Rechtbank Rotterdam 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10442.
HR, 17-10-2025, nr. 25/00737
ECLI:NL:HR:2025:1570
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-10-2025
- Zaaknummer
25/00737
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1570, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑10‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:754
ECLI:NL:PHR:2025:754, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1570
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑02‑2025
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/583
PFR-Updates.nl 2025-0212
NJ 2026/14 met annotatie van S.F.M. Wortmann
JPF 2025/141 met annotatie van mr. K.A.M. van der Zon
JPF 2025/141 met annotatie van mr. K.A.M. van der Zon
Uitspraak 17‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Jeugdrecht. Hof heeft verzoek afgewezen om moeder te herstellen in gezag over minderjarige (art. 1:277 BW), op grond dat herstel niet in belang van minderjarige is. Heeft hof maatstaf van art. 1:277 BW onjuist toegepast door niet te betrekken dat moeder erkend gedupeerde van toeslagenaffaire is? Mocht hof beslissing baseren op omstandigheden aan ontstaan waarvan overheid verwijt treft? Motivering. Beoordeling van door moeder overgelegd deskundigenrapport. Betekenis rechtspraak EHRM over art. 8 EVRM. Vervolg op HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:924.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00737
Datum 17 oktober 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: Y.E.J. Geradts,
tegen
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de gecertificeerde instelling,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn beschikking in de zaak 23/04104, ECLI:NL:HR:2024:924 van 21 juni 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.343.788/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 november 2024.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De gecertificeerde instelling heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping.
De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit de relatie van de moeder en [de vader] is in november 2007 [de minderjarige] (hierna: de minderjarige) geboren.
(ii) De ouders van de minderjarige wonen niet samen.
(iii) Op 28 oktober 2008 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarige uitgesproken. Sinds 20 februari 2009 is de minderjarige met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.
(iv) De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 14 augustus 2012 de moeder ontheven van haar ouderlijk gezag over de minderjarige, de stichting bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot voogdes benoemd en bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door de stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: Leger des Heils).
(v) De rechtbank Rotterdam heeft een verzoek van de moeder om in het gezag over de minderjarige te worden hersteld bij beschikking van 13 juli 2015 afgewezen. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd.
(vi) De rechtbank Rotterdam heeft een nieuw verzoek van de moeder om in het gezag over de minderjarige te worden hersteld bij beschikking van 29 maart 2019 afgewezen. Ook deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd.
(vii) Leger des Heils heeft in 2022 de rechtbank Rotterdam verzocht haar te ontslaan uit de voogdij over de minderjarige en in haar plaats de gecertificeerde instelling te benoemen. De rechtbank Rotterdam heeft het verzoek per 1 september 2024 toegewezen.1.
2.2
De moeder verzoekt in de onderhavige procedure, voor zover in cassatie van belang, om in het gezag over de minderjarige te worden hersteld. De rechtbank heeft bij beschikking van 23 december 20222.iedere beslissing aangehouden in afwachting van de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek door iMindU en het verloop van de in te zetten hulpverlening vanuit GGZ-instelling de Viersprong.
2.3
Het gerechtshof Den Haag heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de hiervoor in 2.2 genoemde beschikking.3.De Hoge Raad heeft deze beslissing vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof).4.
2.4
Het hof heeft vervolgens de hiervoor in 2.2 genoemde beschikking bekrachtigd en de verzoeken van de moeder afgewezen.5.Daartoe heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan de vaststelling dat zij en de minderjarige gedupeerden zijn van de toeslagenaffaire. Voor zover de moeder met deze grief betoogt dat zij reeds vanwege de toeslagenaffaire in het gezag over de minderjarige moet worden hersteld, miskent zij dat de vraag of een ouder in het gezag kan worden hersteld als eerste moet worden beoordeeld naar de maatstaven van art. 1:277 lid 1 BW. De feiten en omstandigheden die in het verleden hebben geleid tot uithuisplaatsing en (vervolgens) ontheffing uit het ouderlijk gezag zijn eerder door de rechter getoetst. De onderhavige procedure kan niet leiden tot een (her)beoordeling van die beslissingen en leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of jeugdbeschermingsinstanties bij de uitvoering van hun taken onrechtmatig hebben gehandeld. Daarvoor dient de moeder andere wegen te bewandelen. Recht op herstel voor de moeder als gedupeerde van de toeslagenaffaire houdt niet in dat bij een verzoek tot herstel in het gezag de toetsing aan het wettelijke kader van art. 1:277 BW achterwege dient te blijven. Het hof dient in deze zaak te beoordelen of herstel in het gezag van de moeder thans in het belang van de minderjarige is. Het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van de minderjarige vormt voor het hof het centrale uitgangspunt voor de beoordeling van het verzoek van de moeder. (rov. 4.6)
Het is het hof duidelijk geworden dat de situatie van de minderjarige zorgelijk is en dat de minderjarige een verzwaarde opvoedbehoefte heeft. De moeder stelt zich op het standpunt dat dit volledig te wijten is aan de wijze waarop de overheid heeft ingegrepen in de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige en haarzelf. Volgens de moeder heeft dat ingrijpen van meet af aan niet voldaan aan de daarvoor geldende maatstaf. Het hof overweegt dat het overheidsingrijpen in de vorm van ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en (de voortzetting van de) beëindiging van het ouderlijk gezag waarop de moeder, zoals het hof het begrijpt, doelt, telkens zal moeten voldoen aan de daarvoor geldende wettelijke maatstaven. De vraag die het hof in de onderhavige zaak dient te beantwoorden is of, uitgaande van de actuele feiten en omstandigheden, herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is en of de moeder duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen. (rov. 4.8)
De moeder heeft ter verdere onderbouwing van haar standpunt dat dit het geval is de multidisciplinaire beslisdiagnostiek van iMindU GGZ van 17 september 2024 in het geding gebracht. Dit rapport zegt niets over de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van de minderjarige, dan wel over de interactie tussen de moeder en de minderjarige. De huidige situatie is dat de minderjarige kampt met ernstige problematiek en een verzwaarde opvoedvraag heeft. Voor het hof is het nog altijd niet duidelijk of de moeder over de voor de minderjarige benodigde opvoedcapaciteiten beschikt, het rapport biedt op dit punt geen enkel inzicht. Ook is tot op heden geen zicht gekomen op de interactiepatronen tussen de moeder en de minderjarige, anders dan het negatieve patroon dat het verblijf van de minderjarige bij de moeder telkens weer uitmondt in een escalatie. (rov. 4.8)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof in rov. 4.6 en rov. 4.8 niet op de juiste wijze toetst aan art. 1:277 BW doordat het de relevante feiten en omstandigheden – zoals het ontstaan van de huidige situatie – niet in zijn oordeel betrekt. Aldus toetst het hof volgens het onderdeel ook niet deugdelijk aan de criteria van art. 8 lid 2 EVRM. Verder klaagt het onderdeel dat het hof, door alleen uit te gaan van de actuele feiten en omstandigheden en het ontstaan daarvan niet in aanmerking te nemen, zijn beslissing ook niet deugdelijk motiveert.
Volgens de toelichting op het onderdeel moet de rechter bij het nemen van beslissingen over kinderbeschermingsmaatregelen alle ter zake dienende omstandigheden in aanmerking nemen en is hij niet gebonden aan eerdere beslissingen over die omstandigheden. De moeder is erkend toeslaggedupeerde en volgens de toelichting had de beslissing tot uithuisplaatsing om die reden nooit genomen mogen worden. Veronderstellenderwijs moet ervan worden uitgegaan, aldus de toelichting, dat de verzwaarde opvoedbehoefte van de minderjarige te wijten is aan overheidsingrijpen waarbij de moeder gedurende zestien jaren op afstand gehouden werd. Deze verzwaarde opvoedbehoefte mag daarom volgens de toelichting niet worden ingeroepen om het overheidsingrijpen te continueren.
3.2.1
In de klachten over de toepassing van art. 8 lid 2 EVRM ziet de Hoge Raad, mede gelet op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), waaronder een uitspraak van het EHRM van 15 april 20256.in een zaak tegen Nederland, aanleiding om het volgende op te merken over het bij beslissingen over kinderbeschermingsmaatregelen in acht te nemen recht op eerbiediging van gezinsleven (art. 8 EVRM).
3.2.2
Beslissingen op grond van afdeling 4 (Ondertoezichtstelling van minderjarigen) en afdeling 5 (Beëindiging van het ouderlijk gezag) van titel 14 van Boek 1 BW en de uitvoering daarvan kunnen, en zullen in veel gevallen, een inmenging vormen in het tussen een kind en zijn ouder of ouders bestaande gezinsleven (‘family life’) zoals beschermd door art. 8 EVRM. Een zodanige beslissing zal derhalve moeten voldoen aan de in art. 8 lid 2 EVRM gestelde vereisten dat zij bij de wet is voorzien, dat zij een legitiem doel dient, zoals de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, en dat zij kan worden beschouwd als in een democratische samenleving noodzakelijk. Dit laatste vereiste vergt onder meer dat het legitieme doel niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt en dat daaraan een redelijke afweging (‘fair balance’) van de betrokken belangen ten grondslag ligt.7.Een en ander geldt ook voor een beslissing op een door een ouder gedaan verzoek op de voet van art. 1:277 BW om in het gezag over een kind te worden hersteld.8.
3.2.3
Bij alle beslissingen waar het gezinsleven van kinderen in het geding is, komt aan de belangen van het kind groot gewicht toe. Waar het gaat om de verzorging en opvoeding van kinderen en om beperkingen in de omgang, moeten de belangen van het kind volgens het EHRM voor andere overwegingen komen.9.
3.2.4
Bij het beoordelen van de noodzaak om de zorg over een kind geheel of gedeeltelijk aan een ander dan de ouder of ouders toe te vertrouwen – zoals het geval is als het kind onder toezicht wordt gesteld en uit huis wordt geplaatst (art. 1:255 BW en art. 1:265a BW) – komt in het algemeen aan de nationale rechter een ruime beoordelingsruimte toe. Daarbij is van belang dat het in beginsel gaat om tijdelijke maatregelen die op zichzelf geen volledige ontneming van het gezinsleven inhouden.10.Louter financiële problemen van een ouder vormen geen voldoende grondslag om de ouder de zorg over een kind te ontnemen.11.
3.2.5
Is de zorg over een kind aan een ander dan de ouder of ouders toevertrouwd, dan heeft de overheid een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk wordt herenigd. Deze verplichting gaat steeds zwaarder wegen, omdat tijdsverloop onherstelbare gevolgen kan hebben voor de verhoudingen tussen het kind en de ouder van wie het gescheiden is. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind12.en het grote gewicht van dat belang.13.Alle inspanningen moeten erop zijn gericht om persoonlijke banden tussen ouder en kind in stand te houden en, indien en zodra geëigend, het gezinsverband te herstellen (‘family reunification’).14.Het is derhalve van groot belang dat de wijze waarop de omgang tussen het kind en de ouder of ouders wordt geregeld, daadwerkelijk, maar zonder dat het kind wordt blootgesteld aan onevenredige hardheid (‘undue hardship’), het doel dient van hereniging van kind en ouder of ouders. In het algemeen zullen daarvoor omgangsregelingen waarbij tussen de omgangsmomenten intervallen verstrijken van weken – of zelfs maanden –, niet volstaan.15.
3.2.6
De conclusie dat, wanneer een aanmerkelijke periode is verstreken nadat het kind oorspronkelijk onder de zorg van de overheid is gekomen, het doel van hereniging van het kind en de ouder of ouders zich niet langer verdraagt met het belang van het kind, mag slechts worden getrokken na zorgvuldige overweging en met in aanmerking nemen van de positieve verplichting van de overheid om hereniging van kind en ouder of ouders te bevorderen.16.
3.2.7
In het besluitvormingsproces over kinderbeschermingsmaatregelen dient in voldoende mate rekening te worden gehouden met het belang van de ouder of ouders. De opvattingen en belangen van de ouders moeten naar behoren in aanmerking worden genomen en het beslissingsproces dient zodanig te zijn dat de ouders in staat zijn om tijdig gebruik te maken van beschikbare rechtsmiddelen. De ouders moeten in zodanige mate in het gehele besluitvormingsproces worden betrokken dat hun belangen naar behoren worden beschermd en zij volledig in staat zijn om hun zaak naar voren te brengen. Daarbij moet ertegen gewaakt worden dat door enkel tijdsverloop in het nadeel van ouders wordt beslist. Of de rechter een deskundige dient te raadplegen over de vraag in hoeverre omgang kan plaatsvinden, hangt af van de specifieke omstandigheden van de zaak. Het is aan de rechter om het voorhanden bewijs te waarderen.17.
3.2.8
Het EHRM beziet bij de beoordeling van klachten over schending van art. 8 EVRM de zaak in haar geheel (‘the case as a whole’) en betrekt daarbij zo nodig in bepaalde mate ook eerdere procedures en beslissingen.18.Daarbij is het EHRM zich ervan bewust dat deze retrospectieve wijze van beoordeling kan afwijken van die van instellingen van jeugdbescherming en rechters, die beslissingen moeten nemen op basis van de omstandigheden waarin het kind en betrokken gezinsleden verkeren op het moment van de beslissing en met het oog in de eerste plaats gericht op de toekomst.19.
3.3.1
De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.3.2
De rechter kan de ouder wiens gezag over een minderjarige is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien (a) herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en (b) de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is te dragen (art. 1:277 lid 1 BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de door de rechter te maken keuze het belang van het kind uitgangspunt is en dat daarbij het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid centraal staat. Ook in gevallen dat aan voorwaarde b is voldaan, kan de rechter, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, het verzoek afwijzen om redenen die gelegen zijn in het belang van het kind.20.
3.3.3
Het onderdeel gaat terecht ervan uit dat de rechter bij beslissingen op de voet van art. 1:277 BW alle relevante omstandigheden in aanmerking dient te nemen. Met zijn overweging dat de vraag of een ouder in het gezag kan worden hersteld ‘als eerste’ moet worden beoordeeld naar de maatstaven van art. 1:277 lid 1 BW, heeft het hof dit niet miskend, maar heeft het – terecht – tot uitdrukking gebracht dat toewijzing slechts mogelijk is als dit in het belang van de minderjarige is. Daaraan doet niet af de mogelijkheid dat bij eerdere beslissingen over het gezag van de moeder en de omgang met de minderjarige fouten zijn gemaakt. Ook doet daaraan niet af dat de rechter bij de beoordeling van de voor zijn beslissing relevante omstandigheden op zichzelf niet gebonden is aan oordelen in eerdere beslissingen omtrent die omstandigheden.21.Dit een en ander brengt immers niet mee dat bij de beoordeling of toewijzing van het verzoek in het belang van de minderjarige is – een beoordeling op basis van de omstandigheden op het moment van de beslissing en met het oog in de eerste plaats gericht op de toekomst (vgl. hiervoor in 3.2.8) –, voorbijgegaan kan worden aan de zorgelijke situatie van de minderjarige en haar verzwaarde opvoedbehoefte. Het hof heeft overigens onder ogen gezien (rov. 4.6) dat de moeder erkend gedupeerde is van de toeslagenaffaire, dat zij door de Belastingdienst ten onrechte is aangemerkt als fraudeur en dat de schulden die voortkomen uit de toeslagenaffaire een langdurig negatief effect hebben op gezinnen.
3.3.4
De aan het onderdeel ten grondslag liggende opvatting dat waar de verzwaarde opvoedbehoefte van de minderjarige te wijten is aan door de overheid gemaakte fouten, deze niet aan de moeder mag worden tegengeworpen, is kennelijk gebaseerd op een overweging van het EHRM in de zaak M.L./Noorwegen.22.In die zaak oordeelde het EHRM dat de beslissing om wegens het ontbreken van daadwerkelijke banden (‘real ties’, ‘bonds’) tussen de ouders en het kind over te gaan tot adoptie, tegen de achtergrond van het jarenlang ontbreken van inspanningen om die banden in stand te houden, niet te verenigen viel met de positieve verplichting van de overheid om familiebanden zoveel mogelijk in stand te houden. Daarbij woog het EHRM mee dat voor de ouders door deze adoptie – anders dan bij een zogenoemde open adoptie – een vooruitzicht op omgang met het kind niet was verzekerd.
De zojuist weergegeven benadering van het EHRM bij adoptie, waardoor de familierechtelijke betrekkingen tussen ouder en kind eindigen, te meer als daardoor ook vooruitzicht op omgang niet langer is verzekerd, leent zich niet zonder meer voor toepassing in de onderhavige zaak, waar de beslissing op het verzoek van de moeder geen gevolgen heeft voor de familierechtelijke betrekkingen noch voor de omgang tussen de moeder en de minderjarige.
3.3.5
Gelet op hetgeen het hof over het belang van de minderjarige heeft overwogen in verband met de zorgelijke situatie van de minderjarige en haar verzwaarde opvoedbehoefte, kan, ook in het licht van art. 8 lid 2 EVRM, niet gezegd worden dat het hof niet op de juiste wijze heeft getoetst aan art. 1:277 BW of dat het zijn oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd. De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten falen.
3.4.1
Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof met zijn overweging, in rov. 4.8, dat het rapport van iMindU GGZ niets zegt over de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van de minderjarige dan wel over de interactie tussen de moeder en de minderjarige, een onjuiste, willekeurige maatstaf aanlegt voor wat al dan niet in het belang van de minderjarige is.
