Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.4.3
7.4.3 Termijn voor indiening van het verzoek
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652165:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. OK 22 maart 2005 (r.o. 3.12), JOR 2005/176 (Van Doorn); OK 26 oktober 2017, JOR 2018/69, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Inter-Burgo). Zie ook Geerts 2004, p. 226; Geerts 2006, p. 61-62; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/779.
OK 24 maart 2017, ARO 2017/98 (Inter-Burgo).
OK 26 oktober 2017 (r.o. 4.3-4.4), JOR 2018/69, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Inter-Burgo).
Van der Vlis 1997, p. 227; Van der Vlis 2000, p. 312.
Duynstee (onder 12) in zijn annotatie bij OK 26 oktober 2017, JOR 2018/69 (Inter-Burgo).
Geerts (onder 8) in zijn annotatie bij OK 19 juni 1997, TVVS 1997, p. 253 (Bobel); Geerts 2004, p. 226.
Duynstee (onder 13-15) in zijn annotatie bij OK 26 oktober 2017, JOR 2018/69 (Inter-Burgo).
Vgl. Assink/Slagter 2013, p. 1804, die betoogt dat de verjaringstermijn van art. 3:310 BW, die volgens hem analoog kan worden toegepast, start na deponering van het onderzoeksverslag.
Verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW kan worden verzocht na deponering van het onderzoeksverslag (par. 7.4.5). Voor de indiening van een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek geldt geen wettelijke termijn. In het bijzonder geldt volgens de Ondernemingskamer niet de termijn van twee maanden na nederlegging van het onderzoeksverslag ter griffie als bedoeld in art. 2:355 lid 2 BW, die geldt voor een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid en verzochte eindvoorzieningen.1
In Inter-Burgo oordeelde de Ondernemingskamer overigens niet consequent dat deze termijn van twee maanden niet geldt voor een verzoek op grond van art. 2:354 BW. In deze procedure wordt aanvankelijk een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek gedaan dat is geïncorporeerd in een verzoek tot de vaststelling van wanbeleid. Dit verzoek wordt ingediend na de termijn van twee maanden en de verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard.2 Deze volledige niet-ontvankelijkverklaring bevreemdt, omdat voor het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek niet een termijn van twee maanden geldt. De Ondernemingskamer had hier naar mijn mening tot slechts gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring moeten concluderen, enkel voor zover het verzoek betrekking had op de vaststelling van wanbeleid. Later doet de verzoeker een zelfstandig verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek, dat wordt toegewezen.3 Dat het verzoek dan later dan twee maanden na nederlegging van het onderzoeksverslag ter griffie wordt gedaan staat dan kennelijk niet aan ontvankelijkheid van de verzoeker in de weg.
Ik zou uit Inter-Burgo overigens niet willen afleiden dat een termijn van twee maanden enkel geldt voor een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek geïncorporeerd in een verzoek tot de vaststelling van wanbeleid, maar niet voor een zelfstandig verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek. Een dergelijk onderscheid laat zich lastig verdedigen.
In de literatuur is wel betoogd dat de termijn Van art. 2:355 lid 2 BW analoog zou moeten worden toegepast op art. 2:354 BW. Van der Vlis heeft daartoe aangevoerd dat de enquêteprocedure op enig moment een einde dient te nemen, en het onwenselijk is dat enkele jaren na het onderzoek nog een verzoek op grond van art. 2:354 BW kan worden gedaan.4 Duynstee acht een dergelijke analoge toepassing wenselijk, gelet op de rechtsonzekerheid voor de aangesproken functionarissen en het mogelijk negatief effect op hun bewijspositie.5
Geerts heeft verdedigd dat de oplossing voor een laat ingediend verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek niet moet worden gezocht in analoge toepassing van de hiervoor bedoelde termijn van twee maanden, maar in het leerstuk van rechtsverwerking. Geerts acht de procedure van twee maanden te kort, omdat de procedure van art. 2:354 BW een heel ander karakter heeft, waardoor het indienen van een verzoek op grond van art. 2:354 BW later dan twee maanden na het deponeren van het onderzoeksverslag niet op onoverkomelijke bezwaren stuit.6 Duynstee voert hiertegen aan dat het verzoek op de voet van art. 2:354 BW een sterk soortgelijk karakter en onderwerp kent en daarnaast eerder eenvoudiger en minder tijdrovend is om op te stellen dan een tweede fase verzoek. Duynstee vindt ook een argument voor toepassing van de termijn van twee maanden in de vergaande gevolgen voor de aansprakelijkheidspositie van een bestuurder in toekomstige procedures bij een oordeel over verhaal van de kosten van het onderzoek, en noemt het oordeel over verhaal van de kosten van het onderzoek daarbij een ‘verkapt oordeel van wanbeleid’.7
Het bevreemdt dat art. 2:354 BW niet een met art. 2:355 lid 2 BW vergelijkbare termijn aan indiening van het verzoek verbindt. Introductie daarvan zou kunnen worden overwogen. Wel is verwerking van het recht een vordering op grond van art. 2:354 BW in te stellen mogelijk en geldt voor een vordering uit hoofde van art. 2:354 BW een verjaringstermijn van vijf jaar. Ingevolge art. 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Na deponering van het onderzoeksverslag en vaststelling van de kosten van het onderzoek zal de benadeelde – doorgaans de rechtspersoon, zie par. 7.6.2 – steeds bekend zijn met zijn schade, bestaande uit de kosten van het onderzoek. Een vordering uit hoofde van art. 2:354 BW verjaart vijf jaar daarna.8 Ook na deponering van het onderzoeksverslag opkomende kosten kunnen naar mijn mening overigens worden verhaald op grond van art. 2:354 BW (par. 7.4.5).