niet automatisch hoeft te betekenen dat ook het corresponderende geldbedrag statistisch significant is. Zie uitgebreid Saha & Ferrell 2011. De analyse van Saha en Ferrell wordt echter fel bekritiseerd door Duarte-Silva & Tripolski Kimel 2014.
Zie hierover in de literatuur Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 573-579. Zie in dit verband ook de heldere uiteenzetting in de uitspraak In re American International Group, Inc. Securities Litigation, 265 F.R.D. 157, 182-185 (S.D.N.Y. 2010).
Met ‘significant afwijken van nul’ wordt bedoeld dat het geobserveerde abnormale rendement significant groter dan wel kleiner is dan nul.
In de Amerikaanse securities litigation-praktijk is het gebruikelijk om de nulhypothese dat het gemeten abnormale rendement significant afwijkt van nul tweezijdig te toetsen. Fisch, Gelbach & Klick bekritiseren deze praktijk en bepleiten dat deze hypothese eenzijdig moet worden getoetst, zie Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 590-594 en zie eerder reeds Gelbach, Helland & Klick 2009, p. 7-9. Zie in dit verband ook Brav & Heaton 2015, p. 591-592, voetnoot 21. Zie over de keuze tussen eenzijdig versus tweezijdig toetsen ook het processuele debat in de uitspraak In re Novatel Wireless Securities Litigation, 910 F. Supp. 2d 1209, 1216 (S.D. Ca. 2012).
Zie in dit verband ook In re American International Group, Inc. Securities Litigation, 265 F.R.D. 157, 183-184 (S.D.N.Y. 2010) en Tabak & Lee 2010, p. 2-3.
Zie hierover onder meer Macey 1991 e.a., p. 1037-1040; Mitchel & Netter 1994, p. 562-565; Bruegger & Dunbar 2009, p. 20-22; Gelbach, Helland & Klick 2009, p. 6.
De standaarddeviatie is een statistische grootheid die de spreiding van een variabele rond zijn gemiddelde meet.
Aangezien de werkelijke standaarddeviatie van de (onderliggende populatie van) abnormale rendementen niet bekend is, wordt in de praktijk meestal gebruik gemaakt van de zogenoemde ‘standard error of the regression’. Deze standard error of the regression staat voor de standaarddeviatie van de zogenoemde ‘residuen van de regressie’. De residuen van de regressie zijn de verschillen tussen enerzijds de actuele rendementen en anderzijds de voorspelde rendementen zoals die zijn verkregen via de regressie. De residuen zijn dus niets anders dan de abnormale rendementen gemeten over de estimation period. De standard error of the regression kan men daarom ook wel zien als een maatstaf voor de spreiding van de actuele rendementen rondom de voorspelde rendementen tijdens de estimation period.
De normale verdeling is een begrip uit de kansrekening. Voor natuurlijk voorkomende verschijnselen blijkt de normale verdeling een goede beschrijving te zijn van de frequentie waarmee bepaalde meetwaarden kunnen worden aangenomen. Daarom wordt bij het analyseren van een bepaalde statistische grootheid vaak een normale verdeling verondersteld voor de onderliggende populatieverdeling.
Op basis van methoden van wiskundige statistiek kan namelijk worden afgeleid dat wanneer de storingsterm (εt) van het marktmodel normaal is verdeeld, de te analyseren test-statistic Student’s t is verdeeld. De Student’s t-verdeling is voor reguliere steekproefgroottes op haar beurt weer (bij benadering) gelijk aan de standaard normale verdeling. Daarom mag men bij een normaal verdeelde storingsterm ook een normale verdeling veronderstellen voor de te analyseren test-statistic. Zie hierover onder meer Gelbach, Helland & Klick 2013, p. 496-497.
Wanneer de storingsterm (εt) niet normaal is verdeeld, is dat eigenlijk alleen problematisch bij event studies die betrekking hebben op één enkel event bij één enkele vennootschap (de zogenoemde ‘single-firm, single-event studies’). Bij event studies die betrekking hebben op meerdere events bij meerdere vennootschappen, doet de exacte kansverdeling van de storingsterm er eigenlijk niet zo veel toe. Bij de laatstgenoemde event studies mag men voor de te analyseren test-statistic namelijk ook een normale verdeling veronderstellen, wanneer de storingsterm (εt) niet normaal is verdeeld. Zie hierover onder meer MacKinlay 1997, p. 20-24; Gelbach, Helland & Klick 2013, p. 496-497. En zie over de verschillende statistische problemen waarmee men bij single-firm, single-event studies wordt geconfronteerd uitgebreid Fisch, Gelbach & Klick 2018; Gelbach, Helland & Klick 2013, p. 506-517; Dove, Heath & Heaton 2019; Hakala 2017, p. 1-6; Baker 2016, p. 1235-1238; Brav & Heaton 2015. Zie hierover in de rechtspraak onder meer de uitspraken In re Petrobras Securities Litigation, 862 F.3d 250, 278-279 (2d Cir. 2017); Strougo v. Barclays PLC, 312 F.R.D. 307, 321-322 (S.D.N.Y. 2016) (deze uitspraak is bevestigd door de Second Circuit, zie 875 F.3d 79 (2d Cir. 2017)); Carpenters Pension Trust Fund of St. Louis v. Barclays PLC, 310 F.R.D. 69, 84-86 (S.D.N.Y. 2015).
Zie in dit verband de doorwrochte studie Gelbach, Helland & Klick 2013. Zie in dit verband ook Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 594-599; Dove, Heath & Heaton 2019; Rinaudo & Saha 2014, p. 165-166. Zie echter kritisch over de analyse van de eerstgenoemde auteurs Baker 2016, p. 1246-1257.
In feite wordt hier getoetst of de berekende test-statistic negatiever of positiever is (al naar gelang een negatief dan wel een positief koerseffect wordt onderzocht) dan een bepaalde kritieke waarde van de normale of Student’s-t verdeling.
