Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/7.3.2
7.3.2 Het bestemmingsplan en een goede ruimtelijke ordening
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS447400:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een goede ruimtelijke ordening is een rekbaar begrip. Een (zeer) ruime uitleg is te vinden in ABRvS 16 maart 2011, TBR 2011/121 (Bestemmingsplan Kern Bodegraven).
Van Buuren e.a. 2010, p. 419-420.
Van der Ree 2000, p. 252.
Van der Ree 2000, p. 252. In zijn proefschrift getiteld ‘Met woord en kaart. Over detaillering en reikwijdte van bestemmingsplanregeling’, p. 252-255, wordt het begrip situeringskenmerk uitgewerkt.
Van Buuren e.a. 2010, p. 42.
Naar de mening van Van der Ree kunnen de situeringskenmerken verschillen per soort gebied. De situeringskenmerken van een bestemming ‘wonen’ verschillen met die van een bestemming ‘industrie’. Van der Ree 2000, p. 253-255.
In algemene zin hierover: Van der Ree 2000, p. 253.
Van der Ree 2000, p. 253.
In algemene zin hierover: Van der Ree 2000, p. 253-254. De auteur noemt het voorbeeld van de bestemming industrie. Voor de realisering van deze bestemming is een goede infrastructuur benodigd.
Knelpunten en kansenanalyse Natura 2000-gebied 34 Weerribben, p. 1-2 (www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase).
In algemene zin over deze problematiek: Van der Ree 2000, p. 254-255.
Deze analyses zijn per gebied te vinden op: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.
Het bestemmingsplan speelt een wezenlijke rol bij het sturen van de ruimtelijke ordening in Nederland. De doelstelling en het toepassingsbereik van dit instrument zijn te vinden in artikel 3.1, eerste lid Wro:
‘De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één of meer bestemmingsplannen vast waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven […].’
Vanwege het doel van dit onderzoek is het interessant om te onderzoeken of het mogelijk is om een Natura 2000-gebied te beschermen met een bestemmingsplan. Het beheer van een dergelijk gebied heeft vanwege het ruimtebeslag en de invloed op de gebruiksmogelijkheden van andere naburige bestemmingen ruimtelijke relevantie. Vanuit het perspectief van een goede ruimtelijke ordening bestaat geen enkele belemmering om een Natura 2000-gebied te beschermen met behulp van een bestemmingsplan.1 Bij het vaststellen van een bestemmingsplan is de gemeenteraad zelfs verplicht om rekening te houden met de habitats en soorten in een Natura 2000-gebied. Dit vloeit voort uit artikel 19j Nbw 1998 en het uitgangsprincipe van een goede ruimtelijke ordening.2
In verband met een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om het gebruik van gronden en bouwwerken in een bepaald gebied tegen elkaar af te wegen. De afstemming van de verschillende soorten bestemmingen en het bijbehorende gebruik kan plaatsvinden met behulp van zogenaamde situeringskenmerken. Dit begrip is geïntroduceerd door Van der Ree. De auteur omschrijft dit begrip als volgt: ‘Situeringskenmerken staan voor feitelijke kenmerken van een gebruiksdoeleind van de grond die leiden tot een bijzondere invloed op of bijzondere eisen aan de omgeving waarin zo’n gebruiksdoeleind gesitueerd kan worden.’3 Met betrekking tot het nut van deze kenmerken stelt Van der Ree dat: ‘Situeringskenmerken bepalen dus – samen met hun waardering door het bevoegde bestuursorgaan (SK: de gemeenteraad) – de situeringsmogelijkheden van een gebruiksdoeleind.’4In het kader van deze studie wordt in navolging van Van Buuren e.a. onder een situeringskenmerk verstaan:
‘een kenmerk dat aan een bepaalde ruimtelijke bestemming toekomt en dat relevant is voor de situering van die bestemming ten opzichte van andere bestemmingen’.5
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om de situeringskenmerken van Natura 2000-gebieden vast te stellen. In algemene zin kan de hoofddoelstelling van een Natura 2000-gebied, de bescherming van kwalificerende habitats en soorten, als zodanig worden aangemerkt. Een nadeel van een dergelijke benadering is dat er geen recht wordt gedaan aan de reden waarom een bepaald gebied onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk in Nederland. Het is niet mogelijk om relevante kenmerken van een Natura 2000-gebied door te vertalen naar andere bestemmingen. Dit is wel het geval wanneer de instandhoudingsdoelstellingen van de habitats en soorten in het betrokken Natura 2000-gebied als situeringskenmerk worden aangemerkt. Op basis van de instandhoudingsdoelstellingen is het mogelijk om de ruimtelijke uitstraling (lees: ruimtelijke consequenties) van een Natura 2000-gebied voor de omgeving vast te stellen. Omgekeerd kan worden bekeken of de situeringskenmerken van andere naburige bestemmingen – bijvoorbeeld wonen of landbouw – conflicteren met de bestemming ‘natuur’ van een Natura 2000-gebied.