3.4.2
De klacht faalt. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over wat het belang van de minderjarige meebrengt. Het is niet onbegrijpelijk in het licht van de kwaliteit van het onderzoek en het rapport waarop het hof in een overweging ten overvloede (rov. 4.13 van zijn beschikking) de aandacht heeft gevestigd. Voor het overige is het zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑10‑2025
Rechtbank Rotterdam 23 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11319.
Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1492.
HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:924.
Gerechtshof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3286.
EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland).
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 202-203.
Vgl. EHRM 25 november 2004, nr. 23660/02 (Vitters/Nederland).
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 204; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 78.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 208 en 211; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 81 en 89; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), punt 69.
Zie bijvoorbeeld EHRM 18 juni 2013, nr. 28775/12 (R.M.S./Spanje), punt 85; EHRM 16 februari 2016, nr. 72850/14 (Soares de Melo/Portugal) punt 104 e.v.; EHRM 22 juni 2017, nr. 37931/15 (Barnea en Caldabaru/Italië), punt 71 e.v.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 205 en 208; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), punt 69; vgl. HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:108, rov. 3.2.
EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 78.
EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), punt 68.
EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 79 en 94.
EHRM 12 juli 2001, nr. 25702/94, (K. en T./Finland), punt 155; EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 208; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), punt 69; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 93.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 212-213; vgl. HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1895, rov. 3.4.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 148 en 203; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 84.
EHRM 10 maart 2020, nr. 14652/16 (Hernehult/Noorwegen), punt 75; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 98.
Vgl. HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3704, rov. 5.4.
EHRM 22 december 2020, zaaknr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 97. Zie ook EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 208; EHRM 10 april 2012, nr. 19554/09 (Pontes/Portugal), punt 99.
Conclusie 04‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Herstel in ouderlijk gezag; toetsing aan criteria van art. 1:277 lid 1 BW; relevantie van toeslagenaffaire.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00737
Zitting 4 juli 2025
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de moeder]
verzoekster tot cassatie,
hierna: de moeder
tegen
William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
verweerster in cassatie,
hierna: de gecertificeerde instelling
1. Inleiding
1.1
Inzet van deze zaak is de vraag of het hof het verzoek van de moeder om in het gezag over haar minderjarige dochter te worden hersteld (art. 1:277 lid 1 BW) terecht heeft afgewezen. In cassatie betoogt de moeder dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door slechts rekening te houden met de actuele situatie van de moeder en de minderjarige. Ten onrechte zou het hof geen rekening hebben gehouden met het feit dat de moeder erkend gedupeerde is van de toeslagenaffaire en dat de uithuisplaatsing van de minderjarige en de daarop volgende ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder rechtstreeks het gevolg is van de (financiële problematiek als gevolg van de) toeslagenaffaire. Verder is het volgens de moeder onbegrijpelijk dat het hof voorbij is gegaan aan het advies van verschillende deskundigen om de moeder in het gezag over de minderjarige te herstellen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.
2.2
Uit de relatie van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 2007 te [plaats] geboren [de minderjarige] (hierna: de minderjarige). De vader en de moeder wonen niet samen.
2.3
Op 28 oktober 2008 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarige uitgesproken. Sinds 20 februari 2009 is de minderjarige met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.
2.4
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2012 is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige en is Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot voogdes benoemd. Hierbij is bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
2.5
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2015 is een verzoek van de moeder om te worden hersteld in het gezag over de minderjarige afgewezen. Deze beschikking is op 21 september 2016 in hoger beroep bekrachtigd. Bij beschikking van de Hoge Raad van 19 mei 20172.is de beschikking in appel vernietigd. In de verwijzingsprocedure is bij beschikking van 13 november 2018, voor zover van belang, de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot herstel in het gezag over de minderjarige.
2.6
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019 is een verzoek van de moeder om te worden hersteld in het gezag over de minderjarige afgewezen. Deze beschikking is op 17 juli 2019 in hoger beroep bekrachtigd.
2.7
Bij beschikking van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank Rotterdam per 1 september 2024 Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de vorige gecertificeerde instelling) ontslagen van de voogdij over de minderjarige en Stichting William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de gecertificeerde instelling) benoemd tot voogdes.3.
2.8
In de onderhavige procedure, ingeleid bij verzoekschrift van 17 oktober 2022, heeft de moeder verzocht om in het gezag over de minderjarige te worden hersteld. Voorts heeft zij verzocht om de uithuisplaatsing van de minderjarige te beëindigen, het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar te bepalen en de ondertoezichtstelling van de minderjarige op te heffen.
2.9
Bij tussenbeschikking van 23 december 2022 heeft de rechtbank Rotterdam iedere beslissing aangehouden in afwachting van de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek en het verloop van de in te zetten hulpverlening. Bij beschikking van 2 augustus 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de moeder niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen deze tussenbeschikking. Bij beschikking van de Hoge Raad van 21 juni 2024 is de beschikking in appel vernietigd.4.
2.10
In de verwijzingsprocedure bij het gerechtshof Amsterdam heeft de moeder haar verzoeken uit het inleidend verzoek herhaald en verder verzocht dat een eventueel (hernieuwd) verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige wordt afgewezen.
2.11
In de verwijzingsprocedure hebben de partijen het gerechtshof Amsterdam eenstemmig verzocht om de zaak zelf af te doen en niet terug te verwijzen naar de rechtbank. Het hof heeft bewilligd in dit verzoek. Bij beschikking van 26 november 2024 heeft het hof de verzoeken van de moeder afgewezen.
2.12
De moeder is tijdig in cassatie gekomen van de beschikking van het hof van 26 november 2024 (hierna: de bestreden beschikking). De gecertificeerde instelling heeft geen verweer gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
In deze zaak verzoekt de moeder op grond van art. 1:277 lid 1 BW om in het gezag over de minderjarige te worden hersteld. De moeder is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij is door de Belastingdienst ten onrechte aangemerkt als fraudeur. Volgens de moeder is bij de beoordeling van haar verzoek geen, althans onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen die de toeslagenaffaire heeft gehad voor haar gezinssituatie. De moeder stelt dat de toeslagenaffaire tot gevolg heeft gehad dat de minderjarige, naar achteraf blijkt op een onjuiste grond die door de overheid zelf in het leven is geroepen, uit huis is geplaatst.5.Deze ongeoorloofde overheidsinmenging in haar familie- en gezinsleven moet volgens de moeder ongedaan worden gemaakt door haar in het gezag over de minderjarige te herstellen. Het belang van de minderjarige is hiermee gediend, omdat het verblijf in opvanghuizen haar geen goed heeft gedaan. Volgens de moeder wordt haar verzoek ondersteund door verklaringen en rapporten van verschillende deskundigen.6.
3.2
Om te beginnen merk ik het volgende op. Het is algemeen bekend dat de toeslagenaffaire veel leed heeft veroorzaakt bij gedupeerde gezinnen. Ook het hof benoemt dit in rov. 4.6, derde volzin, van de bestreden beschikking: ‘De rechtbank heeft (…) overwogen dat niet ter discussie staat dat schulden die voortkomen uit de toeslagenaffaire een langdurig en breed negatief effect hebben op gezinnen.’ Inmiddels zijn verschillende rapporten verschenen waaruit blijkt dat de toeslagenaffaire grote gevolgen heeft (gehad) voor het welzijn van minderjarigen uit gedupeerde gezinnen, zowel op de korte als de lange termijn. Een deel van de minderjarigen uit gedupeerde gezinnen heeft te maken gekregen met een of meer kinderbeschermingsmaatregelen (ondertoezichtstelling, art. 1:255 BW, uithuisplaatsing, art. 1:265a BW en gezagsbeëindiging, art. 1:266 BW). De vraag die dan opkomt is of en, zo ja, welke rol de toeslagenaffaire heeft gespeeld bij de beslissing van de rechter om een kinderbeschermingsmaatregel te gelasten of in stand te houden. In hoeverre kan een verband worden gelegd tussen enerzijds de gevolgen van de toeslagenaffaire voor de thuissituatie en het opvoedklimaat in gedupeerde gezinnen en anderzijds de kinderbeschermingsmaatregelen ten aanzien van minderjarigen uit deze gezinnen?
3.3
Uit verschillende rapporten die hierover zijn verschenen kan in algemene zin worden opgemaakt dat de financiële problematiek die is veroorzaakt door de toeslagenaffaire niet de enige reden is geweest waarop de beslissing van de rechter is gebaseerd om een kinderbeschermingsmaatregel te gelasten of in stand te houden voor minderjarigen uit gedupeerde gezinnen. Anders gezegd, zijn volgens deze rapporten de kinderbeschermingsmaatregelen niet één-op-één terug te voeren op de financiële problematiek die is veroorzaakt door de toeslagenaffaire. Uit deze rapporten komt het beeld naar voren dat de (minderjarigen uit) gedupeerde gezinnen kampten met verschillende problematiek, waaronder financiële zorgen in de thuissituatie. De kinderbeschermingsmaatregelen zijn derhalve niet louter gegrond op de financiële problematiek als gevolg van de toeslagenaffaire. Dit neemt niet weg dat de toeslagenaffaire de bestaande problematiek (op andere vlakken) in de thuissituatie van gedupeerde gezinnen kan hebben verergerd en op die manier van invloed kan zijn geweest op de beslissing tot het treffen of in stand houden van kinderbeschermingsmaatregelen.
3.4
Ik geef een overzicht van de relevante conclusies uit de verschillende rapporten die hierover zijn verschenen.
3.4.1
Allereerst wijs ik op het reflectierapport van de Raad voor de Kinderbescherming:7.
‘Uit het dossieronderzoek komt naar voren dat financiële problematiek in de onderzochte gezinssystemen in geen geval de enige reden was voor het verzoek tot uithuisplaatsing. In alle gevallen is gerapporteerd over meerdere stressfactoren binnen het gezinssysteem, waarvan financiële problematiek er een was. (…) Er was veelal sprake van een langdurige stressvolle situatie in deze gezinnen, waarbij geldzorgen in combinatie met de vaak aanwezige andere problemen, een negatieve uitwerking hadden op de draagkracht van ouders en de emotionele en fysieke beschikbaarheid van ouders voor hun kinderen.
Desalniettemin komt zowel uit de dossieranalyse als uit de gesprekken met de raadsmedewerkers naar voren dat het aannemelijk is dat de geldzorgen de al aanwezige problematiek hebben versterkt of in stand hebben gehouden. Zo kunnen de geldzorgen ook na de uithuisplaatsing een belemmerende factor zijn geweest bij het toewerken naar een thuisplaatsing van het kind. In dit kader is een opvallende bevinding dat het aantal door de RvdK verzochte beëindigingen van het ouderlijk gezag binnen deze groep gedupeerde gezinnen aan de hoge kant is (29%).’
3.4.2
Voorts wijs ik op een rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid:8.
‘De Inspectie constateert dat in geen van de onderzochte gezinnen de financiële problemen de enige reden zijn geweest voor het krijgen van een kinderbeschermingsmaatregel. De gevolgen van de financiële problemen – het in stand houden, het verergeren en/of het ontstaan van andere problemen – zijn wel meermaals meegewogen als factor in de afweging of een kinderbeschermingsmaatregel nodig was.
De Inspectie ziet dat in ten minste veertien van de onderzochte gezinnen een of meerdere kwetsbaarheden bestonden voor de dupering, zoals een complexe echtscheiding en/of een psychische kwetsbaarheid van ouder en/of kind. Door de terugvordering van de kinderopvangtoeslag en schuldeninning zonder menselijke maat die daarop volgde, kwamen bijna alle onderzochte gezinnen in een situatie van armoede en bestaansonzekerheid terecht. De financiële problemen hadden een langdurige ontwrichtende werking op het functioneren van ouders en kinderen. De veelvuldig ingezette hulp voor de multi-problematiek in de onderzochte gezinnen was onvoldoende effectief. Daarnaast was er wantrouwen bij de onderzochte gezinnen richting overheidsinstanties als gevolg van de dupering. De hulp stagneerde of werd onvoldoende benut. Hierdoor kwam een kinderbeschermingsmaatregel in beeld. (…)
De Inspectie ziet geen aanwijzingen dat het fraudelabel heeft meegewogen in de beoordeling of een kinderbeschermingsmaatregel nodig was bij de onderzochte gezinnen. Medewerkers van de RvdK en GI’s hebben in de onderzochte gezinnen de omvang van de financiële problemen en de inwerking hiervan op andere problemen veelal onvoldoende in beeld gehad. Het diepgaander uitvragen van financiële problemen van een gezin door medewerkers in de gehele jeugdbeschermingsketen kan meerwaarde hebben omdat het een beter inzicht geeft in hoe de financiële problematiek inspeelt op andere problemen, wat kan bijdragen aan het opstellen van haalbare doelen en het inzetten van passende hulp. Het handelingsperspectief van medewerkers van de RvdK en GI’s is echter beperkt om financiële problemen aan te pakken.’
3.4.3
In een rapport van de Rechtspraak wordt tot de volgende conclusie gekomen:9.
‘Uit het dossieronderzoek blijkt dat kinderrechters in de onderzochte beschikkingen voor geen enkel kind financiële problematiek noemden als de enige reden voor een uithuisplaatsing. Ook is financiële problematiek in de onderzochte beschikkingen niet de meest genoemde reden voor de uithuisplaatsingen. Het beeld dat naar voren komt uit het dossieronderzoek, is dat binnen een gezin vaak meerdere problemen bestonden die leidden tot de uithuisplaatsing. Financiële problematiek stond bij die redenen niet op de voorgrond.’
En:10.
‘Uit het voorgaande volgt dat financiële problematiek, veroorzaakt door de toeslagenaffaire, relatief weinig door kinderrechters in hun uitspraken wordt genoemd als reden voor de uithuisplaatsing. Andere redenen staan meer op de voorgrond. Bovendien is financiële problematiek nooit de enige reden voor een uithuisplaatsing. Dat is in lijn met jurisprudentie van het EHRM.’
3.4.4
Ook wijs ik op het kwantitatieve onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek:11.
‘Uit een vergelijking van de gedupeerdengroep met de brede vergelijkingsgroep blijkt dat de gedupeerden voor dupering vaker te maken kregen met kinderbeschermingsmaatregelen in het gezin. Deze verschillen kunnen worden verklaard door specifieke kenmerken en omstandigheden van gedupeerde gezinnen vóórdat ze gedupeerd raakten. Zo zijn gedupeerden gezinnen vaker een eenoudergezin en hebben ze vaker een lager huishoudinkomen dan niet gedupeerde gezinnen.
(…)
Vervolgens is de gedupeerdengroep vergeleken met de smalle vergelijkingsgroep. Er is in dit onderzoek geen bewijs gevonden dat gedupeerden als gevolg van dupering extra vaak in aanraking zijn gekomen met kinderbeschermingsmaatregelen. Gedupeerden hebben na dupering niet significant vaker te maken met kinderbeschermingsmaatregelen in het gezin dan voor dupering. Ook hebben zij niet vaker te maken met kinderbeschermingsmaatregelen dan de smalle vergelijkingsgroep.’
En:12.
‘Gemiddeld genomen heeft de dupering dus niet gezorgd voor extra kinderbeschermingsmaatregelen bij gedupeerden. Er is in dit onderzoek ook geen bewijs gevonden dat bepaalde subgroepen gedupeerden (bijvoorbeeld personen met een laag huishoudinkomen, alleenstaande ouders of personen met een migratieachtergrond) als gevolg van dupering wel disproportioneel in aanraking gekomen zijn met kinderbeschermingsmaatregelen na dupering. Dit betekent niet dat het uitgesloten kan worden dat er individuele gedupeerden zijn die als gevolg van de toeslagenaffaire dermate in de problemen zijn gekomen dat er kinderbeschermingsmaatregelen ingezet moesten worden.’
3.4.5
Het rapport van de Commissie Toeslagen en Uithuisplaatsingen wijkt af van de voorgaande conclusies:13.
‘De commissie concludeert dat de toeslagenaffaire bij bijna alle gezinnen die zij heeft gesproken, een dusdanig negatieve invloed heeft gehad op de gezinssituatie dat het uiteindelijk een uithuisplaatsing van een kind tot gevolg had. De schulden, armoede en financiële problemen, ontstaan door de toeslagenaffaire, zorgden vaak voor een plotselinge en onverwachte breuk in de stabiliteit van het gezin. Hierdoor ontstonden in de gezinnen problemen die er eerder niet waren of nog beheersbaar waren, bijvoorbeeld: financiële stress, mentale problemen, verlies van werk, conflicten tussen partners en een verslechterde relatie tussen de kinderen en hun ouders. De uithuisplaatsingen van de kinderen uit deze gedupeerde gezinnen hadden waarschijnlijk niet plaatsgevonden als de effecten van de toeslagenaffaire eerder waren gestabiliseerd. Ook in gezinnen die al voor de toeslagenaffaire te kampen hadden met problemen, heeft de toeslagenaffaire de situatie verergerd.’