Zie over deze trade off uitgebreid Fox jr., Fox & Gilson 2013; Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 576-579 en p. 617-620. Zie hierover ook Brav & Heaton 2015, p. 597-599; Bruegger & Dunbar 2009, p. 20-21; Macey e.a. 1991, p. 1040-1041.
Zie over de type II-fout uitgebreid Brav & Heaton 2015, p. 593-597.
Ik benadruk dat een significantieniveau van 1% een hoger niveau van significantie is dan een niveau van 10%. Men kan dit aldus zien dat wanneer een bepaalde relatie als statistisch significant is aangemerkt, het waarschijnlijker is dat het veronderstelde verband in werkelijkheid ook echt bestaat, als de relatie statistisch significant is bij een niveau van 1%, dan wanneer zij slechts significant is bij een niveau van 10%.
Aldus Macey e.a. 1991, p. 1041.
Volgens Brav en Heaton doet de in de hoofdtekst genoemde trade off niet zo ter zake, omdat aan single-firm, single-event studies in algemene zin het nadeel kleeft dat zij gepaard gaan met een nogal hoge kans op type II-fouten, zie Brav & Heaton 2015, p. 593-605. Zie in dit verband ook Fox 2015, p. 446-447; Fish, Gelbach & Klick 2018, p. 576-579 en p. 617-620. Zie over de geringe ‘Power’ van single-firm, single-event studies in de rechtspraak de uitspraak Strougo v. Barclays PLC, 312 F.R.D. 307, 321-322 (S.D.N.Y. 2016) (deze uitspraak is bevestigd door de Second Circuit, zie 875 F.3d 79 (2d Cir. 2017)).
Aangezien voor het strafrecht a fortiori geldt dat de voorkeur wordt gegeven aan een kleine kans op type I-fouten boven een kleine kans op type II-fouten, zal in het strafrecht – in vergelijking met het civiele recht – voor een relatief nog hoger significantieniveau worden gekozen.
Zie in dit verband In re American International Group, Inc. Securities Litigation, 265 F.R.D. 157, 187 (S.D.N.Y. 2010) en Tabak & Lee 2010, p. 3.
Zie hierover onder meer Tabak & Lee, p. 4.
De kans met grootte (1 – p-waarde) wordt bij deze interpretatie dan gezien als de kans dat het veronderstelde verband in werkelijkheid wel bestaat.
Vgl. In re American International Group, Inc. Securities Litigation, 265 F.R.D. 157, 183-184 (S.D.N.Y. 2010).
Zie in dit verband ook Fisher 1980, p. 717.
In re American International Group, Inc. Securities Litigation, 265 F.R.D. 157 (S.D.N.Y. 2010).
In re American International Group, Inc. Securities Litigation, 265 F.R.D. 157, 187 (S.D.N.Y. 2010).
Aldus In re American International Group, Inc. Securities Litigation, 265 F.R.D. 157, 187 (S.D.N.Y. 2010). Zie in dit verband ook Tabak & Lee, p. 4.
a. De methodologie in het kort
De basisgedachte die aan een event study ten grondslag ligt, is relatief eenvoudig. In het kort komt deze op het volgende neer.1,2 Om te kunnen bepalen of bepaalde informatie van invloed was op de beurskoers, moet eerst worden vastgesteld – of beter gezegd: geschat – wat het aandelenrendement zou zijn geweest bij afwezigheid van deze informatie.3 Dit verwachte rendement wordt verkregen met behulp van statistische regressieanalyse: eerst wordt over een bepaalde controleperiode (de ‘estimation period’) een (historische) relatie geschat tussen enerzijds het rendement op het litigieuze aandeel en anderzijds het rendement op een bepaalde benchmark, vervolgens wordt aan de hand van deze geschatte relatie in combinatie met het in werkelijkheid op de benchmark gemeten rendement voorspeld wat het rendement op het litigieuze aandeel zou zijn geweest zonder de litigieuze informatie. Dit verwachte rendement wordt daarna vergeleken met het in werkelijkheid geobserveerde rendement, en gekeken wordt hoe groot het verschil is. Dit verschil noemt men het ‘abnormale’ of ‘excessieve’ rendement. Aangenomen dat het tijdstip waarop de onderzochte informatie de markt bereikte correct is geïdentificeerd, en aangenomen dat rondom dit tijdstip geen andere relevante bedrijfsspecifieke informatie werd gepubliceerd, wordt er voorshands van uitgegaan dat het abnormale rendement het koerseffect weerspiegelt van de onderzochte informatie. Vervolgens moet (statistisch) worden getoetst of het geobserveerde abnormale rendement inderdaad op deze informatie is terug te voeren, en of het niet louter op toeval berust. Dit doet men door te toetsen op statistische significantie. Kan het geobserveerde abnormale rendement als statistisch significant worden aangemerkt, dan wordt de nulhypothese dat dit rendement louter aan toeval is te wijten verworpen, en wordt aangenomen dat de geobserveerde koersreactie inderdaad door de litigieuze informatie is veroorzaakt.