De situeringskenmerken verschillen per habitat en soort.6 In de eerste plaats komt dit omdat niet alle Natura 2000-gebieden voor dezelfde habitats of soorten zijn of worden aangewezen. In de tweede plaats kunnen de instandhoudingsdoelstellingen per habitat of soort en vervolgens per afzonderlijk Natura 2000-gebied verschillen. Kortom: de ruimtelijke consequenties verschillen per habitat, soort en gebied.
Het habitattype ‘Actief Hoogveen’ (H7110) stelt hele andere eisen aan de omgeving dan ‘Psammofiele heide met Culluna en Genista (Stuifzandheiden)’ (H2310). In algemene zin vereist de instandhouding van actief hoogveen, in tegenstelling tot stuifzandheiden, een constante en hoge grondwaterstand. De ruimtelijke consequenties van de aanwezigheid van een bepaald habitattype is mede afhankelijk van de aard en inhoud van de instandhoudingsdoelstelling. Zo maakt het uit of voor een bepaald habitattype een behoud- dan wel een verbeterdoelstelling is geformuleerd.
De mate waarin situeringskenmerken van een Natura 2000-gebied invloed hebben op de gebruiksmogelijkheden van naburige bestemmingen is niet alleen afhankelijk van de toepasselijke instandhoudingsdoelstellingen. De aard en het gebruik van de naburige bestemmingen speelt ook een belangrijke rol. De ene bestemming (recreatie) verdraagt zich van nature beter met de bescherming van een Natura 2000-gebied dan de andere bestemming (bijvoorbeeld industrie of intensieve veehouderij). Daarnaast is sprake van een wisselwerking tussen de situeringskenmerken van verschillende bestemmingen.
De situeringskenmerken van een intensieve veehouderij (uitstoot stikstof) beïnvloeden de mogelijkheden om een Natura 2000-gebied te beschermen. Het omgekeerde is ook het geval: de situeringskenmerken van Natura 2000-gebied met het habitattype ‘actief hoogveen’ (gevoelig voor uitstoot van stikstof) beperken de mogelijkheden in de directe omgeving een intensieve veehouderij te vestigen, dan wel uit te breiden.
De ruimtelijke consequenties verschillen per Natura 2000-gebied. Grosso modo is voor het beschermen van een Natura 2000-gebied met actief hoogveen, onder meer vanwege de vereiste hoge (grond)waterstand, meer ‘ruimte’ nodig dan voor het in stand houden van het habitattype laag gelegen schraal hooiland.7 De instandhouding van actief hoogveen heeft een grotere ruimtelijke uitstraling. De benodigde ruimte voor een bepaalde bestemming is het meest fundamentele situeringskenmerk.8 Daarnaast heeft de aanwezigheid van een bepaald habitattype of soort niet alleen invloed op de directe omgeving, maar stelt het daaraan ook eisen.9 Het volgende voorbeeld maakt dit duidelijk:
Het Natura 2000-gebied de Weerribben is onder meer aangewezen vanwege de aanwezigheid van het habitattype Overgangs- en trilveen (H7140A). De belangrijkste randvoorwaarden voor de instandhouding van dit habitattype zijn een goede waterkwaliteit, een seizoensmatige fluctuatie van het oppervlaktewater en een kleine wegzijging van het grondwater.10
Voor het vaststellen van de situeringskenmerken van een Natura 2000-gebied is het noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen van habitats en soorten ruimtelijk ‘te vertalen’. Hiervoor zal in de regel specialistische (ecologische) kennis met betrekking tot de aanwezige habitats en soorten benodigd zijn.11 Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de gegevens uit de habitattoets en van de knelpunten- en kansenanalyses die voor alle Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn opgesteld.12