Rechtbank Rotterdam 23 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11319.
HR, 21-06-2024, nr. 23/04104
ECLI:NL:HR:2024:924
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-06-2024
- Zaaknummer
23/04104
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:924, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑06‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1492
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:413
ECLI:NL:PHR:2024:413, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:924
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑10‑2023
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/377
BPR-Updates.nl 2024-0062
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0062
JIN 2024/120 met annotatie van mr. C.G.A. van Stratum
JPF 2024/91 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
JBPr 2024/61
Uitspraak 21‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Procesrecht. Art. 358 lid 4 Rv. Ontvankelijkheid in hoger beroep. Mocht mededeling onderaan beschikking worden opgevat als toestemming voor tussentijds hoger beroep?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04104
Datum 21 juni 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: Y.E.J. Geradts,
tegen
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de gecertificeerde instelling,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/10/646170 / JE RK 22-2379 van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022;
b. de beschikking in de zaak 200.325.066/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De gecertificeerde instelling heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023 en tot verwijzing.
De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
De dochter van de moeder is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De moeder is ontheven van het ouderlijk gezag over haar dochter. De voogdij over de dochter wordt uitgevoerd door de gecertificeerde instelling.
2.2
De moeder heeft de rechtbank verzocht (i) haar in het gezag over de dochter te herstellen, (ii) de uithuisplaatsing van de dochter te beëindigen en het hoofdverblijf van de dochter bij de moeder te bepalen, en (iii) de ondertoezichtstelling van de dochter op te heffen.
2.3
De rechtbank1.heeft een beschikking gegeven waarin, voor zover in cassatie van belang, in het dictum iedere beslissing is aangehouden in afwachting van de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek en van het verloop van in te zetten hulpverlening (hierna: de tussenbeschikking). Onderaan de tussenbeschikking staat een tekstblok met de volgende inhoud (hierna: de mededeling):
“Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.”
2.4
De moeder heeft van de tussenbeschikking hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep,2.en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“5.1 (…) Niet in geschil is dat de bestreden beschikking dient te worden aangemerkt als een tussenbeschikking als bedoeld in artikel 358 lid 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
5.2 (…)
Op grond van artikel 358, lid 4, Rv kan van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
(…)
5.5 (…).
Het hof is van oordeel dat de rechtbank niet heeft bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen de tussenbeslissing van 23 december 2022. De grief van de moeder dat uit de mededeling onderaan de beschikking blijkt dat haar een rechtsmiddel ter beschikking staat, kan niet slagen. Slechts indien de beslissende rechter hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, staat tussentijds hoger beroep open. De algemene en ongemotiveerde mededeling op de laatste pagina van de beschikking kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een dergelijke beslissing (vgl. HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4041). Het hof neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
- De betreffende mededeling staat vermeld op pagina 10 van de beschikking, na de vermelding op pagina 9 van de namen van de kinderrechters door wie de beschikking is gegeven en de ondertekening – eveneens op pagina 9 – van de beschikking door de voorzitter.
- De betreffende mededeling staat in een ander lettertype dan het lettertype van de beschikking.
- Niet gebleken is dat ter zitting in eerste aanleg de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep is besproken; de gecertificeerde instelling stelt in dat verband onbetwist dat zij daarover niet is gehoord.
- In het lichaam van de bestreden beschikking is niets overwogen omtrent de mogelijkheid van een tussentijds hoger beroep.
Op grond van het vorenstaande beschouwt het hof de betreffende mededeling niet als bepaling van de beslissende kinderrechters, maar als een abusievelijk geplaatste standaard tekst.
5.6
Gelet op het voorgaande zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep. (…)”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de moeder niet ontvankelijk is in haar hoger beroep. Dat oordeel is volgens het onderdeel in strijd met art. 358 Rv en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat sprake is van een ongeclausuleerde mededeling van de rechtbank dat hoger beroep tegen de tussenbeschikking kan worden ingesteld, en dat de moeder daarop heeft kunnen vertrouwen.