Bij het uitvoeren van een event study kunnen grosso modo drie stappen worden onderscheiden: eerst wordt het tijdvak bepaald waarin de litigieuze informatie de markt bereikte (de zogenoemde ‘event window’), vervolgens wordt het over dit tijdvak behaalde abnormale rendement berekend, en daarna wordt getoetst of dit abnormale rendement statistisch significant is.4 Deze drie stappen worden hierna achtereenvolgens besproken.
b. Het vaststellen van de event window
De eerste stap in de event study is het bepalen van de event window.5 Wanneer de te onderzoeken mededeling voor de markt als een complete verrassing kwam en daar door de markt nog niet op was geanticipeerd, kan het begin van de event window gemakkelijk worden vastgesteld. De event window begint dan op de dag waarop de mededeling werd gepubliceerd. Wanneer de markt echter al geheel of gedeeltelijk op de litigieuze mededeling vooruit was gelopen, kan het relatief lastig zijn om het begin van de event window vast te stellen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer sprake was van een lek waardoor handel met voorkennis (eventueel in combinatie met geruchtenvorming) is ontstaan of wanneer de markt reeds vóór de officiële publicatie op eigen kracht tot een juiste voorstelling van zaken kwam.6 In dat geval zal het tijdstip moeten worden bepaald waarop marktpartijen bij hun transacties voor het eerst rekening begonnen te houden met de litigieuze informatie.7 Soms is het problematisch om dit tijdstip exact vast te kunnen stellen, aangezien dergelijke insider transacties niet altijd direct hoeven te resulteren in een zichtbare (en significante) koersreactie. Een eventuele oplossing voor dit probleem kan zijn om niet alleen naar de koersbewegingen voorafgaand aan de publicatie van de onderzochte mededeling te kijken, maar om deze koersbewegingen in samenhang te zien met ontwikkelingen in het handelsvolume van het litigieuze aandeel.8 Was in de dagen of weken voorafgaand aan de onderzochte mededeling immers sprake van een (statistisch significante) abnormale toename van het handelsvolume9 en kan deze toename niet worden verklaard door de publicatie van andere bedrijfsspecifieke informatie, dan is zeer aannemelijk dat de oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat bepaalde marktpartijen alvast op de publicatie van de litigieuze mededeling vooruit liepen.
Of het vaststellen van het einde van de event window al dan niet eenvoudig is, hangt ervan af hoe snel de nieuwe informatie beschikbaar komt, en hoe snel deze informatie (correct en volledig) in de koers wordt verwerkt. Meestal zal de nieuwe informatie door middel van één enkele mededeling bekend worden gemaakt, en zal zij in zeer kort tijdsbestek in de koers worden verwerkt. In zo’n geval kan het einde van de event window gemakkelijk worden vastgesteld.10 De event window eindigt dan op de handelsdag waarop de onderzochte mededeling werd gepubliceerd.11 En wanneer de mededeling nabeurs werd gepubliceerd, eindigt de event window op de eerstvolgende handelsdag. Overigens kan er in beide gevallen desgewenst voor worden gekozen om de event window één dag langer te laten duren, om er zeker van te zijn dat het volledige koerseffect van de litigieuze mededeling door de event window wordt omvat.12
Het komt echter ook nogal eens voor dat de markt de nieuwe informatie niet meteen op waarde kan schatten, en zij enkele dagen nodig heeft om de nieuwe informatie op correcte (en volledige) wijze in de koers te verwerken.13 Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin naar aanleiding van de corrigerende mededeling een paniekreactie plaatsvindt, en waarin het enkele dagen duurt voordat de koers zich heeft hersteld.14 In zo’n geval moet de event window met een aantal handelsdagen worden verlengd om haar mede de periode te laten omvatten waarover het koersherstel plaatsvindt. Zou men dat niet doen en zou de event window ‘gewoon’ worden afgekapt op de handelsdag waarop de corrigerende mededeling werd gepubliceerd (of op de eerste daaropvolgende handelsdag), dan zou de paniekreactie an sich worden aangemerkt als het koerseffect van de litigieuze informatie, en zou het nadien ingetreden koersherstel ten onrechte buiten beschouwing worden gelaten.
In de situatie waarin de markt enkele dagen nodig heeft om de nieuwe informatie op waarde te schatten, kan het overigens wel problematisch zijn om vast te stellen wanneer nu precies alle informatie (juist en volledig) in de koers is verwerkt.15 Een eventuele oplossing voor dit probleem kan zijn om te kijken naar ontwikkelingen in het handelsvolume van het litigieuze aandeel.16 Zolang na publicatie van de litigieuze mededeling immers nog abnormale volumebewegingen worden geobserveerd, en deze volumebewegingen niet kunnen worden verklaard door de publicatie van andere bedrijfsspecifieke informatie, is aannemelijk dat de markt nog bezig is de nieuwe informatie te absorberen. Een andere oplossing kan gelegen zijn in het uitvoeren van een zogenoemde ‘content analysis’.17 Bij deze oplossing wordt gekeken naar berichten in de (sociale) media en/of analistenrapporten die rondom de publicatie van de litigieuze mededeling over de onderzochte vennootschap zijn verschenen, teneinde te achterhalen hoe lang het duurt voordat de markt de nieuwe informatie volledig heeft verwerkt.18 De gedachte is dat zolang in de (sociale) media en/of door analisten nog over de litigieuze informatie wordt gerapporteerd, de markt kennelijk nog bezig is de nieuwe informatie tot zich te nemen.19
Wanneer wordt overwogen om de event window met een aantal dagen uit te breiden, is het van belang te beseffen dat men bij het bepalen van de lengte van de event window wordt geconfronteerd met een zogenoemde ‘trade-off’.20 Aan de ene kant is het wenselijk om de event window een zo lang mogelijke periode te laten beslaan, omdat men dan zeker weet dat het volledige koerseffect dat met de litigieuze informatie verband houdt, in kaart wordt gebracht. De keerzijde van een lang(er) event window is echter dat de kans dat tijdens de event period ook andere bedrijfsspecifieke informatie en/of ruis op de koers inwerken (het betreft hier zogenoemde ‘confounding events’), aanzienlijk toeneemt.21 Bij (de aanwezigheid van) dergelijke confounding events zal het in beginsel moeilijker zijn om het koerseffect van de litigieuze informatie te isoleren van de andere informatie die op de koers inwerkt.
