Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.5.9.2:9.5.9.2 Verein für Konsumenteninformation/Commissie
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.5.9.2
9.5.9.2 Verein für Konsumenteninformation/Commissie
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582371:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak Verein für Konsumenteninformation/Commissie (ook we de Lombardclub-kartelzaak genoemd) heeft de Commissie op 11 juni 2002 een aantal Oostenrijkse banken beboet voor een kartelafspraak over onder andere de rentevoet voor beleggingen en kredieten.1 De Verein für Konsumenteninformation (via) verzocht de Commissie om toegang tot het dossier te verlenen. De Commissie heeft het verzoek van de VKI afgewezen. De commissie heeft in de afwijzende beschikking het dossier in elf categorieën ingedeeld en voor elke categorie aangegeven welke uitzonderinggronden van de Eurowob van toepassing was. Het door de viu gedane voorstel om ten minste gedeeltelijke toegang tot het dossier te verlenen was naar de mening van de Commissie geen mogelijkheid omdat dit de Commissie ertoe zou dwingen alle individuele documenten (in totaal ruim 47000 pagina's!) in het dossier te beoordelen, wat een enorme werklast met zich mee zou brengen.
Het GvEA EG overweegt dat wanneer een instelling een verzoek op grond van de Eurowob (verordening nr. 1049/2001) ontvangt, zij in beginsel verplicht is, een concreet en individueel onderzoek te verrichten naar de inhoud van de in het verzoek bedoelde documenten. Het GvEA EG overweegt (r.o. 75):
'Dit principiële uitgangspunt betekent echter niet dat een dergelijk onderzoek in elk geval is vereist. Aangezien het concrete en individuele onderzoek dat de instelling in beginsel moet verrichten in antwoord op een verzoek om toegang op grond van verordening nr. 1049/2001, tot doel heeft, de betrokken instelling in staat te stellen, te beoordelen in hoeverre een uitzondering op het recht van toegang van toepassing is, en of gedeeltelijke toegang kan worden verleend, is het immers mogelijk dat een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk is wanneer, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, het overduidelijk is dat de toegang moet worden geweigerd of integendeel moet worden verleend. Dit is met name het geval wanneer bepaalde documenten ofwel overduidelijk volledig onder een uitzondering op het recht van toegang vallen, ofwel, integendeel, overduidelijk volledig toegankelijk zijn, ofwel door de Commissie reeds concreet en individueel zijn onderzocht in soortgelijke omstandigheden.'2
Het GvEA EG komt tot de conclusie dat er in deze zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij elk van de vier aangevoerde uitzonderingsgronden van de Eurowob, namelijk bescherming van het doel van inspecties (artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001), de bescherming van de commerciële belangen (artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001), de bescherming van gerechtelijke procedures (artikel 4, lid 2, tweede streepje) en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu (artikel 4, lid 1, sub b), geldt dat de Commissie niet zonder concreet onderzoek naar de aard en strekking van de individuele documenten in het dossier had kunnen vaststellen of een uitzonderingsgrond van toepassing was. De Commissie had zich volgens het GvEA EG ook concreet moeten buigen over de mogelijkheid van ten minste een gedeeltelijke toegang tot de individuele documenten in het dossier en niet kunnen volstaan met het afwijzen van het verzoek van de viu enkel onder verwijzing naar de uitzonderingsgronden.
Na de behandeling van de uitzonderingsgronden onderzoekt het GvEA EG of de Commissie op grond van het evenredigheidsbeginsel het verzoek van de viu had mogen afwijzen wegens de werklast die het verzoek met zich mee bracht. In artikel 6 lid 3 van de Eurowob wordt namelijk bepaald, dat in geval van verzoeken om omvangrijke documenten of om een zeer groot aantal documenten, (...) de betrokken instelling informeel met de aanvrager kan overleggen om een billijke oplossing te vinden. Op grond van artikel 6 Eurowob zou door de Commissie een billijke oplossing kunnen worden gezocht door een afweging te maken tussen de belangen van de verzoekers en de Commissie. Het GvEA EG concludeert dat een afwijking van deze onderzoeksplicht slechts kan worden aanvaard in uitzonderlijke gevallen en alleen wanneer de administratieve last van het concrete en individuele onderzoek van de documenten bijzonder groot blijkt te zijn en daardoor de grenzen overschrijdt van hetgeen redelijkerwijze kan worden verlangd.3
Het is aan de Commissie te bewijzen hoe groot de last is, nu het recht van toegang tot bij de instellingen berustende documenten het principiële uitgangspunt is.4 Ingeval de Commissie aantoont dat de administratieve last die het concrete en individuele onderzoek van de in het verzoek bedoelde documenten meebrengt onredelijk is, moet met de verzoeker overleg worden gepleegd om te kijken welk belang hij bij het verkrijgen van de betrokken documenten heeft. Tevens moet concreet worden nagegaan welke alternatieven er bestaan om een minder belastende maatregel te nemen dan het concrete en individuele onderzoek van de documenten. Aangezien het recht van toegang tot de documenten het principe is, blijft de Commissie in deze context verplicht om voorrang te geven aan het alternatief dat geen administratieve last meebrengt die de grenzen van hetgeen redelijkerwijze kan worden verlangd overschrijdt, maar wel het recht van de verzoeker om toegang te krijgen tot bij de instellingen berustende documenten maximaal eerbiedigt. De Commissie kan zicht volgens het GvEA EG slechts aan een concreet en individueel onderzoek onttrekken wanneer zij werkelijk alle denkbare alternatieven heeft bestudeerd en in haar besluit omstandig heeft uitgelegd waarom ook deze alternatieven een onredelijke werklast met zich meebrengen.
Het GvEA EG erkent dat het dossier over het Lombardclub-kartel zeer fors van omvang is, maar komt desondanks tot de conclusie dat de beschikking van de Commissie nietig moet worden verklaard. De Commissie heeft namelijk ten onrechte nagelaten om uit te leggen waarom eventuele alternatieven voor een toegang tot het volledige dossier tot een onredelijke werklast zouden leiden. Het GvEA EG wijst daarbij in het bijzonder op het feit dat — hoewel de Commissie in haar verweerschrift heeft gesteld dat het opstellen van een inhoudsopgave onevenredig veel werk zou meebrengen — in het bestreden besluit niet vermeld wordt dat dit alternatief is bestudeerd. Volgens het GvEA EG kan als gevolg hiervan niet worden aangenomen dat dit alternatief concreet is onderzocht. Ten slotte blijkt uit het bestreden besluit evenmin dat de Commissie heeft onderzocht hoe groot de werklast zou zijn om de enkele documenten die verzoekers belangen het meest zouden dienen, te identificeren en vervolgens individueel en concreet te onderzoeken. De algehele afwijzing om toegang tot het dossier te verlenen is onder alle omstandigheden in strijd met de Eurowob.