3.5
Indien de rechter een kinderbeschermingsmaatregel gelast of in stand houdt uitsluitend of voornamelijk op grond van de financiële problematiek die als gevolg van de toeslagenaffaire is ontstaan in een gezin, levert dat een flagrante schending op van art. 8 EVRM. Uit rechtspraak van het EHRM volgt namelijk dat louter financiële problematiek geen grond kan zijn om een minderjarige van zijn ouders te scheiden op grond van een kinderbeschermingsmaatregel.14.Anders dan de procesinleiding in cassatie suggereert,15.lijkt hiervan in de onderhavige zaak geen sprake te zijn. Hoewel het buiten het bestek van de onderhavige cassatieprocedure valt (de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing is immers niet de inzet van deze procedure), heb ik uit de mij ter beschikking staande stukken niet kunnen opmaken dat de machtiging voor de uithuisplaatsing van de minderjarige louter is gebaseerd op financiële problematiek van de moeder. Er zijn zorgen geuit over ‘(…) de huisvesting en het inkomen en het welzijn van de minderjarigen’.16.Er lijkt dus meer aan de hand te zijn geweest dan alleen financiële problematiek.
3.6
Ik kom nu toe aan een bespreking van de klachten. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 betoogt dat het hof het verzoek van de moeder op grond van art. 1:277 lid 1 BW om te worden hersteld in het gezag over de minderjarige volgens een onjuiste maatstaf heeft beoordeeld in rov. 4.6 e.v. van de bestreden beschikking. Het middel zet dit als volgt uiteen.
3.6.1
Het hof heeft het verzoek van de moeder uitsluitend beoordeeld op grond van de actuele feiten en omstandigheden. Ten onrechte betrekt het hof hierbij niet de relevante feiten en omstandigheden uit het verleden die tot de uithuisplaatsing van de minderjarige hebben geleid. Het hof had moeten meewegen dat de moeder erkend gedupeerde is van de toeslagenaffaire en dat de hierdoor ontstane (financiële) instabiliteit in haar thuissituatie heeft geleid tot de uithuisplaatsing van de minderjarige en uiteindelijk de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder.17.
3.6.2
Ten onrechte heeft het hof beslist dat de feiten en omstandigheden die in het verleden hebben geleid tot de uithuisplaatsing van de minderjarige en (vervolgens) de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder eerder door de rechter zijn getoetst en dat de onderhavige procedure niet kan leiden tot een (her)beoordeling van die eerdere beslissingen.
3.6.3
Een kinderbeschermingsmaatregel kan niet worden gerechtvaardigd door de zorgen over de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de moeder en de zorgen over het welzijn van de minderjarige, wanneer deze zorgen zijn veroorzaakt door de (financiële gevolgen van de) toeslagenaffaire. De overheid is immers zelf verantwoordelijk voor het ontstaan van deze zorgen.
3.6.4
Anders dan het hof heeft geoordeeld levert de verzwaarde opvoedbehoefte van de minderjarige geen grond op om het verzoek van de moeder af te wijzen, aangezien deze opvoedbehoefte het gevolg is van het overheidsingrijpen in het familie- en gezinsleven van de moeder dat achteraf gezien – zo blijkt uit de toeslagenaffaire – onrechtmatig is geweest.
3.7
Bij de behandeling van deze klachten stel ik het volgende voorop. Buiten de gevallen genoemd in art. 1:277 lid 2 BW, geldt dat de ouder wiens gezag over een minderjarige is beëindigd op grond van een maatregel zoals bedoeld in art. 1:266 lid 1 BW, de rechter op grond van art. 1:277 lid 1 BW kan verzoeken om in het gezag over een minderjarige te worden hersteld. De rechter kan de ouder in het gezag over een minderjarige herstellen indien (a) herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is en (b) de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen. De vereisten vermeld in sub a en b van art. 1:277 lid 1 BW gelden cumulatief, waarbij de invulling van deze vereisten afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het geval.18.
3.8
Een verzoek op grond van art. 1:277 lid 1 BW volgt op een beslissing waarin het gezag van een ouder is beëindigd op grond van art. 1:266 lid 1 BW. Het gezag van een ouder kan worden beëindigd indien (a) een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of (b) de ouder het gezag misbruikt. Hoewel dat niet met zoveel woorden in art. 1:277 lid 1 BW tot uitdrukking wordt gebracht, veronderstelt het artikel dat een verzoek om herstel in het gezag wordt gedaan wanneer sinds de gezagsbeëindiging de omstandigheden in de situatie van de ouder en/of de minderjarige (in positieve zin) zijn gewijzigd.
3.9
In de memorie van toelichting bij art. 1:277 BW is het volgende vermeld:19.
‘Dit artikel geeft de gronden waarop een ouder na een gezagsbeëindigende maatregel in het gezag hersteld kan worden. Bij de keuze die moet worden gemaakt of herstel van het ouderlijk gezag is aangewezen, is het belang van het kind uitgangspunt. Daarbij staat het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid centraal. Ook in de gevallen dat aan de voorwaarde onder b is voldaan en de ouder derhalve in staat is om de verzorging en opvoeding duurzaam op zich te nemen, kan in bepaalde gevallen de rechtbank het verzoek afwijzen om redenen die gelegen zijn in het belang van het kind. Na een langdurige uithuisplaatsing en verblijf in een pleeggezin kan herstel in het gezag bijvoorbeeld om redenen van het daardoor moeten doorbreken van een stabiele opvoedingssituatie niet in het belang van het kind zijn. Dit is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en dient uitdrukkelijk door de rechtbank te worden onderbouwd in haar beschikking.’
De wetgever heeft hierbij beoogd een evenwichtige balans te vinden tussen het belang van de minderjarige en het belang van de ouder:20.
‘De formulering van het artikel is (…) aangepast aan de vereisten van het EVRM. In het voorontwerp was opgenomen dat de rechtbank het verzoek tot herstel in het ouderlijk gezag slechts mocht toewijzen indien zij «herstel in het gezag in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt». Door deze formulering zou elk zelfstandig belang van de ouder bij herstel van het gezag niet in de beoordeling betrokken kunnen worden, omdat uitsluitend het belang van het kind zou tellen. Bovendien zou het belang van het kind bij herstel sterk moeten zijn: noodzakelijkheid is sterker dan de nu gekozen formulering, namelijk dat herstel in het gezag in het belang van het kind is.’
3.10
In de memorie van toelichting is vermeld dat bij de beoordeling van een verzoek op grond van art. 1:277 lid 1 BW het belang van de minderjarige uitgangspunt is, waarbij het recht van de minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid centraal staat. Dit betekent dat de beoordeling van een verzoek op grond van art. 1:277 lid 1 BW dient te geschieden met het oog op de toekomstige ontwikkeling van de minderjarige. Dit vraagt om een toekomstgerichte benadering van de vraag of het verzoek om herstel in het gezag moet worden toegewezen, te beoordelen aan de hand van de actuele feiten en omstandigheden. Voor toewijzing van het verzoek is derhalve niet voldoende dat de gronden die eerder tot de gezagsbeëindiging hebben geleid niet meer aanwezig zijn.21.Ik verwijs hiervoor naar het in de memorie van toelichting genoemde voorbeeld dat een langdurig verblijf van de minderjarige in een pleeggezin en de hechting die hierdoor is ontstaan in de weg kan staan aan toewijzing van het verzoek, zelfs als de opvoedvaardigheden van de ouder blijvend zijn verbeterd. Hieruit volgt dat het belang van de minderjarige vereist dat een verzoek op grond van art. 1:277 lid 1 BW beoordeeld dient te worden aan de hand van de actuele feiten en omstandigheden van het geval. Vanuit de actuele situatie van de minderjarige en de ouder zal de rechter op grond van de vereisten van art. 1:277 lid 1 sub a en b BW moeten beoordelen of herstel in het gezag met het oog op de toekomstige ontwikkeling van de minderjarige is gerechtvaardigd.
3.11
Toetsing van een verzoek om herstel in het gezag op grond van art. 1:277 lid 1 BW naar de actuele stand van zaken, sluit aan bij de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot art. 8 EVRM, waaruit kort gezegd volgt dat, in geval van een schending van het recht op een familie- en gezinsleven als gevolg van de scheiding tussen de minderjarige en (een van) zijn ouders op grond van een kinderbeschermingsmaatregel die niet voldoet aan de voorschriften van art. 8 EVRM, dit niet noodzakelijkerwijs betekent dat de minderjarige en (een van) de ouders herenigd zullen moeten worden.22.De belangen van de minderjarige om, na het verstrijken van een aanzienlijke periode na de scheiding van (een van) zijn ouders, zijn feitelijke gezinssituatie (bij pleegouders, een gezinshuis, etc.) te kunnen voortzetten, kunnen immers prevaleren boven de belangen van (een van) de ouders bij gezinshereniging.23.Het belang van de minderjarige met het oog op zijn toekomstige ontwikkeling staat derhalve centraal.
3.12
Anders dan onderdeel 1 betoogt heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd bij de beoordeling van het verzoek van de moeder op grond van art. 1:277 lid 1 BW. Tegen de achtergrond van hetgeen ik hiervoor heb vermeld, is het hof terecht nagegaan of het verzoek van de moeder toewijsbaar is op grond van de actuele feiten en omstandigheden van het geval. Zie rov. 4.6, voorlaatste volzin: ‘Het hof dient in deze zaak te beoordelen of herstel in het gezag van de moeder thans in het belang van [de minderjarige] is’, en rov. 4.8, tweede alinea, tweede volzin: ‘De vraag die het hof in de onderhavige zaak dient te beantwoorden is of, uitgaande van de actuele feiten en omstandigheden, herstel in het gezag in het belang van [de minderjarige] is en of de moeder duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen’. Bij deze beoordeling heeft het hof, in overeenstemming met de uit de memorie van toelichting blijkende bedoeling van de wetgever, een toekomstgerichte benadering van de vereisten van art. 1:277 lid 1 sub a en b BW voor ogen gehad. Zie rov. 4.6, laatste volzin: ‘Het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van [de minderjarige] vormt voor het hof het centrale uitgangspunt voor de beoordeling van het verzoek van de moeder’.
3.13
Bij de beoordeling van het verzoek van de moeder op grond van art. 1:277 lid 1 BW heeft het hof alle relevante actuele feiten en omstandigheden in acht genomen, waarbij het hof blijkens de uitvoerige motivering in rov. 4.6 e.v. voldoende is ingegaan op de in rov. 4.2 weergegeven stellingen van de moeder ter onderbouwing van haar verzoek. Weliswaar benoemt het hof hierbij ook feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het verleden van de minderjarige (rov. 4.7),24.maar deze informatie heeft het hof slechts gebruikt om duidelijk te maken ‘(…) dat de situatie van [de minderjarige] zorgelijk is en dat [de minderjarige] een verzwaarde opvoedbehoefte heeft’ (rov. 4.8, eerste volzin). Op basis van alle relevante actuele feiten en omstandigheden is het hof tot de volgende conclusie gekomen: ‘De huidige situatie is dat [de minderjarige] kampt met ernstige problematiek en een verzwaarde opvoedvraag heeft. Voor het hof is het nog altijd niet duidelijk of de moeder over de voor [de minderjarige] benodigde opvoedcapaciteiten beschikt (…). Ook is tot op heden geen zicht gekomen op de interactiepatronen tussen de moeder en [de minderjarige] , anders dan het negatieve patroon dat het verblijf van [de minderjarige] bij de moeder telkens weer uitmondt in een escalatie.’ (rov. 4.8, derde alinea, derde volzin e.v.) Op deze redenering van het hof valt naar mijn mening weinig aan te merken.
3.14
Een van de stellingen van de moeder in appel was dat de rechtbank bij de beoordeling van haar verzoek ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan het feit dat zij en de minderjarige gedupeerden zijn van de toeslagenaffaire en dat dit de reden is dat de minderjarige uit huis is geplaatst (grief 4).25.In rov. 4.6, tweede alinea, tweede volzin, overweegt het hof hierover: ‘Voor zover de moeder met deze grief betoogt dat zij reeds vanwege de toeslagenaffaire in het gezag over [de minderjarige] moet worden hersteld, miskent zij dat de vraag of een ouder in het gezag kan worden hersteld als eerste moet worden beoordeeld naar de maatstaven van artikel 1:277, eerste lid BW.’ Zie ook rov. 4.8, derde alinea, tweede volzin: ‘Het gegeven dat de moeder het slachtoffer is geworden van de toeslagenaffaire laat voor het hof echter onverlet dat voor de beoordeling van het onderhavige verzoek de huidige situatie van belang is en niet het ontstaan daarvan.’ Dit oordeel van het hof over de betekenis van de toeslagenaffaire voor de onderhavige zaak is rechtens juist. Immers, zelfs als met de moeder zou worden aangenomen dat de uithuisplaatsing van de minderjarige op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden en de verzwaarde opvoedbehoefte van de minderjarige daaruit is voortgekomen, ontslaat dat de rechter niet van de verplichting om het verzoek van de moeder volgens de actuele situatie te toetsen aan de vereisten van art. 1:277 lid 1 BW. Dat is ook wat het hof bedoelt in rov. 4.6, tweede alinea, laatste drie volzinnen: ‘Recht op herstel voor de moeder als gedupeerde van de toeslagenaffaire houdt niet in dat bij een verzoek tot herstel in het gezag de toetsing aan het wettelijke kader van artikel 1:277 BW achterwege dient te blijven. Het hof dient in deze zaak te beoordelen of herstel in het gezag van de moeder thans in het belang van [de minderjarige] is. Het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van [de minderjarige] vormt voor het hof het centrale uitgangspunt voor de beoordeling van het verzoek van de moeder.’ Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat de toeslagenaffaire een doorslaggevende, althans zwaarwegende betekenis heeft bij de beoordeling van het verzoek van de moeder, faalt dit betoog. Nu het hof voor de beoordeling van het verzoek van de moeder heeft te toetsen of op grond van de actuele situatie voldaan is aan de vereisten van art. 1:277 lid 1 sub a en b BW, heeft het hof terecht geen gewicht toegekend aan de stelling van de moeder dat het overheidsingrijpen in haar familie- en gezinsleven van meet af niet heeft voldaan aan de daarvoor geldende maatstaf. De onderhavige procedure leent zich niet voor een (her)beoordeling van de beslissingen die in het verleden hebben geleid tot de uithuisplaatsing van de minderjarige en de ontheffing van het gezag van de moeder.
3.15
Verder voert onderdeel 1 aan dat de beslissing van het hof om het verzoek van de moeder op grond van art. 1:277 lid 1 BW af te wijzen onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Het middel zet dit als volgt uiteen.
3.15.1
De overweging van het hof dat het geen aanleiding heeft om te oordelen dat de vorige gecertificeerde instelling haar taak heeft vervuld op een wijze die tot een andere uitkomst van de procedure zou moeten leiden (rov. 4.9), is innerlijk tegenstrijdig met de overweging van het hof dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de beoordeling van de vraag of jeugdbeschermingsinstanties bij de uitvoering van hun taken onrechtmatig hebben gehandeld (rov. 4.6).
3.15.2
Ten onrechte is het hof voorbij gegaan aan de stellingen van de moeder en haar bewijsaanbod met betrekking tot de onjuiste vervulling van de taken door de gecertificeerde instelling. Als vast zou komen te staan dat de uitvoering van de taken door de gecertificeerde instelling in strijd is met het belang van de minderjarige, is dat beslissend voor de vraag of de minderjarige gediend is met herstel in het gezag van de moeder.
3.15.3
Ook is het hof ten onrechte voorbij gegaan aan de stellingen van de moeder en haar bewijsaanbod ter weerlegging van het standpunt van de gecertificeerde instelling dat de moeder door middel middel van psychodiagnostisch onderzoek moet aantonen dat zij over opvoedkwaliteiten bezit die zijn afgestemd op de verzwaarde opvoedbehoefte van de minderjarige.
3.16
De klacht over de innerlijke tegenstrijdigheid in het oordeel van het hof gaat eraan voorbij dat de in het middel aangehaalde overwegingen in rov. 4.6 en 4.9 betrekking hebben op verschillende punten. In rov. 4.6, tweede alinea, vierde volzin, gaat het hof in op het betoog van de moeder dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar stelling dat de jeugdbeschermingsinstanties bij de uitvoering van hun taken in het kader van de eerdere kinderbeschermingsmaatregelen onrechtmatig hebben gehandeld.26.Terecht overweegt het hof hierover dat de onderhavige procedure zich niet leent voor beantwoording van die vraag, nu deze procedure tot inzet heeft of herstel in het gezag van de moeder in het belang van de minderjarige is, waarbij het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van de minderjarige het centrale uitgangspunt vormt. In rov. 4.9, laatste volzin, gaat het hof in op de onderhavige procedure, in welk verband het hof duidelijk maakt dat het geen aanleiding heeft om te oordelen dat de vorige gecertificeerde instelling haar taak heeft vervuld op een wijze die tot een andere uitkomst in deze procedure zou moeten leiden. Ik merk hierbij nog op dat een eventueel gebrek in de uitvoering van de taken van een gecertificeerde instelling niet betekent dat een verzoek om herstel in het gezag om die reden ook moet worden toegewezen. De rechter zou deze omstandigheid in zijn oordeelsvorming kunnen betrekken, zij het dat steeds voldaan dient te zijn aan de vereisten van art. 1:277 lid 1 sub a en b BW.