In het licht van deze trade-off benadruk ik dat het kiezen van de juiste event window één van de meest cruciale onderdelen van de event study is.22 Voor de uitkomst van de event study kan het immers nogal een verschil maken of een iets langer dan wel een iets korter event window wordt gekozen, en ook kan het uitmaken waar precies in het tijdvak van de misleiding de event window wordt geplaatst.23 Hierbij moet worden aangetekend dat de uitkomst van de event study in het algemeen gevoeliger zal zijn voor de keuze van de (lengte en ligging van de) event window, dan voor bijvoorbeeld de keuze van de – hierna sub c te bespreken – estimation window.24 Het kiezen van de juiste event window is dan ook het onderdeel van de event study waar in het processuele debat over de koersinvloed van de litigieuze informatie doorgaans de meeste onzekerheid (en derhalve discussie) over bestaat. Ter illustratie van deze onzekerheid noem ik hier nog een drietal situaties waarin het vaststellen van de correcte (lengte en ligging van de) event window problematisch kan zijn, en waarin dat dus de nodige aandacht behoeft.
In de eerste plaats wijs ik op de situatie waarin de misleiding door verschillende opeenvolgende (expliciete of impliciete) corrigerende mededelingen bekend wordt gemaakt. De corrigerende mededelingen zijn met andere woorden zogenoemde ‘partiële’ corrigerende mededelingen.25 Twee scenario’s kunnen in dit verband worden onderscheiden.26 In de eerste plaats kan uit latere (corrigerende) mededelingen blijken dat de omvang van de misleiding groter is dan aanvankelijk (naar aanleiding van eerste corrigerende mededeling) werd verwacht. In dat geval zal de koers in reactie op deze nieuwe informatie verder dalen. In de tweede plaats kan uit latere mededelingen echter ook blijken dat de misleiding kleiner is dan aanvankelijk werd gedacht. In dat geval zal de koers in reactie op dit nieuws stijgen. De complicatie die zich bij verschillende opeenvolgende corrigerende mededelingen voordoet, is dat niet kan worden volstaan met (het analyseren van de koersreactie in) één enkel event window. In plaats daarvan moet men werken met verschillende event windows, en wel zodanig dat rondom het tijdstip van elke partiële corrigerende mededeling een afzonderlijk event window wordt geconstrueerd. Vervolgens moet in elke afzonderlijke event window de koersreactie die verband houdt met de desbetreffende partiële mededeling worden geanalyseerd.
In de tweede plaats wijs ik op het scenario dat bekend staat als het ‘uitdoven’ van de koersinflatie als gevolg van het bekend worden van de ware financiële toestand van de vennootschap. Zoals beschreven in hoofdstuk 4, doet dit scenario zich voor wanneer de vennootschap, na gedurende een bepaalde periode de resultaten te rooskleurig te hebben voorgesteld, op een gegeven moment weer correcte resultaten is gaan publiceren, zonder dat zij daar een expliciete winstwaarschuwing aan vooraf heeft laten gaan.27 Als sindsdien verschillende periodes zijn verstreken waarover de vennootschap correcte winstcijfers heeft gepubliceerd, hebben voor de huidige aandelenkoers de misleidende cijfers inmiddels hun relevantie verloren. De koersinflatie die zich aanvankelijk als gevolg van de misleiding had gevormd, is dan geleidelijk ‘uitgedoofd’. Evenals in de hiervoor beschreven situatie, zal ook in dit scenario moeten worden gewerkt met verschillende event windows. De eerste event window zal moeten worden geconstrueerd rondom het tijdstip waarop de vennootschap voor het eerst weer correcte resultaten ging publiceren. Vervolgens kan iedere daaropvolgende publicatie van (correcte) resultaten worden beschouwd als een soort impliciete corrigerende mededeling en kan rondom elke corrigerende mededeling een afzonderlijk event window worden geconstrueerd. De laatste event window wordt geconstrueerd rondom het tijstip van de corrigerende mededeling waarmee het laatste stukje koersinflatie uit de koers liep. In de praktijk zal het niet zelden lastig zijn deze laatste corrigerende mededeling (correct) te identificeren. Afgezien van de complicatie dat in dit scenario met verschillende event windows moet worden gewerkt, doet zich in dit scenario nog een ander probleem voor. Dat probleem is dat de koersreactie die over de verschillende event windows wordt gemeten niet alleen het koerseffect weerspiegelt van het (gedeeltelijk) uit de koers lopen van de koersinflatie, maar tevens het koerseffect van de andere bedrijfsspecifieke informatie die met de desbetreffende publicatie van financiële resultaten naar buiten kwam. Aangezien men alleen geïnteresseerd is in het eerstgenoemde koerseffect, zullen beide effecten van elkaar moeten worden geïsoleerd. Over dit probleem kom ik in § 8.4.2.4 nader te spreken.
In de derde plaats wijs ik op de situatie waarin de ware financiële toestand van de vennootschap door kleine stukjes (correcte) informatie geleidelijk aan het licht komt.28 In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het scenario dat bekend staat als ‘walking down the stock price’. Zoals beschreven in hoofdstuk 4, houdt dit scenario in dat de vennootschap stapje voor stapje informatie publiceert waaruit het beleggende publiek (althans, het professionele deel daarvan) kan afleiden dat de huidige beurskoers te hoog is.29 Arbitrageurs en andere professionele beleggers zullen op deze nieuw verkregen informatie gaan handelen, met als gevolg dat de koersinflatie geleidelijk zal afnemen. De complicatie die zich in dit scenario voordoet, is dat de misleiding over een relatief lange periode naar buiten komt, zodat in eerste instantie sprake is van een relatief groot event window. Hierdoor is de aanzienlijke kans aanwezig dat de beurskoers in deze periode ook wordt beïnvloed door andere bedrijfsspecifieke informatie. Om ondanks de relatief lange periode waarover de misleiding bekend wordt het koerseffect van de litigieuze informatie toch zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen, moet men proberen om de verschillende tijdstippen waarop de vennootschap met informatie naar buiten kwam, zo goed mogelijk te identificeren.30 Als dat lukt, is de volgende stap dat rondom elk geïdentificeerd tijdstip een apart event window wordt geconstrueerd, en dat voor elke afzonderlijke event window de koersreactie die verband houdt met het desbetreffende stukje litigieuze informatie wordt geanalyseerd. Door in plaats van met één groot event window met verschillende kleine ‘sub event windows’ te werken, kunnen op deze wijze de nadelen van een groot event window dus worden vermeden.
