Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.2.3.4
15.2.3.4 Voorwaarde a: geen overdracht aan een persoon die een beroep kan doen op art. 5:71 lid 1 Wft
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368844:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid over die vrijstelling hierna § 15.2.6.3.
NvT, Stb. 2008/27, p. 7.
Het is dus niet zo dat een voorwaarde voor het vervallen van de gratiemogelijkheid is dat de vrijgestelde verkrijger – in dit geval de vrijgestelde groepsmaatschappij – overwegende zeggenschap heeft verworven, vgl. Josephus Jitta 2013 (T&C Ondernemingsrecht Effectenrecht), art. 5:72 Wft, aant. 2b
Het enkele aanwijzen van een “bieder” is dus niet voldoende, vgl. De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 5:81 Wft, aant. 6.5.
In kritische zin Doorman 2008-2, p. 517-518.
Zie eerder hierover Grundmann-van de Krol 2012-1, p. 479.
Het verlies van overwegende zeggenschap mag niet het gevolg zijn van overdracht van het belang aan een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die een beroep kan doen op een van de vrijstellingen van art. 5:71 lid 1 Wft (art. 5:72 lid 1 sub a Wft). In de toelichting is opgemerkt dat zonder deze voorwaarde op eenvoudige wijze van de biedplicht kan worden afgekomen door het belang over te dragen aan een vrijgestelde groepsvennootschap; in materiële zin blijft immers de overwegende zeggenschap binnen de groep voortbestaan.1
Als gezegd blijft in mijn ogen hoe dan ook overwegende zeggenschap bestaan bij een intra-groepsoverdracht en is van “verlies” van overwegende zeggenschap geen sprake (zie hiervoor § 15.2.3.2).
Hoe dit ook zij, opmerkelijk is dat de voorwaarde sub a enkel ziet op overdracht aan een persoon die op de voet van art. 5:71 lid 1 Wft is vrijgesteld en niet op vrijstellingen uit anderen hoofde. Betekent dit nu dat een overdracht aan een groepsmaatschappij, die op grond van art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit is vrijgesteld van de biedplicht,2 mogelijk is zonder stuiting van het verval van de biedplicht? Ik zou menen van niet. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit dient te worden gelezen in samenhang met art. 5:71 lid 1 sub h Wft.3 Betoogd kan worden dat dit ook andersom geldt: waar art. 5:71 lid 1 sub h Wft staat moet worden gelezen art. 2, lid 2 Vrijstellingsbesluit. Maar, zelfs als men hier anders over denkt is er geen sprake van benadeling van minderheidsaandeelhouders. Aan de vrijstelling van art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit is immers de voorwaarde verbonden dat een daartoe aangewezen groepsmaatschappij de biedplicht nakomt (lid 4).4 Voldoet die groepsmaatschappij niet daaraan5, dan blijft de biedplicht op alle groepsmaatschappijen rusten (§ 15.2.6.3).
Eveneens opmerkelijk is dat de voorwaarde sub a ziet op iedere op de voet van art. 5:71 lid 1 Wft vrijgestelde derde; de oorspronkelijke bedoeling was de voorwaarde te beperken tot de overdracht aan een groepsmaatschappij.6 Toen deze voorwaarde werd geïntroduceerd is dit wel in de artikelen betreffende wijziging van de Wte 1995 verwerkt, maar niet in het “parallelle” art. 5:72 lid 1 Wft.7 Ook de toelichting op deze wijziging gaat (enkel) van dat laatste uit.