3.17
De klacht over het passeren van stellingen van de moeder en haar bewijsaanbod met betrekking tot de onjuiste vervulling van de taken door de gecertificeerde instelling faalt eveneens. De klacht berust op de onjuiste veronderstelling dat een eventueel gebrek in de uitvoering van de taken van de gecertificeerde instelling een doorslaggevende of zwaarwegende betekenis heeft bij de beoordeling van het verzoek van de moeder. Voor zover de klacht ziet op stellingen van de moeder met betrekking tot de uitvoering van de taken van de gecertificeerde instelling in het kader van de uithuisplaatsing, geldt dat aan deze stellingen geen betekenis toekomt nu de inzet van de onderhavige procedure niet de uithuisplaatsing betreft maar het verzoek om herstel in het gezag van de moeder. Voor zover de klacht ziet op de stellingen van de moeder met betrekking tot het optreden van de vorige gecertificeerde instelling als voogdes van de minderjarige, geldt dat het hof dit betoog van de moeder in zijn oordeelsvorming heeft betrokken en tot de niet onbegrijpelijke beslissing is gekomen dat het geen aanleiding ziet om te oordelen dat de vorige gecertificeerde instelling haar taak geeft vervuld op een wijze die tot een andere uitkomst in deze procedure zou moeten leiden. Hierin ligt besloten het oordeel dat, ook wanneer rekening wordt gehouden met de wijze van uitvoering van de taken van de vorige gecertificeerde instelling, niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 1:277 lid 1 sub a en b BW om het verzoek van de moeder te kunnen toewijzen.
3.18
Zoals hierna bij de bespreking van onderdeel 2 zal blijken, heeft het hof met het oog op het vereiste van art. 1:277 lid 1 sub b BW terecht van belang geacht of de moeder in staat is om te voldoen aan de bijzondere opvoedbehoefte van de minderjarige. Beide partijen hebben de gelegenheid gekregen om hun standpunten hierover naar voren te brengen en te onderbouwen met bewijsstukken. Voor zover het middel betoogt dat het hof hierbij voorbij is gegaan aan de stellingen van de moeder, faalt het. Ik verwijs hiervoor naar de bespreking van onderdeel 2.
3.19
Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de klachten van onderdeel 1 tevergeefs zijn voorgesteld.
3.20
Onderdeel 2 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8 van de bestreden beschikking met betrekking tot het door de moeder in het geding gebrachte rapport van iMindU GGZ van 17 september 2024 en de brief van Molendrift van 26 september 2022. De klachten komen op het volgende neer.
3.20.1
Ten onrechte is het hof voorbij gegaan aan verschillende door de moeder in het geding gebrachte verklaringen en rapporten van deskundigen waaruit blijkt dat het in het belang van de minderjarige is dat de moeder in het gezag wordt hersteld.27.Ten onrechte heeft het hof een deel van deze ingebrachte stukken niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken.
3.20.2
Twee van de ingebrachte stukken noemt het hof wel (het rapport van iMindU GGZ van 17 september 2024 en de brief van Molendrift van 26 september 2022), maar het hof volgt het advies van de deskundigen niet omdat deze stukken niets zouden vermelden over de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van de minderjarige. Dit oordeel van het hof is onjuist dan wel onbegrijpelijk.
3.20.3
Ten onrechte hecht het hof te veel waarde aan de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van de minderjarige. Het hof maakt niet duidelijk waarom het afwijkt van het advies van de deskundigen dat de minderjarige, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, het beste af is bij de moeder.28.Bovendien staat vast dat de moeder over voldoende opvoedkwaliteiten beschikt, omdat zij haar andere twee kinderen zonder problemen opvoedt.
3.20.4
Feitelijk onjuist en ontoereikend gemotiveerd is het oordeel van het hof dat geen, althans onvoldoende basis bestaat voor een constructieve en bestendige communicatie tussen de moeder en jeugdbeschermings- en hulpverleningsinstanties. Uit verschillende stukken die door de moeder in het geding zijn gebracht blijkt genoegzaam van het tegendeel.
3.20.5
Onbegrijpelijk is waarom het hof overweegt dat het rapport van iMindU GGZ niet is ondertekend. Als het hof dit van belang achtte, is onbegrijpelijk waarom het hof niet is ingegaan op het aanbod van [kinderpsychiater] (onder wiens leiding het rapport tot stand is gekomen) om het rapport zo nodig toe te lichten.
3.21
Heeft het hof een of meer stukken van deskundigen, die door de moeder zijn overgelegd ter onderbouwing van haar verzoek (anders dan het rapport van iMindU GGZ en de verklaring van Molendrift), ten onrechte buiten beschouwing gelaten? Ik meen van niet. Allereerst geldt dat een aantal van de stukken die het hof buiten beschouwing zou hebben gelaten, in het appelschrift slechts worden aangestipt zonder verdere (relevante) onderbouwing.29.Reeds om deze reden behoefde het hof aan deze stukken geen uitdrukkelijke aandacht te besteden. Hierbij komt dat bestudering van deze stukken leert, dat zij geen of onvoldoende (onderbouwde) informatie bevatten over de opvoedcapaciteiten die de moeder nodig heeft in relatie tot de verzwaarde opvoedbehoefte van de minderjarige. Als voorbeeld noem ik de in de procesinleiding in cassatie (p. 14) aangehaalde verklaring van [betrokkene 1] van 4 maart 2022, waarin staat: ‘Conclusie in casu: op basis van algemeen aanvaarde in de empirische wetenschap verankerde pedagogische en ontwikkelingspsychologische inzichten dient het contact met de biologische moeder op de kortst mogelijke termijn te worden hersteld.’ Het ontgaat mij wat de relevantie is van dit advies over contactherstel tussen de moeder en de minderjarige voor de vraag of het verzoek van de moeder om herstel in het gezag van de moeder moet worden toegewezen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in rov. 4.11 gemeend dat deze stukken de moeder niet kunnen baten (‘Al hetgeen overigens door de moeder is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.’).
3.22
Verder miskent de klacht dat art. 1:277 lid 1 BW twee cumulatieve voorwaarden stelt waarvan die onder sub b inhoudt dat de ouder in kwestie duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen. In overeenstemming met dit vereiste heeft het hof getoetst of de moeder duurzaam in staat is om de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen. Zie rov. 4.8, tweede alinea, tweede volzin: ‘De vraag die het hof in de onderhavige zaak dient te beantwoorden is of, uitgaande van de actuele feiten en omstandigheden, herstel in het gezag in het belang van [de minderjarige] is en of de moeder duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen.’ Deze overweging is rechtens juist. Dat de minderjarige volgens de ingebrachte stukken van deskundigen het beste af zou zijn bij de moeder, komt hooguit betekenis toe in het kader van het vereiste van art. 1:277 lid 1 sub a BW dat herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, maar dit betekent nog niet dat daarmee ook is voldaan aan het vereiste van art. 1:277 lid 1 sub b BW met betrekking tot de opvoedvaardigheden van de moeder.
3.23
Uitgaande van de vaststelling van het hof dat ‘ [de minderjarige] een belaste voorgeschiedenis heeft’ (rov. 4.7, eerste volzin) en ‘de situatie van [de minderjarige] zorgelijk is en dat [de minderjarige] een verzwaarde opvoedbehoefte heeft’ (rov. 4.8, eerste alinea, eerste volzin),30.is het hof in het kader van het vereiste van art. 1:277 lid 1 sub b BW nagegaan of de moeder over de opvoedkwaliteiten beschikt die in relatie tot de ‘specifieke opvoedbehoeften van [de minderjarige] ’ van haar verwacht kunnen worden (rov. 4.8, tweede alinea, zevende volzin). Het hof heeft hiermee een juiste maatstaf aangelegd. Immers, de vraag of een ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is te dragen, zoals bedoeld in art. 1:277 lid 1 sub b BW, zal beantwoord moeten worden volgens de specifieke situatie van de minderjarige. Nadat het hof de opvoedbehoefte van de minderjarige in kaart heeft gebracht en op basis daarvan een inschatting heeft gemaakt van de opvoedstijl waarbij de minderjarige (het meest) is gebaat, heeft het hof vastgesteld over welke opvoedcapaciteiten de moeder dient te beschikken om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te kunnen dragen.
3.24
Heeft het hof kunnen oordelen dat uit de stukken die de moeder in het geding heeft gebracht niet is gebleken dat zij duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen (art. 1:277 lid 1 sub b BW)? Ik meen van wel.
3.24.1
Het hof heeft gemotiveerd uiteengezet waarom het niet het advies van het rapport van iMindU GGZ volgt. Zie rov. 4.8, tweede alinea, zevende volzin: ‘Het rapport zegt niets over de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van [de minderjarige] , dan wel over de interactie tussen de moeder en [de minderjarige] . Blijkens het rapport heeft de moeder geen toestemming gegeven voor het delen van haar eigen multidisciplinaire klinische en psychodiagnostische rapportage, noch voor een samenvatting en conclusie hiervan. Een persoonlijkheidsonderzoek is niet afgenomen omdat bij [de minderjarige] sprake is van complexe traumatisering en epistemisch wantrouwen en de voorliggende diagnose eerst behandeling verdient. Het moeder-dochter interactie-onderzoek heeft niet plaatsgevonden omdat dit onder de omstandigheden niet goed mogelijk bleek.’ Naar mijn mening volstaat deze motivering om het oordeel van het hof om voorbij te gaan aan het advies van dit rapport begrijpelijk te maken. Uit de in het middel aangehaalde passages uit dit rapport31.blijkt niet dat de moeder beschikt over de opvoedcapaciteiten die op grond van art. 1:277 lid 1 sub b BW zijn vereist in relatie tot de specifieke opvoedbehoefte van de minderjarige. Zie rov. 4.8, derde alinea, vierde volzin: ‘Voor het hof is het nog altijd niet duidelijk of de moeder over de voor [de minderjarige] benodigde opvoedcapaciteiten beschikt, het rapport biedt op dit punt geen enkel inzicht’. Dat de moeder wel over voldoende opvoedcapaciteiten zou beschikken, blijkt volgens het middel ook uit het feit dat zij haar overige twee kinderen zonder problemen opvoedt. Dit argument gaat echter niet op. Hiermee miskent het middel dat de opvoedbehoeften van de kinderen onderling kunnen verschillen en dat het mogelijk is dat de opvoedcapaciteiten van de moeder voor het ene kind wel voldoende zijn maar voor het andere kind niet.
3.24.2
Overigens heeft het hof geen betekenis toegekend aan het feit dat het rapport van iMindU GGZ niet is ondertekend. In rov. 4.8, tweede alinea, vierde volzin, geeft het hof slechts het standpunt van de gecertificeerde instelling hierover weer: ‘De GI WSS heeft in haar reactie op het rapport allereerst aangegeven dat het rapport niet is ondertekend en dat daaruit niet is op te maken welke deskundige welk onderdeel van het rapport heeft opgesteld.’ De niet-ondertekening van het rapport van iMindU GGZ heeft het hof zelf niet als argument gebruikt om voorbij te gaan aan het advies van dit rapport. Het hof is op inhoudelijke gronden voorbij gegaan aan het advies van dit rapport.
3.24.3
Verder heeft het hof in rov. 4.8, derde alinea, kunnen oordelen dat ook de brief van Molendrift van 26 september 2022 onvoldoende basis biedt voor herstel in het gezag van de moeder op dit moment. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof uit deze brief niet kunnen opmaken dat de moeder over de voor de minderjarige vereiste bijzondere opvoedcapaciteiten beschikt. Uit de in het middel aangehaalde passages uit deze brief32.kan niet het tegendeel worden opgemaakt. Aan de inhoud van deze brief heeft het hof juist een argument ontleend dat zich tegen toewijzing van het verzoek van de moeder verzet: ‘(…) dat de moeder en de minderjarige intensieve hulpverlening nodig hebben om hun relatie opnieuw op te bouwen’. (rov. 4.8, derde alinea, zesde volzin) Dit laatste is als zodanig ook door de moeder erkend.33.
3.25
Ten slotte faalt ook de klacht met betrekking tot de overweging van het hof dat geen, althans onvoldoende basis bestaat voor een constructieve en bestendige communicatie tussen de moeder en jeugdbeschermings- en hulpverleningsinstanties. In rov. 4.8, derde alinea, negende volzin, overweegt het hof: ‘Onder deze omstandigheden acht het hof herstel van het gezag niet in het belang van [de minderjarige] , ook niet als wordt uitgegaan van een scenario waarbij het gezag wordt hersteld en [de minderjarige] niet thuis woont. Dit scenario vereist in ieder geval een constructieve en bestendige communicatie en samenwerking tussen de moeder en de jeugdbeschermings- en hulpverleningsinstanties. Daarvoor bestaat thans geen, althans onvoldoende basis.’34.Deze overweging komt mij niet onbegrijpelijk voor in het licht van de vaststelling van het hof dat het contact tussen de vorige gecertificeerde instelling en de moeder moeizaam verloopt, het wantrouwen van de moeder richting deze gecertificeerde instelling te groot is om direct te communiceren waardoor de communicatie via haar advocaat verloopt, en het de jeugdbeschermer niet lukte om met de moeder in contact te komen (rov. 4.7, tweede alinea). Ik wijs in dit verband op de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024, waarin het verzoek van de vorige gecertificeerde instelling om te worden ontslaan uit de voogdij over de minderjarige ten gunste van de huidige gecertificeerde instelling is toegewezen, omdat een constructieve samenwerking niet mogelijk is.35.Dat de moeder zich op momenten ook constructief heeft opgesteld, zoals het middel aan de hand van voorbeelden illustreert,36.neemt niet weg dat het hof in de hiervoor bedoelde zin heeft kunnen overwegen.
3.26
Geen van de klachten van onderdeel 2 treft derhalve doel.
3.27
Ten slotte merk ik nog het volgende op. Op [geboortedatum] 2025 zal de minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereiken, waardoor zij niet langer onder gezag staat (art. 1:245 lid 1 BW). Vanaf die datum kan van een herstel in het gezag van de moeder dan ook geen sprake meer zijn. Voor het geval de Hoge Raad na [geboortedatum] 2025 uitspraak zal doen, rijst de vraag of de moeder nog belang heeft bij haar verzoek. Immers, ook als het cassatieberoep zou slagen kan dat niet leiden tot herstel in het gezag van de moeder over haar – in dat geval meerderjarige – dochter. Hierbij is van belang dat een afwijzing van het verzoek om herstel in het gezag een inmenging in het familie- en gezinsleven betekent die gerechtvaardigd moet zijn (art. 8 lid 2 EVRM).37.Betoogd zou kunnen worden dat de moeder na [geboortedatum] 2025 een rechtens relevant belang blijft hebben om te laten beoordelen of deze inmenging in haar familie- en gezinsleven gerechtvaardigd was.38.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑07‑2025
Gerechtshof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3286, rov. 2.1 t/m 2.9.
HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:943, NJ 2017/316, m.nt. S.F.M. Wortmann.
Rb. Rotterdam 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10442. In de in cassatie bestreden beschikking wordt de vorige gecertificeerde instelling aangeduid als ‘GI LdH’ en de huidige gecertificeerde instelling als ‘GI WSS’.
HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:924, RvdW 2024/643.
Zie procesinleiding in cassatie, p. 2: ‘Aldus is de financiële situatie vanwege het Toeslagenschandaal doorslaggevend geweest om de uithuisplaatsing van haar dochter te bevelen.’ Zie ook het standpunt van de moeder zoals weergegeven op p. 3 van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022: ‘Naar inmiddels is gebleken, is de uithuisplaatsing van [de minderjarige] het directe gevolg geweest van de toeslagenaffaire.’
Zie procesinleiding in cassatie, p. 3-4.
Raad voor de Kinderbescherming, Breder kijken dan het kind. Een interne reflectie op de uithuisplaatsingen van kinderen van gedupeerden door de Kinderopvangtoeslagenaffaire, 2025, p. 57.
Inspectie Justitie en Veiligheid, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Het kind van de rekening. Waarom door de toeslagenaffaire gedupeerde gezinnen te maken kregen met een kinderbeschermingsmaatregel, 2023, p. 8-9.
De Rechtspraak, De weging van schulden bij uithuisplaatsingen. Dossieronderzoek en aanbevelingen naar aanleiding van de kinderopvangtoeslagenaffaire, 2025, p. 11.
De Rechtspraak, De weging van schulden bij uithuisplaatsingen. Dossieronderzoek en aanbevelingen naar aanleiding van de kinderopvangtoeslagenaffaire, 2025, p. 43.
Centraal Bureau voor de Statistiek, Jeugdbescherming en de toeslagenaffaire. Kwantitatief onderzoek naar kinderbeschermingsmaatregelen bij kinderen van gedupeerden van de toeslagenaffaire, 2023, onder Samenvatting voorafgaand aan hoofdstuk 1 en Conclusies in hoofdstuk 7.
Centraal Bureau voor de Statistiek, Jeugdbescherming en de toeslagenaffaire. Kwantitatief onderzoek naar kinderbeschermingsmaatregelen bij kinderen van gedupeerden van de toeslagenaffaire, 2023, onder Conclusies in hoofdstuk 7.
Commissie Toeslagen en Uithuisplaatsingen, Erfenis van onrecht. De blijvende impact van de toeslagenaffaire op het leven van uit huis geplaatste kinderen, 2025, p. 6.
Zie bijvoorbeeld EHRM 18 juni 2013, zaaknr. 28775/12 (R.M.S./Spanje), punt 84 e.v.; EHRM 18 december 2008, zaaknr. 39948/06 (Savigny/Oekraïne), punt 55 e.v. Zie ook M.R. Bruning & K.A.M. van der Zon, Uithuisplaatsing van kinderen. Europese controverse en de rol van het EHRM, NTM/NJCM-Bull. 2022/1, p. 12-13; K.A.M. van der Zon, De doorwerking van het verleden in de toekomst. Het EHRM over uithuisplaatsingen en armoede, FJR 2025/27, p. 142 e.v.