c. Berekenen abnormale rendement door te corrigeren voor de koersinvloed van markt- en/of sectorspecifieke factoren
1. Het marktmodel
Wanneer de event window eenmaal is vastgesteld, is de volgende stap in de event study om over de event period het zogenoemde ‘abnormale rendement’ te berekenen, dat wil zeggen het rendement dat is terug te voeren op de litigieuze informatie (ervan uitgaande dat er in deze periode geen andere bedrijfsspecifieke informatie werd gepubliceerd).31 Dit abnormale rendement wordt verkregen door de over de event period geobserveerde koersreactie te corrigeren voor (het koerseffect veroorzaakt door) markt- en/of sectorspecifieke factoren. In de praktijk vindt deze correctie meestal plaats aan de hand van het zogenoemde ‘marktmodel’.32 Het marktmodel is een statistisch-theoretisch model dat een relatie veronderstelt tussen enerzijds het rendement van het litigieuze aandeel en anderzijds het rendement op een markt- en/of sector-index. Algebraïsch ziet dit model er als volgt uit:33
waarbij rt, Mt en It staan voor respectievelijk het rendement gemeten over periode t op het litigieuze aandeel, een relevante marktindex en een relevante sectorindex, waarbij α, β1 en β2 de modelparameters zijn, en waarbij εt staat voor de storingsterm, die niet is gecorreleerd met (het rendement op) de marktindex of de sector-index en die een verwachtingswaarde heeft van nul. In het marktmodel wordt dus ervan uitgegaan dat het rendement van het litigieuze aandeel een lineaire functie is zowel van het marktrendement als het sectorrendement. Hierbij is parameter β1 een maatstaf voor de gevoeligheid van het eerstgenoemde rendement voor het marktrendement, en parameter β2 een maatstaf voor de gevoeligheid van dit rendement voor het sectorrendement.34 Verder merk ik op dat het in de praktijk gebruikelijk is om de genoemde rendementen te meten over het tijdsinterval van één dag (het onderschrift t staat dus voor de duur van één handelsdag), maar dat het desgewenst ook mogelijk is om de rendementen te meten over een korter dan wel langer tijdsinterval (bijvoorbeeld per uur of per minuut respectievelijk per week of per maand).
Het marktmodel wordt geschat met behulp van zogenoemde ‘regressieanalyse’. Regressieanalyse is een statistische techniek die kan worden gebruikt om de samenhang te meten tussen een bepaalde te onderzoeken grootheid (de zogenoemde ‘afhankelijke variabele’) en een of meer andere variabelen (de zogenoemde ‘onafhankelijke variabelen’).35 Toepassing van regressieanalyse op het marktmodel houdt dus in dat een relatie wordt geschat tussen enerzijds het rendement op het litigieuze aandeel en anderzijds het marktrendement en het sectorrendement. Bij het schatten van deze relatie zal – naast de keuze voor (lengte en ligging van) de event window – een tweetal nieuwe keuzes in de analyse moeten worden gemaakt. In de eerste plaats zal een keuze moeten worden gemaakt voor het tijdvak waarover deze relatie wordt geschat. In de tweede plaats zal een keuze moeten worden gemaakt voor de markt- en sector-index die in de regressie worden gebruikt als verklarende variabelen. Over beide keuzes kom ik hierna nog te spreken.
Als het marktmodel eenmaal is geschat, kan aan de hand van de geschatte parameters α, β1 en β2 in combinatie met het in werkelijkheid geobserveerde markt- en sectorrendement worden voorspeld wat het rendement zou zijn geweest bij afwezigheid van de litigieuze informatie. Dit verwachte rendement wordt vervolgens vergeleken met het actuele rendement op het litigieuze aandeel, en het verschil betreft het abnormale rendement.36,37 Algebraïsch ziet dit er als volgt uit:
waarbij art staat voor het abnormale rendement op het onderzochte aandeel over periode t.
Zoals hierboven sub b uiteengezet, is het niet ongebruikelijk dat de event window meer dan één handelsdag beslaat. Als men in zo’n geval de koersinvloed van de litigieuze informatie wil bepalen, kan niet worden volstaan met het berekenen van het abnormale rendement op één enkele handelsdag. In plaats daarvan moet over de gehele event window het zogenoemde ‘cumulative abnormal return’ (‘CAR’) worden berekend.38 Dit houdt in dat eerst voor alle dagen uit de event period afzonderlijk het abnormale rendement wordt berekend, en dat vervolgens de afzonderlijke abnormale rendementen van de verschillende event days worden gecumuleerd.39 Algebraïsch ziet dit er als volgt uit:
waarbij T staat voor het totaal aantal dagen in de event window.40 Bij een event period die meer dan één handelsdag omvat, meet de CAR dus het totale koerseffect van de litigieuze informatie.
