Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.4.2
7.4.2 Verzoekschriftprocedure
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652112:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook OK 7 maart 1996 (r.o. 3.3), JOR 1996/24 (Verto); HR 4 juni 1997 (r.o. 4.4.2), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite).
Zie bijv. OK 1 februari 2006 (r.o. 2.1), ARO 2006/45 (Van Baarsen Halfweg); OK 22 april 2016 (r.o. 4.36), JOR 2016/193, m.nt. P.D. Olden (Leaderland).
HR 4 juni 1997 (r.o. 4.5.2), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite).
In Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 8 wordt slechts verwezen naar de toelichting op art. 2:350 lid 2 BW (art. 53a WvK (oud)).
Zo ook Geerts 1993, p. 41; Geerts (onder 5) in zijn annotatie bij HR 16 augustus 1996, TVVS 1996, p. 322 (VHS); Van der Vlis 1997, p. 228, voetnoot 18; Geerts 2004, p. 227; Assink/Slagter 2013, p. 1802, voetnoot 368; Storm 2014, p. 183, voetnoot 150; Winters, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:354 BW, aant. 4 (2020).
De procedure tot verhaal van de kosten van het onderzoek is een verzoekschriftprocedure, waarop de bepalingen van Titel 3 van Boek 1 Rv (art. 261 e.v. Rv) van toepassing zijn, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, zo volgt uit art. 261 Rv.1 Gelet op art. 278 lid 3 Rv dient het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek hierom te worden ingediend door een advocaat, op straffe van niet-ontvankelijkheid.2 De rechtspersoon kan op grond van art. 282 lid 4 Rv in zijn verweerschrift ook een zelfstandig verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek doen. Het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek hoeft niet bij apart verzoekschrift te worden gedaan.3
Art. 2:354 BW verklaart de slotzin van art. 2:350 lid 2 BW (par. 7.8) van overeenkomstige toepassing. Art. 2:350 lid 2 BW biedt een grondslag voor schadevergoeding als gevolg van een niet op redelijke grond verzochte enquête, waarvoor een dagvaarding is vereist. In de dagvaarding moet ook de woonplaats van de gedaagde worden vermeld, zo bepaalt art. 45 lid 3 sub d Rv. De slotzin van art. 2:350 lid 2 BW, die bepaalt dat voor de instelling van een vordering tegen een enquêteverzoeker als diens woonplaats mede de woonplaats die hij voor de indiening van het verzoek heeft gekozen geldt, maakt het de rechtspersoon eenvoudiger te voldoen aan dit voorschrift.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt niet waarom in art. 2:354 BW het voorschrift uit de slotzin van art. 2:350 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing is verklaard.4 Omdat het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW wordt gedaan bij verzoekschrift, en in een verzoekschrift enkel de woonplaats van de verzoeker hoeft te worden vermeld op grond van art. 278 lid 1 Rv, niet ook de woonplaats van andere personen, heeft de overeenkomstige toepassing van art. 2:350 lid 2 BW geen waarde. De slotzin van art. 2:354 BW is hierom een overbodige bepaling.5