Zie procesinleiding in cassatie, p. 2 (‘Kern van de zaak’), waar wordt opgemerkt: ‘Moeder is een ‘erkend toeslagengedupeerde’. Op basis van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2009 is onder meer haar kind van toen 15 maanden oud, [de minderjarige] uit huis geplaatst want: ‘er zijn veel zorgen om de huisvesting en het inkomen van de moeder en het welzijn van de minderjarigen.’ Aldus is de financiële situatie vanwege het Toeslagenschandaal doorslaggevend geweest om de uithuisplaatsing van haar dochter te bevelen.’.
Zie de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2009 waarin de machtiging voor de uithuisplaatsing van de minderjarige en twee andere kinderen van de moeder is verlengd. Op. 2 van deze beschikking overweegt de rechtbank onder meer: ‘De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is als zij voorlopig nog in een pleeggezin verblijven. De stichting en andere hulpinstanties hebben meerdere malen getracht om contact op te nemen met de moeder en met haar haar situatie te bespreken, maar zij weigert inzicht in haar situatie te geven. Voordat er gesproken kan worden van een terugplaatsing bij de moeder zal zij eerst haar leven op orde moeten brengen, hulp moeten accepteren en inzicht moeten geven in haar woonsituatie.’ De beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2009 waarin de eerste (voorlopige) machtiging voor de uithuisplaatsing van de minderjarige is verleend, ontbreekt in het procesdossier.
Terzijde maak ik een opmerking over de terminologie. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2012 is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige (zie 2.4 van mijn conclusie). De maatregel van ontheffing van het ouderlijk gezag is per 1 maart 2015 vervangen door de maatregel van gezagsbeëindiging (art. 1:266 BW); zie Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014, 130. In het vervolg van mijn conclusie gebruik ik beide termen, waarmee steeds hetzelfde wordt bedoeld.
Kamerstukken II 2008-2009, 32 015, nr. 3, p. 37; J.I. Huijer, GS Personen- en familierecht, art. 1:277 BW, aant. 2; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/450.
Kamerstukken II 2008-2009, 32 015, nr. 3, p. 37. Zie ook M.R. Bruning, T&C Personen- en familierecht, art. 1:277 BW, aant. 1.
M.R. Bruning & K.A.M. van der Zon, Out of home, out of right? Rechten van minderjarigen bij uithuisplaatsing, NTM-NJCM-Bull. 2013/4 (met vermelding van rechtspraak), p. 507 (‘Het EHRM stelt hierover dat dat het belang van het kind bij continuïteit in de opvoeding kan prevaleren boven het belang van de ouders op hereniging. Hiervan kan ook sprake zijn als de initiële beslissing tot uithuisplaatsing niet voldeed aan de eisen van artikel 8 EVRM, maar het kind inmiddels door verloop van tijd gehecht is geraakt aan de pleegouders.’); K.A.M. van der Zon, De doorwerking van het verleden in de toekomst, Het EHRM over uithuisplaatsingen en armoede, FJR 2025/27 (met vermelding van rechtspraak), p. 146 (‘(…) dat de initiële uithuisplaatsing niet gerechtvaardigd kon worden, hoeft er niet per se toe te leiden dat het kind weer terug moet naar huis.’) en p. 147 (‘De nationale rechter die moet oordelen over een terugplaatsing nadat een kind al jarenlang uit huis is, kan wel wijzen op tekortkomingen uit het verleden, maar heeft uiteindelijk te oordelen over de belangen van het kind nu en in de toekomst.’).
Zie bijvoorbeeld EHRM 8 april 2014, zaaknr. 11057/02 (Haase/Duitsland), punt 103; EHRM 18 juni 2019, zaaknr. 16572/17 (Haddad/Spanje), punt 54; EHRM 10 september 2019, zaaknr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 208 e.v.; HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:108, NJ 2021/37, rov. 3.2 e.v.
Zo wijst het hof op de volgende feiten en omstandigheden: de minderjarige heeft een belaste voorgeschiedenis, het contact tussen de minderjarige en de moeder is wisselend verlopen en ook een periode stilgelegd, er is sprake van een patroon van weglopen bij de woongroep, verblijven bij de moeder, escalatie bij de moeder, weglopen bij de moeder en weer verblijven bij de woongroep, het contact tussen de minderjarige en de jeugdbeschermer is ambivalent.
Vgl. rov. 4.2, eerste alinea, voorlaatste volzin, van de bestreden beschikking. De vorige gecertificeerde instelling heeft hierop als volgt gereageerd: ‘(…) [de minderjarige] kampt met hechtingsproblematiek, een verstandelijke beperking en traumagerelateerde problematiek. Deze problematiek is niet alleen het gevolg van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] en is niet zonder meer te verklaren uit het gegeven dat de moeder slachtoffer is van de toeslagenaffaire. (…)’. (rov. 4.3, vierde en vijfde volzin, van de bestreden beschikking)
Zie appelschrift, p. 5 (nr. 15), p. 11 (nr. 6) en p. 13.
Zie de procesinleiding in cassatie, p. 14, voor een opsomming van de ingebrachte verklaringen en rapporten van deskundigen.
In de procesinleiding in cassatie, p. 19-20, wordt gewezen op de volgende (in de stukken van de deskundigen genoemde) feiten en omstandigheden: het belang van de bloedband, het niet functioneren van de minderjarige in de afgelopen periode van 16 jaar waarin sprake is geweest van een kinderbeschermingsmaatregel en de gehechtheidsproblematiek die hierdoor is ontstaan, de moeder is de enige die de minderjarige nog enigszins vertrouwt, de moeder kan de minderjarige nog enigszins reguleren waar de gecertificeerde instelling dat niet kan, en de verschillende verzorgers van de minderjarige zijn voor haar nooit veilige gehechtheidsfiguren geworden.
Zie appelschrift, p. 4, noot 7 (verklaring van Dijkshoorn); p. 3, noot 5, p. 4, nr. 9 en p. 7, noot 7 (verklaring van [betrokkene 1] ); p. 4, noot 7 (productie 4, verklaring van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] ).
Zie ook rov. 4.8, derde alinea, derde volzin: ‘De huidige situatie is dat [de minderjarige] kampt met ernstige problematiek en een verzwaarde opvoedvraag heeft’.
Zie procesinleiding in cassatie, p. 16-18.
Zie procesinleiding in cassatie, p. 16.
Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 30 augustus 2024, p. 4-5: ‘Op vragen van de voorzitter antwoordt de moeder als volgt. (…) Er moet eerst traumahulp komen, psychische hulp en gezinshulp tussen haar en mij.’
Vgl. proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 30 augustus 2024, p. 4-5: ‘Op vragen van de voorzitter antwoordt de moeder als volgt. (…) Zij is totaal ontspoord. Ik heb regels thuis. Ik heb nog andere kinderen. Mijn andere kinderen mogen niet naar buiten als ik op mijn werk ben. Als ik weer het gezag krijg, dan heeft [de minderjarige] eerst hulp nodig. Zij kan niet zelfstandig wonen. Ik denk niet dat thuis wonen op dit moment een optie is. Er moet eerst traumahulp komen, psychische hulp en gezinshulp tussen haar en mij.’
Rb. Rotterdam 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10442, rov. 7.5: ‘Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de verstandhouding tussen de GI LDH en de moeder al langer ernstig verstoord is. De moeder wantrouwt de GI LDH en zij wenst geen (direct) contact te hebben met de GI LDH. Hierdoor is een constructieve samenwerking niet mogelijk en lukt het de GI LDH niet om in goed overleg en samenspraak tot beslissingen over [de minderjarige] en [betrokkene 4] te komen. De moeder zoekt incidenteel contact met de GI LDH, maar volgt dergelijke contacten niet constructief op. De moeder wil dat alle contacten via haar advocaat lopen. De moeder verzet zich tegen nagenoeg alle voorstellen van de GI LDH. Pogingen van de GI LDH om de samenwerking te verbeteren hebben niet tot het gewenste resultaat geleid.’
Zie procesinleiding in cassatie, p. 22.
Zie met betrekking tot art. 1:277 BW, EHRM 25 november 2004, zaaknr. 23660/02 (Vitters/Nederland), p. 9: ‘In the instant case the refusal to restore the applicant's parental authority amounted to an interference with his right to respect for his family life. Such interference will constitute a violation of Article 8 unless it is “in accordance with the law”, pursues an aim or aims that are legitimate under paragraph 2 of Article 8 and can be regarded as “necessary in a democratic society”.’
Vgl. HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395, NJ 2022/134, rov. 3.1.2.
Beroepschrift 26‑02‑2025
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
IN VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE
(via digitaal portaal)
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
VERZOEKENDE PARTIJ
mevrouw [de moeder], wonende te [woonplaats] (verzoekster, hierna ook: ‘moeder’) voor deze zaak woonplaats kiezende te Amsterdam aan het Merwedeplein 54 te (1078 NG) Amsterdam ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr Y.E.J. Geradts, die in cassatie voor verzoekster optreedt.
BELANGHEBBENDE
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd en kantoorhoudende aan de Paasheuvelweg 9, (1105 BE) te Amsterdam (Postbus 12685 te (1100 AR) Amsterdam) t.a.v. mevrouw V. Drop, vdrop@wsg.nu) (hierna te noemen: ‘WSG’)
BELANGHEBBENDE
[de minderjarige] (hierna ook: ‘het kind’)
Geeft eerbiedig te kennen:
Verzoekster, moeder, stelt hierbij beroep in cassatie in tegen de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 26 november 2024 onder zaaknummer 200.343.788/01 + 02, die Hof Amsterdam heeft behandeld na terugverwijzing door Uw Raad bij beschikking van 21 juni 2024 met zaaknummer 23/0414. Het Hof heeft de vorderingen van moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 23 december 2022 (zaaknr. C/10/646170/JE RK 22-2379) bekrachtigd.
Tegen de beschikking van Hof Amsterdam 200.343.788/01 komt moeder in cassatie en voert hiertoe het volgende middel van cassatie aan.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het Hof de vorderingen van moeder heeft afgewezen op de wijze zoals in het dictum van de beschikking is omschreven en op de gronden die in het lichaam aldaar zijn vermeld, dit om de volgende in onderlinge samenhang te beoordelen gronden.
Kern van de zaak
Moeder is een ‘erkend toeslagengedupeerde’.1. Op basis van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2009 is onder meer haar kind van toen 15 maanden oud, [de minderjarige] uit huis geplaatst want:
‘er zijn veel zorgen om de huisvesting en het inkomen van de moeder en het welzijn van de minderjarigen’.2.
Aldus is de financiële situatie vanwege het Toeslagenschandaal doorslaggevend geweest om de uithuisplaatsing van haar dochter te bevelen.3. Dat was ook de constatering van zowel
- (1)
het landelijk Ondersteuningsteam ingesteld door de Minister van Rechtsbescherming dat begin 2022 de zaak van moeder als één van de allereerste aannam, als
- (2)
de constatering van het gemeentelijk Ondersteuningsteam dat daarnaast vanuit de Gemeente Rotterdam moeder bijstond sinds eind 2021 als één van de eerste casus van Toeslagengedupeerden in Rotterdam.4.
Reden waarom moeder zich in oktober 2022 heeft gewend tot de rechtbank Rotterdam om de rechtbank te verzoeken het gezag over haar kind te herstellen omdat de inbreuk op het family life op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden opdat deze onrechtmatige ingreep spoedig ongedaan wordt gemaakt. Dit klemt temeer omdat het op dat moment — en nog steeds — met haar kind [de minderjarige] — juist door toedoen van 14 jaar overheidsingrijpen in het family life — helemaal niet goed gaat in de diverse opvanghuizen waar zij moet wonen en regelmatig wegloopt (naar moeder). Moeder heeft betoogd5. dat het niet zo kan zijn dat de overheid randvoorwaarden creëert (toeslagenaffaire waardoor moeder in financiële nood geraakt) voor overheidsingrijpen, om vervolgens — in die door de overheid zelf gecreëerde situatie — de rechtvaardiging te vinden voor een verdergaande inbreuk op de grondrechten, te weten: uithuisplaatsing (2009) en vervolgens ontneming van haar gezag (2012) en vervolgens het continueren van deze inbreuk op family life te rechtvaardigen met het argument dat het niet goed gaat met het kind na/‘ondanks’ 16 jaar overheidsingrijpen6.. Dat is in strijd met vaste jurisprudentie van het EHRM, zoals M.L. tegen Noorwegen.7. De rechtbank Rotterdam in de beschikking van 23 december 2022 oordeelt evenwel niet over het verzoek ‘herstel gezag’ vanwege de door de overheid zelf gecreëerde onrechtmatige situatie waardoor is ingegrepen en waarbij het kind niet floreert. De rechtbank wil eerst een rapportage van iMindU afwachten.
Moeder heeft op 23 maart 2023 hoger beroep ingesteld bij Hof Den Haag tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam. Uit de beschikking van de rechtbank bleek dat hoger beroep tussentijds was opengesteld. Dat vond moeder ook logisch nu de rechtbank niet heeft geoordeeld over de wezenlijke rechtsvraag — grondrechtencrisis8. — dat nu de overheid zelf de situatie heeft gecreëerd — het toeslagenschandaal — waarbij zij kon ingrijpen in het family life van moeder en kind waardoor de (gehechtheids)problematiek bij haar dochter is ontstaan gedurende het 16 jaar ingrijpen op family life, reden is om het gezag te herstellen, juist in het belang van [de minderjarige], nu zij er zo slecht aan toe is en zij bij moeder de hele tijd aanklopt, om er in de laatste twee levensjaren — voor haar volwassenheid — nog wat van te maken.9. Dat is ook wat deskundige [deskundige] adviseert (produktie 5 verzoekschrift rechtbank). Moeder hoeft niet te aan te tonen — anders dan de rechtbank oordeelt en thans ook het Hof oordeelt (r.o. 4.8) 10.11. — dat zij over bijzondere opvoedkwaliteiten beschikt — omdat [de minderjarige] gehechtheidsproblematiek vertoont na 16 jaar overheidsingrijpen. Niet in geschil is dat ze een goede moeder is en beschikt over de juiste opvoedkwaliteiten getuige haar twee kinderen die bij haar thuis wonen en probleemloos opgroeien.12. Hof Den Haag heeft moeder niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de niet-ontvankelijk verklaring is moeder naar Uw Raad gegaan en bij beschikking d.d. 24 juni 2024 heeft Uw Raad de beschikking van Hof Den Haag gecasseerd en de procedure verwezen naar Hof Amsterdam. De zaak is aangebracht door moeder op 22 juli 2024. De zaak is ter zitting behandeld op 30 augustus 2024. Besloten is dat Hof Amsterdam de hele zaak zelf zal afdoen en geen terugverwijzing zal volgen — gedeeltelijk — naar de rechtbank Rotterdam.13.
Moeder heeft ook nog een art. 223 Rv-verzoek ingediend op 28 juli 2024.
Hof Amsterdam oordeelt in r.o. 4.6 en 4.8 dat bij de beoordeling van het verzoek van moeder, herstel gezag, slechts de actuele situatie van belang is, en niet het ontstaan daarvan. Aldus heeft het Hof een onjuist toetsingskader aangelegd ex. art. 1:277 BW dan wel heeft het een en ander niet deugdelijk gemotiveerd en/of heeft het Hof art. 8, lid 2 EVRM niet op juiste wijze in zijn oordeel betrokken nu niet alle terzake dienende omstandigheden zijn meegewogen.
Daarnaast schuift het Hof de expertise van deskundigen ([deskundige] en iMindU (orthopedagoog, psychotherapeut en kinderpsychiater) terzijde die beiden adviseren, in het belang van [de minderjarige], moeder in het gezag te herstellen. De wijze waarop het Hof, de specialistisch deskundige psychodiagnostische bevindingen en daaraan gekoppelde adviezen over de opgroeibehoeftes van [de minderjarige] in de levensfase waarin zij zich bevindt, als rechtsprekend orgaan buiten beschouwing laat, terwijl deze deskundigen deze analyses en adviezen in hun rapportages onder verwijzing naar gedragswetenschappelijk gevalideerde psychologische en orthopedagogische vakliteratuur en inzichten geven, doet geen recht aan de toets van art. 1:277 BW en/of art. 8 EVRM en/of is onvoldoende gemotiveerd.