2. Keuze van de ‘estimation window’
Alvorens het marktmodel te kunnen schatten, zal zoals gezegd eerst een keuze moeten worden gemaakt voor de periode waarover de relatie tussen het rendement op het litigieuze aandeel en het markt- en sectorrendement wordt geschat (de zogenoemde ‘estimation window’ of ‘estimation period’).41 Deze keuze omvat twee deelkeuzes. In de eerste plaats zal een keuze moeten worden gemaakt over de ligging van de estimation window, in de tweede plaats zal een keuze moeten worden gemaakt over de lengte van de estimation window.42 Over de ligging van de estimation window merk ik op dat het wenselijk is voor deze periode een tijdvak te kiezen dat zo dicht mogelijk in de buurt ligt van de event period.43 De reden hiervoor is dat de (statistische) relatie tussen het rendement op het litigieuze aandeel en het markt- en sectorrendement in de tijd kan veranderen.44 Wanneer voor de estimation period dus een tijdvak zou worden gekozen dat (in de tijd gezien) ver is verwijderd van de event period, bestaat het reële gevaar dat de over de estimation period geschatte relatie niet representatief (meer) is voor de relatie die bestond ten tijde van de event period. Dit zou als consequentie kunnen hebben dat de (uitkomst van de) event study onbetrouwbaar wordt.
Ervan uitgaande dat het mogelijk is een estimation period te kiezen die in de buurt ligt van de event period, is vervolgens de vraag hoe de estimation window precies wordt geconstrueerd. Hiervoor bestaan grosso modo drie mogelijkheden.45 Ten eerste kan de estimation window worden geplaatst vlak vóór het tijdvak van de event window, ten tweede kan zij worden geplaatst rondom het tijdvak van de event window, ten derde kan zij worden geplaatst vlak na het tijdvak van de event window. In de praktijk wordt meestal gekozen voor de eerstgenoemde optie, maar ook de tweede en derde optie komen wel voor. Een situatie waarin voor de tweede optie wordt gekozen, is wanneer in de event study met verschillende event windows wordt gewerkt, waarbij de afzonderlijke event windows over een wat langere periode zijn gespreid (zie voor verschillende scenario’s waarin dat het geval kan zijn hierboven sub b). Om in zo’n situatie een representatieve schatting van het marktmodel te krijgen, ligt het voor de hand om de estimation window rondom de verschillende event windows te plaatsen, en wel zodanig dat de periodes die tussen de verschillende event windows liggen, door de estimation window worden omsloten. Een situatie waarin voor de derde optie wordt gekozen, is wanneer er voor de periode die is gelegen vóór de event period onvoldoende handelsdagen (en derhalve koersdata) beschikbaar zijn om daarbinnen een estimation window te construeren die voldoende lang is (lees: voldoende handelsdagen bevat) om betrouwbare schattingen te krijgen.46 In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de event period kort volgt (bijvoorbeeld aantal dagen of weken) op het tijdstip van een beursintroductie.47 Aangezien er bij een beursintroductie voor de periode vlak na de event window waarschijnlijk wel voldoende handelsdagen beschikbaar zijn, ligt het in zo’n geval voor de hand om de estimation window na het tijdvak van de event window te plaatsen. Een andere situatie waarin het de voorkeur verdient om de estimation window na het tijdvak van de event window te plaatsen, is wanneer de periode vóór de event window qua beleggerssentiment en volatiliteit niet overeenkomt met – en derhalve niet representatief is voor – de event period.48 In zo’n geval is de relatie tussen het rendement op het litigieuze aandeel en het markt- en sectorrendement in de periode vóór de event window immers niet representatief voor de relatie tussen deze variabelen ten tijde van de event window.
Over de lengte van de estimation period merk ik op dat hier – evenals bij de lengte van de event window het geval was – wederom sprake is van een ‘trade-off’.49 Aan de ene kant geldt dat hoe langer de estimation window is, hoe meer handelsdagen met koersdata zij bevat, en dus hoe accurater de schatting van het marktmodel. Aan de andere kant geldt dat hoe verder het begin- of eindpunt van de estimation window (in de tijd gezien) is verwijderd van de event period, hoe waarschijnlijker het is dat de over de estimation period geschatte relatie niet representatief meer is voor de relatie ten tijde van de event period.50
3. Keuze van de markt- en sectorindex
Om het marktmodel te kunnen schatten, zal tevens nog een keuze moeten worden gemaakt voor de (samenstelling van de) markt- en sector-index die in de regressie worden gebruikt als verklarende variabelen.51 Over de keuze van de marktindex zal doorgaans geen discussie bestaan. In de Verenigde Staten ligt het voor de hand om te kiezen voor een standaard marktindex als de S&P 500 of de Dow Jones, in Nederland ligt het voor de hand om te kiezen voor de AEX. De keuze van de juiste sector-index is echter minder triviaal. Dit omdat niet altijd een standaard sector-index beschikbaar zal zijn, en als die wel beschikbaar is, hoeft deze niet zonder meer geschikt te zijn voor de in het concrete geval uit te voeren regressie (bijvoorbeeld omdat het profiel van de onderzochte beursvennootschap te veel afwijkt van het profiel van (een deel van) de vennootschappen uit de index). De consequentie hiervan is dat over de juiste samenstelling van de sector-index de nodige discussie zal bestaan.52
Een eerste manier om de discussie over de juiste samenstelling van de sector-index te beslechten, is door gebruik te maken van openbare (en objectieve) informatiebronnen.53 Men kan bijvoorbeeld kijken naar de vennootschappen die in het (halfjaarlijkse) bestuursverslag door de onderzochte beursvennootschap zelf als haar peers worden genoemd en/of naar de vennootschappen die in analistenrapporten als haar peers worden aangemerkt, en aan de hand van deze vennootschappen een eigen sector-index samenstellen.54 En indien wel standaard sector-indices beschikbaar zijn, kan ook worden gekeken naar de samenstelling van deze indices en aan de hand daarvan een passende sector-index samenstellen.55 Desgewenst is het uiteraard ook mogelijk deze standaard indices ‘gewoon’ integraal over te nemen.