Klacht 1: onjuiste toets en/of onvoldoende motivering nu het Hof het ‘Verleden’ niet wil meenemen in de toets ex art 1:277BW jo art 8 EVRM
Het Hof oordeelt in r.o. 4.6 (laatste deel):
‘4.6
(…) Voor zover de moeder met deze grief betoogt dat zij reeds vanwege de toeslagenaffaire in het gezag over [de minderjarige] moet worden hersteld, miskent zij dat de vraag of een ouder in het gezag kan worden hersteld als eerste moet worden beoordeeld naar de maatstaven van artikel 1:277, eerste lid BW (…) De onderhavige procedure kan niet leiden tot een (her)beoordeling van die beslissing en leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of jeugdbeschermingsinstanties bij de uitvoering van hun taken onrechtmatig hebben gehandeld. Daarvoor dient de moeder andere wegen te bewandelen. Recht op herstel voor de moeder als gedupeerde van de toeslagenaffaire houdt niet in dat bij een verzoek tot herstel in het gezag de toetsing van het wettelijke kader van art. 1:277 BW achterwege dient te blijven. Het hof dient in deze zaak te beoordelen of herstel in gezag van de moeder thans in het belang van [de minderjarige] is. (…)’
[dikgedrukt YG]
en 4.8 (eerste deel):
‘4.8
Het voorgaande maakt voor het hof duidelijk dat de situatie voor [de minderjarige] zorgelijk is en dat [de minderjarige] een verzwaarde opvoedbehoefte heeft. De moeder stelt zich op het standpunt dat dit volledig te wijten is aan de wijze waarop de overheid heeft ingegrepen in de persoonlijke levenssfeer van [de minderjarige] en haarzelf Volgens de moeder heeft dat ingrijpen van meet af aan niet voldaan aan de daarvoor geldende maatstaf. Het hof overweegt dat het overheidsingrijpen in de vorm van ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en (de voortzetting van de) beëindiging van het ouderlijk gezag waarop de moeder, zoals het hof het begrijpt, doelt, telkens zal moeten voldoen aan de daarvoor geldende wettelijke maatstaven. De vraag die het hof in de onderhavige zaak dient te beantwoorden is of, uitgaande van de actuele feiten en omstandigheden, herstel in het gezag in het belang van [de minderjarige] is en of de moeder duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen. (…) Het gegeven dat de moeder het slachtoffer is geworden van de toeslagenaffaire laat voor het hof echter onverlet dat voor de beoordeling van het onderhavige verzoek de huidige situatie van belang is en niet het ontstaan daarvan.’
[dikgedrukt YG]
In de bovenstaande oordelen van het Hof ligt besloten dat of moeder in het gezag kan worden hersteld uitsluitend getoetst dient te worden aan
- 1)
de criteria van art. 1:277 BW en
- 2)
op grond van de actuele feiten en omstandigheden, en
- 3)
waarbij het ontstaan van deze actuele feiten en omstandigheden niet van belang is.
Aldus toetst het Hof niet op de juiste wijze aan art 1:277BW doordat de relevante feiten en omstandigheden —zoals het ontstaan van de huidige situatie— niet in het oordeel wordt betrokken. Evenmin toetst het Hof dan deugdelijk aan de criteria van art 8, lid 2, EVRM in het bijzonder of de beslissing ‘necessary in a democratie society’ is en of er daadwerkelijk een beslissing wordt genomen in het belang van het kind, zie ook art. 3 IVRK.14. Voorts heeft het Hof zijn beslissing om de moeder niet in het gezag te herstellen niet deugdelijk gemotiveerd als de relevante feiten en omstandigheden waaronder het ontstaan van de actuele feiten en omstandigheden niet worden meegenomen.
Toelichting
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 juni 2008 ECLI:NL:HR:2008:BD3704 geoordeeld dat bij het nemen of opnieuw nemen van kinderbeschermingsmaatregelen dat alle terzake dienende feiten moeten worden meegenomen in r.o. 5.4:
‘(…) dat in geval van weigering van een (…) maatregel (…)niet in de weg staat aan het treffen van een maatregel indien nieuwe ontwikkelingen dat noodzakelijk maken, waarbij naast die nieuwe ontwikkelingen alle terzake dienende omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen, zonder dat de rechter gebonden is aan oordelen omtrent die omstandigheden in de eerdere beslissing.’
[dikgedrukt YG]
Aldus is het vaste jurisprudentie van Uw Raad dat bij kinderbeschermingsmaatregelen — niet valt in te zien dat deze regel niet zou gelden als een ouder verzoekt om herstel gezag ex art. 1:277 BW — alle terzake dienende omstandigheden worden meegenomen. Alle terzake dienende omstandigheden zijn precies die omstandigheden die moeder heeft aangevoerd in het verzoekschrift bij de rechtbank dd. 13 oktober 2022 onder Feiten 1 – 20 van het verzoekschrift. Ook het feit (novum) dat moeder erkend toeslaggedupeerde is waarbij de uithuisplaatsing om die reden nooit genomen had mogen worden, is terzake dienend en moet in aanmerking worden genomen. Ook is dus niet relevant dat er eerdere rechterlijke beschikkingen zijn geweest zoals het Hof oordeelt in 4.8. De rechter is niet gebonden aan die eerdere beschikkingen, nog los van het feit dat deze omstandigheden — toeslaggedupeerde enzovoorts — nimmer in de rechterlijk oordeelsvorming betrokken zijn geweest.15. Voor iedere beslissing in familierechtelijke zaken geldt dat op het moment dat bekend wordt dat de feitelijke grondslag waarop destijds een beslissing is gegeven in het bijzonder een beslissing om een ouder het gezag te ontnemen, onjuist is gebleken16., herzien kan of mag worden en nova dus bij uitstek betrokken moeten worden als bekend wordt dat deze buiten beschouwing zijn gebleven terwijl zij cruciaal zijn voor de grondslag van de uitspraak. Vaststaat dat in familierechtelijke zaken beslissingen juist niet in gezag van gewijsde gaan. Dit heeft alles te maken met het feit dat erkend wordt dat door wijzigingen in omstandigheden, en het belang van familierechtelijke betrekkingen, zaken anders kunnen gaan liggen met het verloop van tijd. Zie ook de uitspraak van Hof Amsterdam van 1 februari 2016 ECLI:NL:GHAMS:2016:912 r.o. 4.6:
‘(…) dat in zaken van voluntaire jurisdictie, waaronder begrepen alle aan de kinderrechter te verzoeken jeugdbeschermingsmaatregelen, beslissingen van de rechter geen gezag van gewijsde krijgen, nu tussen de verzoeker en de belanghebbenden in een dergelijke zaak geen sprake is van een ‘rechtsbetrekking in geschil’ als bedoeld in artikel 236 Rv.’
In het verzoekschrift17. aan de rechtbank heeft moeder haarfijn uitgelegd hoe de onrechtmatige ingreep vanwege het toeslagenschandaal destijds is ontstaan. Ook is naar voren gebracht dat al die jaren de GI het contact tussen de uithuisgeplaatste [de minderjarige] en moeder verboden en beperkt heeft.18. Nu het Hof ex nunc toetst en in het midden laat of de initiële beslissing en vervolgbeslissing terecht waren en/of destijds het contact tussen moeder en [de minderjarige] wel voldoende is bevorderd en/of voldoende is toegewerkt aan terugplaatsing, heeft het Hof, gelet op de dwingende maatstaf van art. 8 lid 2 EVRM, niet alle terzake dienende omstandigheden meegenomen en is het tot een onjuiste en ontoereikend gemotiveerde beslissing gekomen. Ook laat het Hof in het midden hoe het komt dat de situatie van [de minderjarige] zo zorgelijk is en er sprake is van een verzwaarde opvoedbehoefte. In cassatie dient er derhalve gelet op artt. 149/150 Rv. en het door moeder onderbouwd gestelde veronderstellenderwijs vanuit te worden gegaan — nu het Hof daar uitdrukkelijk aan refereert en opneemt in r.o. 4.8, maar dat niet relevant acht om te betrekken in zijn beoordeling19. — dat de moeilijke situatie van [de minderjarige] en de verzwaarde opvoedbehoefte te wijten is aan het overheidsingrijpen van (inmiddels) 16 aaneengesloten jaren waarbij moeder op afstand gehouden werd. Aldus heeft het Hof niet alle terzake dienende omstandigheden meegewogen.
Hoe de huidige situatie is ontstaan’, zijn terzake dienende (rechts)feiten. Het strijdt immers met art 8 EVRM om de verzwaarde opvoedbehoefte van [de minderjarige] aan de moeder tegen te werpen als reden om haar niet in het gezag te herstellen zoals het Hof doet in r.o 4.820. waar deze situatie — moeilijk opvoedbaar — is veroorzaakt door overheidsingrijpen21.. Dan kan dat gegeven uiteraard niet de basis vormen voor het continueren van het overheidsingrijpen. Sterker nog, het schraagt het betoog van moeder dat het in het belang is van [de minderjarige] om de moeder in het gezag te herstellen, nu vaststaat dat zij de enige is die volgens iedereen22.23.(zelfs de gezinsvoogd) [de minderjarige] kan reguleren, maar de autoriteit mist omdat [de minderjarige] weet dat moeder geen ouderlijk gezag heeft.24. Dat heeft het Hof miskend met zijn oordeel. Niet in geschil is — en dat blijkt ook uit de rapporten, zie klachtonderdeel 2 dat moeder beschikt over de juiste opvoedkwaliteiten want zij heeft 2 kinderen onder haar hoede die zij probleemloos opvoedt.25. Bij haar twee andere kinderen (waaronder [de minderjarige]) die al 16 jaar onder de hoede van de Staat worden opgevoed, worden ernstige opvoedproblemen geconstateerd en wel zodanig dat er een verzwaarde opvoedkwaliteit nodig is — die de Staat zelf overigens ook niet weet te dragen na 16 jaar, laat staan, die zódanig vorm te geven dat [de minderjarige]'s ‘problematiek’ verbetert in plaats van verergert.
Dat de Staat niet haar eigen (foutieve) ingrepen ten grondslag mag leggen aan het nemen dan wel continueren van kinderbeschermingsmaatregelen blijkt ook duidelijk uit het arrest van het EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 Strand Lobben/Noorwegen, par. 208:26.
‘208.
Another guiding principle is that a care order should be regarded as a temporary measure, to be discontinued as soon as circumstances permit, and that any measures implementing temporary care should be consistent with the ultimate aim of reuniting the natural parents and the child (see, for instance, Olsson v. Sweden (no. 1), 24 March 1988, § 81, Series A no. 130). (…) Thus, where the authorities are responsible for a situation of family breakdown because then have failed in their abovementioned obligation, they may not base a decision to authorize adoption on the grounds of the absence of bonds between the parents and the child (see Pontes v. Portugal, no. 19554/09, §§ 92 and 99, 10 April 2012).’
[onderstreping YG]
De Staat mag niet haar eigen ingrepen en/of falen als grondslag nemen om kindermaatregelen te nemen of in dit geval te laten voortduren. Dat heeft moeder ook betoogd in haar beroepschrift in hoger beroep bij Hof Den Haag onder 9 onder verwijzing naar M.L. vs. Noorwegen. Dat is wel wat hier gebeurt, nu het Hof het verleden — zoals de reden voor de uithuisplaatsing: toeslagenschandaal, de ‘financiële zorgen’27. die als grond voor de uithuisplaatsing zijn genomen, en het indertijd niet adequaat ervoor zorg dragen dat de kinderbeschermingsmaatregel van uithuisplaatsing —die überhaupt al niet genomen had mogen worden— tijdelijk was, maar het tegendeel is bewerkstelligd waar de moeder het gezag is afgenomen — waardoor ernstige en voorzienbare, onnodig beschadigende (gehechtheids)problematiek bij [de minderjarige] ontstaan is — niet meeneemt in de beoordeling.28.29.
In het kader van de terzake dienende feiten had het Hof zich moeten afvragen bij de toets ex art 1:277 BW en/of 8 EVRM of de blijvende inmenging in het privéleven van moeder en [de minderjarige] door de Staat wel noodzakelijk is in een democratische samenleving als de Staat — zelf — de veroorzaker is van de ernstige trauma's en moeilijk opvoedbare [de minderjarige]. Deze toets heeft het Hof ten onrechte niet aangelegd. Hoezo is het handhaven van deze status quo-opgroeien onder de hoede van deze overheid dan in het belang van [de minderjarige]?
Het oordeel van het Hof in r.o. 4.8 (blz. 9):
‘Onder deze omstandigheden acht het hof herstel van het gezag niet in het belang van [de minderjarige] (…).’
is onvoldoende gemotiveerd als deze omstandigheden, de toestand van [de minderjarige] juist veroorzaakt is door het ingrijpen van de Staat en andere terzake dienende feiten door het Hof uitdrukkelijk niet zijn meegewogen heeft.
R.o. 4.9 van het Hof:
‘Verder heeft het Hof geen aanleiding om te oordelen dat de GI LdH haar taak heeft vervuld op een wijze die tot een andere uitkomst van de procedure zouden moeten leiden (…)’
is innerlijk tegenstrijdig met het oordeel in r.o. 4.6 van het Hof dat deze procedure zich niet leent voor de beoordeling van de vraag of jeugdbeschermingsinstanties bij de uitvoering van hun taken onrechtmatig hebben gehandeld en het Hof terzake aldus niets heeft onderzocht. Dit klemt temeer nu moeder ex art. 1:328 BW30.
Daarnaast is het oordeel ook onbegrijpelijk gelet op de door moeder aangevoerde stellingen — niet kenbaar op ingegaan — en gedane bewijsaanboden die door het Hof ten onrechte zijn gepasseerd. Verwezen zij naar de door de moeder opgesomde gebreken, stellingen en gedane bewijsaanboden, die nogmaals zijn herhaald bij brief aan het Hof van 15 oktober 2024 met als bijlage 1 stellingen en bijlage 2 bewijsaanboden. Deze stellingen/bewijsaanboden zien op het niet juist vervullen van de taak door de GI. Evenmin heeft het Hof kenbaar in de beoordeling betrokken hetgeen moeder heeft aangevoerd in het verzoekschrift onder 7–21.
Als die uitvoering strijdig is gebleken met het belang van [de minderjarige], is die cruciaal voor de vraag of [de minderjarige] gediend is met het herstel van haar moeder in het gezag ex art. 1: 277 BW.
Het Hof laat door moeder naar voren gebrachte, deugdelijk onderbouwde rechtsfeiten om het door haar gestelde te schragen, buiten beschouwing. Juist deze rechtsfeiten maakten dat haar verzoek tot herstel in het gezag in het belang van [de minderjarige] gelet op art. 1:277 BW reeds in oktober 2022 — voor toewijzing gereed lag. Door deze rechtsfeiten, en voor zover het Hof dat nodig vond, de bewijsaanboden, buiten beschouwing te laten en niet mee te nemen in zijn oordeel, terwijl met die rechtsfeiten de (overigens niet-onderbouwde) stelling van de GI dat moeder eerst door middel van psychodiagnostisch onderzoek moet aantonen bijzondere opvoedkwaliteiten te bezitten (die de GI zelf blijkens de afgelopen 16 jaar niet had), is daarmee onderuit gehaald. Het Hof had daarom in navolging van de rechtbank, deze relevante stellingen en rechtsfeiten van de moeder niet buiten beschouwing mogen laten.
Aldus heeft Hof Amsterdam door het ‘verleden’, waaronder ‘de grondrechtenschendingen’ in geen enkel opzicht te betrekken in de toets ex art. 1:277 BW, een onjuiste maatstaf aangelegd en niet deugdelijk getoetst aan art. 8 lid 2 EVRM, dan wel heeft het zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd, want zonder het ontstaan en de oorzaken van dat ontstaan in het verleden van de huidige gedragsproblematiek mee te nemen, kan het Hof niet komen tot een juiste beslissing in het belang van [de minderjarige].
Klacht 2: contrair aan art, 6 juncto 8 EVRM op ondeugdelijke wijze terzijde schuiven van opinies en psychodiagnostische analyses van ter zake specialistisch deskundigen zoals in meerdere verklaringen, rapportages en contraexpertises vervat en overgelegd (r.o. 4.8 en 4.9)
Moeder heeft diverse verklaringen, deskundigenrapporten en contra-expertises overgelegd reeds bij haar verzoekschrift in oktober 2022 en bij beroepsschrift van maart 2023. Daarin oordelen deskundigen (te weten orthopedagogen, kinderpsychiaters en psychotherapeuten) dat in het belang van [de minderjarige] moeder moet worden hersteld in het gezag. Het betreft onder meer het
- —
Verklaring d.d. 16 juli 2021 van kinder- en jeugdpsychiater [kinder- en jeugdpsychiater] n.p. (produktie 2 bij het verzoekschrift)
- —
Verklaring van prof. L.W.C. Tavecchio d.d. 4 maart 2022 (produktie 3 bij het verzoekschrift) met als:
‘Conclusie in casu: op basis van algemeen aanvaarde in de empirische wetenschap verankerde pedagogische en ontwikkelingspsychologische inzichten dient het contact met de biologische moeder op de kortst mogelijke termijn te worden hersteld!’
- —
Verklaring Prof. H. Otgaar en Prof. C. de Ruiter, in produktie 4
‘Wat er nodig is om de gezinnen met uit huis geplaatste kinderen in het toeslagenschandaal te helpen’
- —
rapport van [deskundige] van september 2022 (produktie 5 bij het verzoekschrift).
- —
de brief van [deskundige] van 11 oktober 2022, produktie 17, toegezonden bij brief van 24 november 2022 aan de rechtbank.
- —
het voorlopige rapport van iMindU van november 2023,31.
- —
de brief van iMindu van 30 augustus 2024 aan het Hof en
- —
het definitieve rapport 17 september 2024.
Deze rapporten zijn eenduidig: in het belang van [de minderjarige] moet moeder — zo snel mogelijk — worden hersteld in het gezag. Ondanks deze deskundige verklaringen en rapporten oordeelt het Hof anders.
Ten eerste neemt het Hof allerlei deskundige verklaringen en rapporten niet kenbaar mee in zijn beoordeling en lijkt het die verklaringen volledig buiten beschouwing te laten.