Een andere manier om duidelijkheid te krijgen over de juiste (samenstelling van de) sector-index, is door te kijken naar de mate waarin het rendement op het litigieuze aandeel en het sector-rendement met elkaar samenhangen.56 De sterkte van deze samenhang kan worden gemeten door over de zojuist gekozen estimation period een (voorlopige) regressieanalyse uit te voeren naar de relatie tussen enerzijds het rendement op het litigieuze aandeel en anderzijds het rendement op de reeds geselecteerde marktindex en het rendement op de nog te selecteren sector-index (bedoeld wordt de sector-index die men overweegt te gebruiken in de definitieve regressieanalyse), en door vervolgens te kijken naar de zogenoemde ‘R-squared’ van de regressie.57 De R-squared is een standaard output statistic van elke regressie en vormt een maatstaf voor de sterkte van de relatie tussen de afhankelijke variabele (in dit geval het rendement op het litigieuze aandeel) en de verklarende variabelen (in dit geval het marktrendement en het sectorrendement).58 In het algemeen geldt hoe groter de R-squared, hoe sterker deze relatie. Een andere maatstaf om de sterkte van de relatie tussen het rendement op het litigieuze aandeel en (specifiek) het sectorrendement te beoordelen, is de grootte van de (in voormelde regressie) geschatte parameter behorend bij het sectorrendement (parameter β̂̂2).59 Deze parameter meet zoals ik al opmerkte de gevoeligheid van het rendement van het litigieuze aandeel voor het sectorrendement. Hoe groter deze parameter (of anders gezegd: hoe meer (statistisch) significant deze parameter afwijkt van nul), hoe sterker voormelde relatie.
d. Het toetsen op statistische significantie
Als het over de event period gemeten actuele rendement afwijkt van het (op basis van de regressieanalyse) verwachte rendement (dus als het gemeten abnormale rendement groter of kleiner is dan nul), wil dat uiteraard nog niet meteen zeggen dat de litigieuze informatie de beurskoers ook daadwerkelijk heeft beïnvloed. Een positieve of negatieve koersuitslag is immers een normaal (en dagelijks voorkomend) verschijnsel op de beurs, en zo’n koersuitslag kan zich ook voordoen wanneer er op de desbetreffende handelsdag in het geheel geen (relevant) nieuws werd gepubliceerd.60 Om te kunnen beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van een causaal verband tussen (het publiceren van) de litigieuze informatie en het geobserveerde abnormale rendement, moet men daarom toetsen of dit rendement statistisch significant is.61 Dit houdt in dat wordt gekeken of de absolute waarde van het geobserveerde abnormale rendement zodanig groot (en daarmee uitzonderlijk) is, dat – statistisch gezien – kan worden uitgesloten dat het hier louter om een toevalstreffer gaat.62 ,63
De procedure voor het toetsen van statistische significantie is als volgt.64 Eerst wordt de zogenoemde ‘nulhypothese’ opgesteld (deze duidt men meestal aan met H0). Deze nulhypothese luidt dat het geobserveerde abnormale rendement niet significant afwijkt van nul. Anders gezegd luidt de nulhypothese dat het geobserveerde abnormale rendement niet werd veroorzaakt door de litigieuze informatie, en dat dit louter een toevalstreffer was. Deze nulhypothese wordt getoetst tegen de tweezijdige alternatieve hypothese dat het geobserveerde abnormale rendement wel significant afwijkt van nul,65 dan wel – indien de onderzoeksvraag daar aanleiding toe geeft – tegen de eenzijdige alternatieve hypothese dat het geobserveerde abnormale rendement significant kleiner is dan nul (of wanneer wordt verondersteld dat de litigieuze informatie een positief koerseffect heeft, tegen de eenzijdige alternatieve hypothese dat het geobserveerde abnormale rendement significant groter is dan nul).66
Vervolgens wordt de zogenoemde ‘probability value’ (‘p-value’) berekend. De p-value (in het Nederlands: p-waarde of overschrijdingskans) van een gegeven steekproefuitkomst is de kans om een uitkomst zo extreem als, of extremer dan, de actuele steekproefuitkomst te krijgen ervan uitgaande dat de nulhypothese juist is.67 Om deze p-waarde te kunnen berekenen, moet het geobserveerde abnormale rendement eerst worden getransformeerd naar een standaard test-statistic.68 Deze transformatie houdt in dat eerst het onder de nulhypothese verwachte abnormale rendement (bedoeld wordt het verwachte abnormale rendement onder de aanname dat de nulhypothese juist is) van het geobserveerde abnormale rendement wordt afgetrokken, en dat vervolgens dit verschil wordt gedeeld door de standaarddeviatie van de (onderliggende populatie van) abnormale rendementen.69 Het resultaat is de te analyseren test-statistic (de test-statistic wordt meestal aangeduid met de hoofdletter Z of de hoofdletter T, al naar gelang wordt uitgegaan van een normale dan wel een Student’s t-verdeling). Algebraïsch kan dit als volgt worden uitgedrukt:
waarbij art staat voor het geobserveerde abnormale rendement, E[art | H0] staat voor het verwachte abnormale rendementen onder de aanname dat de nulhypothese juist is, en σ staat voor de standaarddeviatie van de onderliggende populatieverdeling van abnormale rendementen.70 Om de aldus berekende test-statistic vervolgens te kunnen vertalen naar een p-waarde, moet bekend zijn wat de onderliggende statistische verdeling van de test-statistic is. In de Amerikaanse praktijk wordt meestal uitgegaan van een zogenoemde ‘normale verdeling’.71 Zolang men aanneemt dat de storingsterm (εt) van het marktmodel normaal is verdeeld, is dat een plausibel uitgangspunt.72 Aan de hand van de bekende grenswaarden (ook wel genoemd ‘kritieke waarden’) van de standaard normale verdeling, kan aan de verkregen test-statistic vervolgens een p-waarde worden toegekend. Is in werkelijkheid echter niet voldaan aan de aanname van een normaal verdeelde storingsterm (εt), dan mag men ook voor de te analyseren test-statistic niet van een normale verdeling uitgaan.73 In dat geval verdient het de voorkeur om gebruik te maken van methoden van zogenoemde ‘non- parametrische’ statistiek.74 Dit laatste laat ik hier verder rusten.