Voorts laat het Hof de inhoudelijke adviezen en analyses van de twee rapporten die het wèl noemt, buiten beschouwing omdat volgens het Hof — zo r.o. 4.8 — niets opgenomen zou zijn in die rapporten over de opvoedkwaliteiten die moeder heeft, of niets opgenomen zou zijn volgens het Hof ‘over de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van [de minderjarige] dan wel over de interactie tussen de moeder en [de minderjarige]’ die de moeder volgens de GI en het Hof dient te hebben.
Het oordeel van het Hof kan niet in stand blijven omdat het Hof een onjuiste, willekeurige maatstaf aanlegt, in het licht van de wet, jurisprudentie en gedragswetenschappelijke inzichten, wat al dan niet in het belang van [de minderjarige] is. Volgens het Hof — dat hiermee het door de GI gestelde overneemt, terwijl de GI nog geen begin maakt met het voldoen aan de stelplicht voor die stelling — dient moeder te beschikken over de heel specifieke opvoedkwaliteiten in relatie tot [de minderjarige]. En dat zij die zeer specifieke opvoedkwaliteiten bezit, zou onvoldoende blijken uit de rapporten. De deskundigen wegen juist alle volgens hen relevante omstandigheden mee om tot het oordeel te komen waar dit kind het beste af is (bij de biologische moeder), gelet op de problematiek die is ontstaan na 14 jaar overheidsingrijpen. Onbegrijpelijk is hoe het Hof de gevalideerde wetenschap en de daarop gebaseerde psychodiagnostische adviezen terzijde schuift c.q. buiten beschouwing laat, om een door de GI aangereikte maatstaf aan te leggen en die als maatgevend te hanteren voor zijn oordeel. Waarom dan bovendien relevante passages in de wel in de overwegingen van het Hof betrokken rapportages van iMindU en [deskundige] terzijde wordt geschoven, wordt door het Hof evenmin (voldoende) gemotiveerd.
Toelichting
Het Hof oordeelt in r.o. 4.8 (laatste deel):
‘Verder heeft de GI WSS gemotiveerd gesteld dat op grond van het rapport [het rapport van iMindU GGZ van 17 september 2024, YG] niet de conclusie kan worden getrokken dat het in het belang van [de minderjarige] is dat haar moeder in het gezag over haar wordt hersteld. Het hof sluit zich daarbij aan. Het rapport zegt niets over de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van [de minderjarige], dan wel over de interactie tussen de moeder en [de minderjarige]. (…) Voor het hof is nog altijd niet duidelijk of de moeder over de voor [de minderjarige] benodigde opvoedcapaciteiten beschikt, het rapport biedt op dit punt geen enkel inzicht. (…) Voor het overige biedt ook de brief van [deskundige] een onvoldoende basis voor herstel van het gezag op dit moment.’
Het rapport van [deskundige] ([orthopedagoog-generalist], orthopedagoog-generalist, psychotraumatherapeut en [klinisch psycholoog], klinisch psycholoog) van 26 september 2022, blz. 2 (produktie 5 bij het verzoekschrift) op blz. 2:
‘Samenvattend met betrekking tot het gezagsverzoek
(…) Mevrouw [de moeder] heeft zich constructief opgesteld en geeft aan dat zij zich verantwoordelijk voelt voor het welzijn van haar kinderen en dat zij datgene wil doen wat een bijdrage levert aan het goed opgroeien van haar kinderen. (…) De huidige opvoedsituatie van de andere twee kinderen verloopt zonder problemen. Dit geeft aan dat er geen grote inhoudelijke redenen zijn waardoor mevrouw het gezag niet zou kunnen uitoefenen. (…)
Eén van de belangrijkste beschermende facturen voor de weg naar herstel is het terugbrengen van die controle. Dit geldt in het bijzonder voor het aspect van de kinderen en de opvoeding. Het onvoorspelbaar en oncontroleerbaar verliezen van de regie op dit gebied geeft meer schade dan het oplevert.’
[onderstreping YG]
Klinisch psycholoog [klinisch psycholoog] van [deskundige] schrijft vervolgens in de brief 22 november 2022 in reactie op de onjuiste weergave van haar woorden door de GI in de brief van 11 oktober 2022 (als produktie 17 ingebracht door moeder bij brief van 24 november 2022 bij de rechtbank Rotterdam, op de laatste bladzijde):
‘De basis van een verklarende analyse is het belang van het kind. (…) In de overweging wat goed is voor moeder (onderwerp van dat gesprek) is mijn afweging geweest dat dit ook positiever uitpakt voor [de minderjarige] dan het voortzetten van de huidige situatie.’
[dikgedrukt YG]
In de brief van 30 augustus 2024 van iMindU aan het Hof schrijft mevrouw dr [Kinder- en jeugd en volwassenen psychiater] (Kinder- en jeugd en volwassenen psychiater):
‘Vanuit klinisch mentaliserend oogpunt hopen wij dan ook dat uw Hof het gezag aan mw. [de moeder] als moeder van [de minderjarige] wil herstellen, omdat wij denken dat zij de enige nog is die zo relevant is voor [de minderjarige], dat zij met de juiste therapie individueel en samen de veerkracht kunnen vinden om gezamenlijk te herstellen, waar dit onder de dwingende handen en ogen van derden niet mogelijk is gebleken, integendeel tot progressieve verslechtering heeft geleid tijdens de afgelopen 15 jaar uithuisplaatsing met multipele traumata, verliezen, overplaatsingen/verhuizingen/klinische opnames en andere separaties en onderbrekingen in de omgang tussen moeder en dochter en voor [de minderjarige] qua verblijfsetting en beschikbare verzorgers die nooit veilige gehechtheidsfiguren werden.’
De voorlopige rapportage van psychodiagnostisch onderzoek conform format ‘regie bij de ouders’ (Toeslagenschandaal’) d.d. 9 november 2023 van iMindU (die overgelegd is bij de rechtbank Rotterdam en ook weer overgelegd is bij het definitieve rapport van 17 september 2024)32. wordt vermeld:
‘Voorlopige conclusie en advies
In het belang van [de minderjarige] komt iMindU GGZ op dit moment op grond van de uitgevoerde psychodiagnostiek tot de vaststelling dat de regie en het gezag over [de minderjarige] het beste zo snel mogelijk naar haar biologische moeder terug moet. Zij lijkt voor [de minderjarige] de enige persoon die in de resterende periode van minderjarigheid, de komende twee jaar, [de minderjarige] de opvoeding en omgeving kan bieden die past bij de gemeenschap waar zij uit komt en toe behoort, zodat [de minderjarige] met in te zetten hulpverlening zo goed mogelijk haar persoonlijk potentieel alsnog tot ontwikkeling kan laten komen en daarbij voldoende grenzen kan ervaren van iemand van wie zij het gezag aanneemt. (…)
[de minderjarige] en haar moeder ervaren ambivalente gevoelens t.a.v. hun onderlinge relatie begrijpelijkerwijs en zullen therapeutische hulp nodig hebben om hierin zichzelf en elkaar weer terug te kunnen vinden. Wij adviseren de woonplek van [de minderjarige] in onderling overleg met [de minderjarige] en haar moeder onder therapeutische begeleiding tot stand te laten komen en moeder hierin de regie te laten nemen. Langer verblijf op de woongroep [woongroep 2] bij [woongroep 1] onder voogdij van het Leger des Heils betekent voor [de minderjarige] voortzetting van een bedreigende en institutioneel verwaarlozende en discriminerende situatie die vanuit klinisch perspectief naar het oordeel van iMindU GGZ zo snel mogelijk moet worden opgeheven om blijvend herstel en veiligheid mogelijk te maken.’
[onderstreping YG]
Op blz. 53 van het definitieve rapport van iMindU staat:
‘Wij adviseren het gezag van moeder dan ook onverwijld te herstellen vanuit het gegeven dat [de minderjarige] heeft aangegeven alleen haar moeder echt te vertrouwen en een band met haar te voelen, ondanks alle ambivalentie die er óok is, toen zij hier naar gevraagd werd op een manier ‘die het onbewuste verrast’ in de AAI (d.d. 303-11-2023) en toen zij spontaan bij afname van ROM-vragenlijsten (d.d. 02-11-2023) bijzonder openhartig over haar ervaringen en gevoelens t.a.v. haar ouders versus haar pleegouders vertelde en verder aangaf ook achterdocht naar alle professionele hulpverleners te ervaren en andere in het algemeen (epistemisch wantrouwen). (…)
En op blz. 54:
‘Voor dit advies hebben wij in overweging genomen de vele systemische steken die de jeugdbescherming in de loop der jaren heeft laten vallen vanuit ons specialistisch klinisch multidisciplinair perspectief in de begeleiding en ontwikkeling van [de minderjarige] en haar moeder. Dit ondanks mogelijk toch goede bedoelingen vanuit de individuele jeugdbeschermers, groepsbegeleiders en pleegouders en de enige betrokken gedragswetenschapper sinds 2012 en haar niet geïdentificeerde voorgangers tussen 2009– 2012. (…)
Begeleiding en terugplaatsing in het familienetwerk is beschreven in [tijdschrift] door [naam 1], waarin zij de voordelen van terugplaatsing van kinderen naar hun gezin van oorsprong en familie, het zogeheten ‘Family Finding’ bepleit, omdat de familieband een onvervangbaar gevoel van behoren tot een groep, dat je er mag zijn en dat anderen er ook onvoorwaardelijk voor jou zijn geeft: (…) Vanuit de gehechtheidstheorie en psychodynamisch denken is dit precies het kerndoel van enige opvoeding. Het bewerkstelligt ook meteen behoud van taal, traditie, identiteit en culturele waarden. Waar vreemde ogen die onvoorwaardelijkheid vaak niet kunnen bewerkstelligen, kan een bloedband dat vaak wel. Hoewel er zoveel gebeurd is dat dit enige begeleiding, behandeling en herstel vraagt om ieders brein te laten kalmeren en te synchroniseren, lijkt de biologische familie het meest geschikt om eindelijk hun verloren dochter in de armen te kunnen sluiten.’
[onderstreping, YG]
Met het oordeel van het Hof dat het niet in belang van [de minderjarige] is dat moeder in het gezag wordt hersteld ‘omdat’ het rapport /rapporten niets zouden zeggen over haar opvoedkwaliteiten, die dankzij 16 jaar overheidsbemoeienis extra verzwaard zijn33.en moeder aan die verzwaarde opvoedmaatstaf — volgens het Hof — kennelijk niet voldoet, legt het Hof een verkeerde maatstaf aan en/of leest de rapporten verkeerd.
Het oordeel van het Hof dat moeder over bijzondere opvoedcapaciteiten dient te beschikken om dit getraumatiseerd meisje te kunnen opvoeden, gaat uit van een onjuist uitgangspunt waarbij het Hof bovendien door moeder eerder gestelde en onderbouwde rechtsfeiten buiten beschouwing laat34.. Wat is in het belang van [de minderjarige]? Allereerst gaat ouderschap altijd over ‘goed genoeg ouderschap’ zie blz. 41 van het rapport van iMindU. Ten onrechte hecht het Hof in navolging van de GI zeer grote waarde aan deze specifieke opvoedkwaliteiten waarover alleen moeder volgens het Hof zou moeten beschikken- de nieuwe voogd beschikt niet eens over de benodigde SKJ registratie- 35. met betrekking tot dit door de Staat getraumatiseerde kind.36. De op dit vakgebied opgeleide psychologen/kinderpsychiaters zien dat heel anders omdat alle relevante aspecten worden meegenomen of het in het belang van [de minderjarige] is dat moeder hersteld wordt in het gezag. Waarom het in het belang van [de minderjarige] is dat moeder wordt hersteld in het gezag wordt deugdelijk onderbouwd met de volgende elementen, die het Hof helemaal niet als toetsingsmaatstaf meeneemt:
- 1.
Het belang van de bloedband- met wetenschappelijke verwijzing- (vanuit de gehechtheidstheorie en psychodynamisch denken is dit precies het kerndoel van de opvoeding)37.
- 2.
het niet functioneren van [de minderjarige] onder de staat gedurende 16 jaar- en het daardoor ontstaan zijn van grote gehechtheidsproblematiek38.
- 3.
moeder is de enige die [de minderjarige] nog enigszins vertrouwt39. en
- 4.
moeder kan haar nog enigszins reguleren40. waar de GI aantoonbaar, zoals bevestigd van diverse zijden, [de minderjarige] niet kan reguleren41., en
- 5.
De diverse beschikbare verzorgers zijn voor [de minderjarige] nooit veilige gehechtheidsfiguren geworden.42.
Door alleen te focussen op het wel/niet aanwezig zijn van de bijzondere opvoedkwaliteiten, waarbij overigens volkomen onduidelijk is wat dat zou moeten inhouden, en niet mee te nemen alle relevante omstandigheden, zoals naar voren gebracht door de deskundigen (die een psychodiagnostisch onderzoek hebben verricht) omdat ook in de beoordeling wordt betrokken waar [de minderjarige] beter af is heeft het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd en onvoldoende gemotiveerd waarom de rapporten van iMindU en [deskundige] terzijde geschoven kunnen worden. De opvoedkwaliteiten van moeder zijn immers sowieso voldoende. Dat is ook wat [deskundige] schrijft:
‘Moeder heeft zich constructief opgesteld en geeft aan dat zij zich verantwoordelijk voelt voor het welzijn van haar kinderen en dat zij datgene wil doen wat een bijdrage levert aan het goed opgroeien van haar kinderen. De huidige opvoedsituatie van de andere twee kinderen verloopt zonder problemen. Dit geeft aan dat er geen grote inhoudelijke redenen zijn waardoor mevrouw het gezag niet zou kunnen uitoefenen p. 5 Verklarende analyse [deskundige]’43.
Door alleen te focussen op het wel/niet aanwezig zijn van de bijzondere opvoedkwaliteiten, een stelling die niet onderbouwd door de GI ter zitting 25 november 2022 is geponeerd, overgenomen wordt eerst door de rechtbank Rotterdam en vervolgens overgenomen door het Hof Amsterdam in weerwil van de eisen van artt. 149 en 150 Rv. en artt. 6 en 8 EVRM, en die volgens die stelling van de GI aanwezig zouden moeten zijn bij moeder om hersteld te mogen worden in haar ouderlijk gezag onder art. 1:277 BW, en niet alle relevante belangen mee te wegen zoals de deskundigen wel doen, heeft het Hof niet juist getoetst aan art. 1:277 BW en/of aan art. 8 EVRM en heeft het Hof de beslissing in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.
Daar waar moeder onafhankelijk deskundig rapporten heeft ingebracht die adviseren in het belang van [de minderjarige] — moeder te herstellen in het gezag heeft de GI niets ingebracht c.q. overgelegd, waaruit blijkt dat het in het belang van [de minderjarige] zou zijn om de status quo te continueren. Is [de minderjarige] beter af als zij onder de hoede van de Staat blijft?44. Er is geen psychodiagnostisch onderzoek dat aantoont dat het in [de minderjarige]'s belang is onder de hoede te blijven van de instanties — de Staat — die haar in 16 jaar tot deze staat van moeilijk opvoedbaarheid hebben gebracht.
In dat opzicht is ook onjuist het oordeel van het Hof dat moeder zelf over al deze bijzondere opvoedkwaliteiten zou moeten beschikken. Moeder heeft immers aangegeven (ook nog ter zitting)45. zich terdege bewust te zijn dat het kind vanwege 16 jaar onder de hoede van de overheid — extra ondersteuning en hulp nodig heeft. Dat blijkt ook uit de rapportages. Dat het Hof overweegt in r.o. 4.8:
‘Dit scenario vereist in ieder geval een constructieve en bestendige communicatie en samenwerking tussen de moeder en de jeugdbeschermings- en hulpverleningsinstanties. Daarvoor bestaat thans geen, althans onvoldoende basis.’
is ook in het licht van de ontstaansgeschiedenis — die het Hof niet heeft willen meenemen in de beoordeling46. — onjuist. In dit kader wordt nogmaals verwezen naar de deskundige opinie van Prof. Tavecchio,47. die dit niet alleen ‘niet valide’ vanuit wetenschappelijk perspectief noemt, maar zelfs ‘immoreel’. Het Hof legt een onjuiste maatstaf aan door aan moeder tegen te werpen dat zij niet wil samenwerken met degenen die ervoor gezorgd hebben dat haar kind is ‘afgepakt’, de familieband is verstoord gedurende 15 jaar en in een deplorabele toestand verkeert. Dat mag ook niet volgens vaste jurisprudentie van art. 8 EVRM.48. Dit komt neer op victimblaming en strijdt met het verbod in art. 3 EVRM op ‘onmenselijke of onterende behandelingen’. 49. Daarnaast is het oordeel feitelijk onjuist en ontoereikend gemotiveerd dat moeder niet constructief kan samenwerken met hulpverleningsinstanties.
Uit het proces-verbaal zitting van Hof Amsterdam d.d. 30 augustus 2024 blijkt dat moeder wel constructief heeft samengewerkt met ook de laatste voogd van LdH.50. Dat moeder wel constructief kan samenwerken met hulpverleningsinstellingen blijkt eveneens uit de rapporten van [deskundige] en iMindU, en ook uit de verklaringen van diverse medewerkers van het OT, van GGZ-medewerker Davelaar en diverse medewerkers van de school van [de minderjarige]51.. Waar het Hof de bewering overneemt van de GI omdat moeder niet met het Leger des Heils samen wilde werken, ‘er niet met haar samen valt te werken’, en dus geoordeeld wordt dat het gezag niet kan worden hersteld, is dat ook onvoldoende gemotiveerd in het licht van de overgelegde stukken, artt. 149 en 150 Rv. en artt. 6 juncto 8 EVRM.