Is de berekende p-waarde kleiner dan een vooraf gekozen significantieniveau (meestal wordt gekozen voor een niveau van 5%), dan betekent dit dat het geobserveerde abnormale rendement – onder de aanname dat de nulhypothese juist is, dus onder de aanname dat de litigieuze informatie geen koersinvloed had – als te extreem (of anders gezegd: als te toevallig) wordt ervaren.75 De nulhypothese wordt dan verworpen met als gevolg dat het geobserveerde rendement als statistisch significant wordt aangemerkt. Dit betekent dat statistisch gezien het koerseffect wordt geacht door de litigieuze informatie te zijn veroorzaakt. Is de berekende p-waarde daarentegen groter dan het gekozen significantieniveau, dan wordt het geobserveerde abnormale rendement niet als te extreem ervaren. In dat geval kan de nulhypothese niet worden verworpen en wordt het geobserveerde rendement niet als statistisch significant aangemerkt.
Wat de keuze van het significantieniveau betreft waartegen de nulhypothese wordt getoetst, is het van belang op te merken dat deze keuze in essentie een ‘trade off’ impliceert tussen twee typen fouten.76 De eerste fout is dat de nulhypothese ten onrechte wordt verworpen, met andere woorden dat ten onrechte wordt aangenomen dat de litigieuze informatie de beurskoers heeft beïnvloed, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. Deze fout noemt men een zogenoemde ‘type I-fout’. De tweede fout is dat de nulhypothese ten onrechte niet wordt verworpen, met andere woorden dat ten onrechte wordt aangenomen dat de litigieuze informatie de beurskoers niet heeft beïnvloed, terwijl dat in werkelijkheid wel het geval was. Deze fout noemt men een zogenoemde ‘type II-fout’.77 De kans op een type I-fout kan worden gereduceerd door in de bovengenoemde procedure te kiezen voor een relatief hoog significantieniveau. Zo zal de kans op het begaan van een type I-fout kleiner zijn wanneer bijvoorbeeld wordt gekozen voor een significantieniveau van 1%, dan wanneer wordt gekozen voor een significantieniveau van 10%.78 De keerzijde van de keuze voor een hoger significantieniveau (en daarmee voor een kleinere kans op een type I-fout) is echter – en dat is ook precies de trade off waar het hier om gaat – dat de kans op een type II-fout hierdoor toeneemt.79 Als het namelijk onwaarschijnlijker wordt dat ten onrechte een causaal verband wordt aangenomen tussen de litigieuze informatie en het geobserveerde koerseffect, waar dit verband in werkelijkheid niet bestaat, zal het tegelijkertijd waarschijnlijker worden dat ten onrechte geen causaal verband wordt aangenomen waar dit verband in werkelijkheid wel bestaat.80 Aangezien in het aansprakelijkheidsrecht een kleine kans op type I-fouten in het algemeen belangrijker wordt gevonden dan een kleine kans op type II-fouten, is het gebruikelijk om in aansprakelijkheidsprocedures voor een relatief hoog significantieniveau te kiezen.81 In de Amerikaanse securities litigation-praktijk wordt meestal gekozen voor een significantieniveau van 5% (maar ook een significantieniveau van 1% of 10% komt wel voor).82 Vijf procent is overigens ook het significantieniveau dat binnen de financieel-economische wetenschap als standaard wordt gehanteerd.
Tot slot wijs ik er nog op dat in de praktijk nog wel eens verwarring bestaat over de juiste betekenis van de p-waarde in relatie tot het begrip statistische significantie.83 Zo komt men nog wel eens tegen dat de p-waarde wordt geïnterpreteerd als de kans dat de nulhypothese juist is, met andere woorden als de kans dat het veronderstelde verband in werkelijkheid niet bestaat.84 Deze interpretatie berust op een hardnekkig misverstand. Bij deze interpretatie wordt namelijk miskend dat de p-waarde niet meer (en niet minder) is dan een conditionele kans, namelijk de kans om een uitkomst zo extreem als, of extremer dan, de actuele steekproefuitkomst te krijgen ervan uitgaande dat de nulhypothese juist is. De berekende p-waarde (of het gekozen significantieniveau) hoeft dus op zichzelf niet zoveel te zeggen over de kans dat de nulhypothese juist is.85 Het doel van het uitvoeren van een event study is dan ook uitdrukkelijk niet om aan de (aannemelijkheid van de) nulhypothese een bepaalde kans toe te kennen.86 Illustratief voor de hier bedoelde verwarring was een door de eisende beleggers ingebracht deskundigenbericht in de zaak In re American International Group, Inc. Securities Litigation (‘In re AIG’).87 De uitkomst van de event study die in dit deskundigenbericht centraal stond, was dat de p-waarde van de (naar aanleiding van de corrigerende mededeling) geobserveerde koersreactie kleiner was dan een (vooraf gekozen) significantieniveau van 10%.88 De deskundige verbond hieraan de conclusie dat er een kans was van (minstens) 90% dat de koersreactie inderdaad door de litigieuze informatie was veroorzaakt, en dat er een kans was van (hoogstens) 10% dat de koersreactie niet door de litigieuze informatie was veroorzaakt. Gegeven het feit dat de (bij de gemeten koersreactie behorende) p-waarde wordt berekend onder de aanname dat de nulhypothese juist is, is dit dus een verkeerde interpretatie van de (uitkomst van de) event study.89 De enige (juiste) conclusie die in dit geval kan worden getrokken, is dat uitgaande van deze aanname de geobserveerde koersreactie als te extreem moet worden aangemerkt (althans bij een significantieniveau van 10%). Anders gezegd: bij een significantieniveau van 10% is sprake van een statistisch significant (causaal) verband tussen de geobserveerde koersreactie en de litigieuze informatie.