Het Hof oordeelt overigens ook nog dat het rapport van iMindU niet is ondertekend. Dit argument wordt kennelijk (eveneens) in zijn geheel overgenomen door het Hof van de net 3 weken als gezinsvoogd aangestelde, niet SKJ-geregistreerde gezinsvoogd.52. Als het Hof daar zo'n belang aan had gehecht, valt niet te begrijpen waarom het Hof niet ingaat op het aanbod Van Hoof om het rapport zonodig toe te lichten. Zie de begeleidende e-mail van Dr. van Hoof d.d. 17 september 2024 aan het Hof. Evident is dat het rapport tot stand is gekomen onder de leiding van kinderpsychiater mevrouw dr [Kinder- en jeugd en volwassenen psychiater].
Het doel van deze rapportages van het Ministerie van Justitie was om de toeslagenouder in de gelegenheid te stellen een contra-expertise te laten opstellen analoog aan art 810a lid 2 Rv, opdat de toeslagouder ook haar rechten zou kunnen geldend maken nu de toeslagenouder vanuit een ongelijke positie — geen equality of arms — het moet opnemen tegen de GI-die onafhankelijk wordt geacht en de rechter jarenlang heeft geleund op de verzoeken van de GI. Deze ongelijkheid en de vaststelling dat de GI moeite heeft met waarheidsvinding en dus voorshands niet klakkeloos met stellingen van de GI meegegaan zou moeten worden, wordt nota bene in de diverse (reflectie)rapporten van de rechtspraak erkend.53. Als de beschikking van het Hof in stand blijft dan is de opzet van het Ministerie van Justitie, om de toeslagouder in een meer gelijke positie te brengen — equality of arms — jammerlijk mislukt. Waarmee eens temeer de conclusie van de parlementaire onderzoekscommissie in het rapport Ongekend onrecht, dat de toeslagengedupeerden ‘geen schijn van kans’54. hadden, eens te meer wordt bevestigd.
Reden waarom
verzoekster zich wendt tot Uw Raad met het verzoek de beschikking van het Hof te vernietigen.
Kosten rechtens,
Amsterdam, 26 februari 2025
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑02‑2025
Zie ook blz. 7, laatste alinea, van de beschikking van de rechtbank Rotterdam.
Deze beschikking is overgelegd als bijlage 18 bij het verweerschrift van het Leger des Heils in hoger beroep bij Hof Den Haag.
Reeds in 2009 ten tijde van de uithuisplaatsing constateerde de gemeenteambtenaar, mevrouw [gemeenteambtenaar] dat de OTS en het ingrijpen family life onjuist was. Van meet af aan heeft zij getracht om de inbreuk op het family life van de moeder en kinderen, die zij als onheus en onrechtmatig beschouwde, ongedaan te maken. Zie verzoekschrift van moeder bij de rechtbank (hierna: ‘verzoekschrift’) onder randnrs. 5 en 9 en produktie 14.
Zie ondermeer randnr. 42 van het verzoekschrift bij de rechtbank Rotterdam onder bewijsaanbod.
Zie randnr. ix verzoekschrift bij de rechtbank.
Zie randnr. iii en xii van het verzoekschrift waarin ook wordt verwezen naar het WODC-rapport van prof. M. Bruning et aliae, waarbij de bestaande kinderbeschermingsmaatregelen als uithuisplaatsing worden geëvalueerd en die betoogt dat ingrijpen in family life zoals uithuisplaatsing niet gelegitimeerd is waar de staat niet kan garanderen dat het kind beter af is, maar blijkt dat het kind slechter af is.
EHRM 16 december 2020, nr. 64639/16 (M.L. vs Noorwegen), randnr. ix verzoekschrift.
Zie recent M.A. Wolfsen van AP: Toeslagenschandaal in kern ook grondrechtencrisis d.d. 5 oktober 2023, https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/wolfsen-van-ap-toeslagenschandaal-in-kern-ook-grondrechtencrisis/
Zie ook het beroepschrift van moeder bij Hof Den Haag d.d. 23 maart 2023 onder randnrs. 4–10 waarin dit uiteen is gezet.
Zie blz. 8, laatste alinea beschikking rechtbank Rotterdam d.d. 23 december 2022.
Zie ook randnrs. x en xi van het verzoekschrift en produkties 3–5 van het verzoekschrift dat ook vanuit het gedragswetenschappelijk perspectief het kind best geborgd is bij moeder, zoals uiteengezet en toegelicht door terzake deskundige specialisten als prof. L.W.C. Tavecchio, prof. C. de Ruiter, prof. H. Otgaar.
Vgl. blz. 8, 4e alinea, beschikking rechtbank en beroepschrift in hoger beroep d.d. 23 maart 2023, randnrs. 13 en 14.
Zie r.o. 3.3. Hof
Zie ook EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 Strand Lobben/Noorwegen en EHRM 16 december 2020, nr. 64639 ML/Noorwegen
Zie verzoekschrift rechtbank d.d. 13 oktober 2022 onder xx
Verzoekschrift rechtbank d.d. 13 oktober 2022 onder Feitenverloop nrs. 1–13, met produktie 14, aangrijpende verklaring gemeenteambtenaar [gemeenteambtenaar]. Zie ook rapport iMind u d.d. 17 september 2024, blz. 39–41 over de genomen kindmaatregelen en het opgroeien onder de hoede van de staat;
Zie verzoekschrift rechtbank d.d. 13 oktober 2022 in het bijzonder onder 14 en beroepschrift Hof Den Haag onder 5 alsmede ook pleitnota moeder voor het Hof onder 6.
Zie r.o. en 4.6 en 4.8
Het Hof overweegt in r.o. 4.8:‘Het voorgaande maakt voor het hof duidelijk dat de situatie van [de minderjarige] zorgelijk is en dat [de minderjarige] een verzwaarde opvoedbehoefte heeft (…) Het rapport zegt niets over de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van [de minderjarige], dan wel over de interactie tussen de moeder en [de minderjarige]. De huidige situatie is dat [de minderjarige] kampt met ernstige problematiek en een verzwaarde opvoedvraag heeft. Voor het hof is het nog altijd niet duidelijk of de moeder over de voor [de minderjarige] benodigde opvoedcapaciteiten beschikt, het rapport biedt op dit punt geen enkel inzicht’
Zo ook Prof. L.W.C. Tavecchio in Productie 3 bij het verzoekschrift d.d. 13 oktober 2022 — zie voetnoot 29.
Zo ook de school van [de minderjarige], Productie 28 bij het beroepsschrift d.d. 23 maart 2023:‘Onze ervaring is dat [de minderjarige] onder het toezicht van moeder betere keuzes maakt en minder in de problemen komt’ (Ondersteuningscoördinator op 10 maart 2023); [onderstreping YG]
Zie Productie 19 bij het verzoekschrift van 13 oktober 2022: GGZ-medewerker L. Antes rapporteert:‘(…)Vanochtend heb ik uitgebreid met de docent van [de minderjarige] gesproken. Haar docent gaf aan dat het beter met [de minderjarige] ging toen ze bij moeder zat en moeder de regie had. Al die weken was er, volgens de docent, zicht op [de minderjarige] en korte lijnen met school. Het contact dat er nu is met het LDH ervaart docent als lastig want bij belangrijke zaken zijn ze moeilijk te bereiken — gezinsvoogd Ruben is alleen met heel veel moeite te bereiken. Dit geeft [de minderjarige] vrij spel, aldus haar docent. Op school vertoont ze nu ook ‘zelfbepaald’ gedrag, zoekt ze de grenzen op en accepteert met moeite en/of niet gezag. Toen ze bij moeder woonde was ze een stuk rustiger.’ [onderstreping YG]
Zie proces-verbaal Gerechtshof Amsterdam zitting 30 augustus 2024, blz. 3‘Mr. de Waele (…)Sinds mijn telefoontje uit Frankrijk is een constructief overleg op gang gekomen tussen de moeder, de voogd en de woongroep [woongroep 1], waardoor [de minderjarige] merkt dat zij deze betrokkenen niet meer tegen elkaar kan uitspelen. Hierdoor wil [de minderjarige] van de GI af en wil zij ook niet langer dat haar moeder het gezag over haar krijgt. Van specialisten heb ik begrepen dat dit typerend gedrag is voor deze gehechtheidsproblematiek’en op blz. 4:‘De Voogd van [de minderjarige](…)Zij zoekt de ruimte tussen haar moeder en de GI — zoals ook de advocaat heeft aangegeven — en dat komt naar voren in haar gedragingen.’
Zie rapport van [deskundige] van september 2022 (produktie 5 bij het verzoekschrift:‘De huidige opvoedsituatie van de andere twee kinderen verloopt zonder problemen. Dit geeft aan dat er geen grote inhoudelijke redenen zijn waardoor mevrouw het gezag niet zou kunnen uitoefenen.’Zie ook de pleitnota van moeder bij Hof Amsterdam onder 5.
Zie ook EHRM 16 december 2020, nr. 64639/16 (M.L. vs Noorwegen)
Zie beslissing tot bekrachtiging van de voorlopige uithuisplaatsing d.d. 4 maart 2009, Bijlage 18 bij het verweerschrift d.d. 13 juni 2023 van het Leger des Heils
Zie hierover uitgebreid het verzoekschrift van de moeder bij de rechtbank onder Feiten: 8–20, en ook de verwijzing naar diverse wetenschappelijke literatuur en onder x-xiii dat uithuisplaatsing verstoring van de primaire gehechtheidsrelaties met zich meebrengt en schadelijk is voor het kind; en daarom alleen al, een dergelijke verregaand op een kinderontwikkeling ingrijpende maatregel, uitsluitend alleen door de overheid als ultimum remedium mag worden toegepast.
Zo ook Prof. L.W.C. Tavecchio, em. hoogleraar pedagogiek aan de UvA en lid van het voormalig Expertteam Ouderverstoting/Complexe Omgangsproblematiek over deze wijze van ingrijpen op het family life van [de minderjarige] en haar moeder in deze casus (Productie 3, bij verzoekschrift van 13 oktober 2022):‘Toegepast op deze casus: als hier de moeder, gedurende vele jaren, de kans is ontnomen en/of in concreto niet in de gelegenheid is gesteld en/of zelfs de gelegenheid is ontzegd, om een gehechtheidsrelatie met haar kind op te bouwen, betekent dit dat vanuit pedagogisch en ontwikkelingspsychologisch perspectief niet valide [nadruk Prof. Tavecchio] is, en zelfs immoreel [nadruk Prof. Tavccchio] om deze geblokkeerde gelegenheid nu in te zetten als argument tegen [nadruk Prof. Tavccchio] het in gang zetten en bevorderen van contactherstel. Dit klemt temeer waar zou blijken dat die gelegenheid van meet af aan, of zelfs deels, geblokkeerd is als direct gevolg van een onjuiste beslissing of verkeerd handelen van de ter zake gedurende die jaren met overheidsautoriteit beklede instelling(en).’ [onderstreping YG]
Zie o.m. randnummer 14 op blz. 11 en randnummer 19 op blz. 12 van het verzoekschrift d.d. 13 oktober 2022:19. Maar de GI/voogdes is in dit opzicht ernstig tekort geschoten. Ook anderszins stelt moeder zich op het standpunt dat het Leger des Heils als uitvoerende GI en als voogdes in [de minderjarige]'s opzicht ernstig tekortgeschoten is gelet op deverplichtingen die ingevolge de Jeugdwet op haar rusten, voorop om bij het bieden van jeugdhulp aan [de minderjarige] redelijkerwijs rekening te houden met de ‘de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders’18 en te zorgen voor deskundige topleiding en hulp:en randnummer 15 van het beroepsschrift d.d. 23 maart 2023 bij het Hof Den Haag;‘Ook heeft zij de rechtbank voorgelegd dat aan de andere kant de voogdes tekort is geschoten in haar zorgplichten richting [de minderjarige] en heeft het verzoek haar te herstellen in het ouderlijk gezag tevens gebaseerd op art. 1:328 BW waarbij ze de nodige feiten heeft aangevoerd ten bewijze van het feit dat de voogdes haar taken strijdig met de Jeugdwet althans niet op verantwoorde wijze uitvoert.’
Ingebracht door de deskundige bij e-mail van 17 september 2024
Zie blz. 73 stuk toegezonden op 17 september 2024 door dr [Kinder- en jeugd en volwassenen psychiater] aan het Hof
Niet in geschil is overigens dat moeder in staat c.q. beschikt over voldoende ‘normale’ opvoedkwaliteiten gelet op de 2 kinderen die zijzelf opvoedt tot goede probleemloze burgers.
Zie ook hiervoor bij klacht 1: het Hof laat de door moeder gestelde en onderbouwde rechtsfeiten en verklaringen buiten beschouwing, zoals die van GGZ-medewerker Davelaar en de school van [de minderjarige], overgelegd in Productie 19 en 28, bij resp. het verzoekschrift d.d. 13 oktober 2022 en het beroepsschrift d.d. 23 maart 2023.
Zie de brieven van moeder aan het Hof 17 oktober 2024 en 29 oktober 2024
Zie ook het rapport van [deskundige] van 26 september 2022, blz. 2 (produktie 5 bij het verzoekschrift).
Zie blz. 54 rapport iMindU, toegezonden op 17 september 2024 aan het Hof (hiervoor geciteerd)
Zie blz. 54 rapport iMindU, toegezonden op 17 september 2024 aan het Hof (hiervoor geciteerd)
Zie blz. 53 rapport iMindU, toegezonden op 17 september 2024 aan het Hof (hiervoor geciteerd)
Zie brief van dr [Kinder- en jeugd en volwassenen psychiater] van 30 augustus 2024 toegezonden aan het Hof (hiervoor geciteerd)
Zie voetnoot 22 en 23 hierboven
Zie brief van dr M.J. van Hoof van 30 augustus 2024 toegezonden aan het Hof (hiervoor geciteerd)
Opgenomen in de pleitnota van mr C.M.D. de Waele bij de zitting van 14 november 2023 waar [deskundige] wordt geciteerd; deze pleitnota is overgelegd door de GI bij het verweerschrift van 22 augustus 2024 als bijlage bij het proces-verbaal en het rapport [deskundige] d.d. 22 september 2022, blz. 2 (produktie 5 verzoekschrift rechtbank) en citaat hiervoor opgenomen.
Zie ook de brief van de advocaat van moeder aan het Hof d.d. 15 oktober 2024: de GI heeft voor haar stellingen geen (feiten)bewijs of objectieve deskundigenonderzoeken aangedragen. Als onderbouwing voor haar stelling dat het belang van [de minderjarige] zou dicteren de uithuisplaatsing en de voogdij te laten voortduren, heeft het Leger des Heils slechts — niet gemotiveerd — zorgen over tekortkoming en veiligheidsrisico's van moeder als opvoeder voor [de minderjarige] naar voren gebracht.
Zie proces-verbaal zitting Hof Amsterdam d.d. 30 augustus 2024, blz. 4 onderaan en blz. 5 bovenaan:‘Als ik weer het gezag krijg, dan heeft [de minderjarige] eerst hulp nodig. Zij kan niet zelfstandig wonen. Ik denk niet dat thuis wonen op dit moment een optie is. Er moet eerst traumahulp komen, psychische hulp en gezinshulp tussen haar en mij.’
Zie klachtonderdeel 1
Zie noot 29 hiervoor
Zie de eerder aangehaalde Strand Lobben/Noorwegen-uitspraak
Zie het rapport ImindU op blz. 37; dat moeder ten onrechte wordt verweten niet samenwerkend op te stellen ‘Dat is een bekend fenomeen dat vaker voorkomt in geval van (ook institutioneel) misbruik en heet: blame the victim’
Zie proces-verbaal Hof Amsterdam zitting d.d. 30 august 2024 op blz. 4:‘De GI wil hier een positieve opmerking richting de moeder maken. Ondanks het diepgewortelde wantrouwen van de moeder tegenover het systeem — de GI en de rechterlijke macht — heeft zij in de afgelopen weken laten zien dat zij op momenten van overleg zich daar deels overheen kan zetten door in driespraak het gesprek aan te gaan om na te gaan wat [de minderjarige] nodig heeft.’
Zie voetnoten 22 en 23.
Zie ook brief moeder aan het Hof d.d. 17 oktober 2024 als zij zojuist vernomen heeft dat de nieuwe voogd niet SKJ geregistreerd is.
De raad en de GI hebben moeite met de waarheidsvinding. Zie blz. 76 van het reflectierapport ‘Recht doen aan kinderen en ouders van de familie- en jeugdrechters’ van februari 2023
Zie het rapport Ongekend onrecht 17 december 2020, blz. 8‘Door deze optelsom van onvermogen om recht te doen aan het individu, hebben ouders jarenlang geen schijn van kans gehad. De commissie is gedurende haar werkzaamheden eerst met verbazing en uiteindelijk met diepe verontwaardiging tot dit besef gekomen. Zij doet een dringend beroep op alle betrokken staatsmachten om bij zichzelf te rade te gaan hoe in de toekomst herhaling kan worden voorkomen en hoe het ontstane onrecht alsnog kan worden rechtgezet.’