3.2
Het onderdeel slaagt. De moeder heeft de mededeling (zie hiervoor in 2.3) redelijkerwijs zo kunnen opvatten dat de rechtbank heeft bepaald dat van de tussenbeschikking tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld zoals bedoeld in art. 358 lid 4 Rv. Anders dan bij de mededeling die aan de orde was in de door het hof genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2002,3.kan in dit geval uit de inhoud van de mededeling niet worden afgeleid dat deze niet berust op een beslissing van de rechter, ook niet in het licht van de door het hof in rov. 5.5 genoemde feiten en omstandigheden (zie hiervoor in 2.4). De rechtszekerheid eist dan dat ervan moet worden uitgegaan dat de rechtbank verlof voor tussentijds hoger beroep heeft gegeven.4.Het oordeel van het hof dat de moeder niet ontvankelijk is in het hoger beroep op de grond dat de rechtbank niet heeft bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld, kan daarom niet in stand blijven.
3.3
De klachten van onderdeel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt de gecertificeerde instelling in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de moeder begroot op € 2.200,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 juni 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑06‑2024
Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1492.
HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4041.
Vgl. HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, rov. 3.1.
Conclusie 12‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Art. 805 lid 2 Rv. Ontvankelijkheid hoger beroep van tussenbeschikking. Abusievelijk geplaatste ‘rechtsmittelbelehrung’? Verschoonbare onduidelijkheid?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04104
Zitting 12 april 2024
CONCLUSIE
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
[de moeder](hierna: de moeder)
tegen
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(hierna: de gecertificeerde instelling).
1. Inleiding
1.1
In cassatie is uitsluitend aan de orde of de moeder, die de rechtbank onder meer heeft verzocht dat zij hersteld wordt in het gezag over haar dochter (hierna: de dochter), terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep van een tussenbeschikking van de rechtbank.
1.2
De (procesadvocaat van de) moeder heeft tussentijds hoger beroep van de tussenbeschikking ingesteld omdat op de laatste pagina een tekstblok is geplaatst waarin, samengevat, is opgenomen dat van deze beschikking hoger beroep kan worden ingesteld. Zij heeft deze mededeling opgevat als een openstelling van tussentijds hoger beroep.Het hof beschouwt de desbetreffende mededeling als een abusievelijk geplaatste standaardtekst die niet van de meervoudige kamer van de rechtbank afkomstig is.
1.3
In cassatie wordt geklaagd dat het oordeel van het hof in strijd is met art. 358 Rv en/of het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel.
2. Feiten en procesverloop
Feiten1.
2.1
De dochter is geboren op [geboortedatum] 2007 te [plaats] .
2.2
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2008 is de ondertoezichtstelling van de dochter uitgesproken. Sinds 20 februari 2009 is de dochter met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.
2.3
Bij beschikking van de rechtbank van 14 augustus 2012 is de moeder ontheven van haar ouderlijk gezag over de dochter en is de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot voogdes benoemd. Hierbij is bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door de gecertificeerde instelling.
2.4
Bij beschikking van de rechtbank van 13 juli 2015 is het verzoek van de moeder om in het gezag over de dochter te worden hersteld, afgewezen. Deze beschikking is in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 21 september 2016 bekrachtigd.
2.5
Bij beschikking van de rechtbank van 29 maart 2019 is het verzoek van de moeder om onder meer in het gezag over de dochter te worden hersteld, afgewezen. Deze beschikking is in hoger beroep door het hof bij beschikking van 17 juli 2019 bekrachtigd.
Procesverloop2.
2.6
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de rechtbank Rotterdam op 17 oktober 2022, heeft de moeder de rechtbank verzocht om (i) haar op grond van art. 1:277 BW in het gezag over de dochter te herstellen, (ii) de uithuisplaatsing van de dochter te beëindigen en haar hoofdverblijf te bepalen bij de moeder, en (iii) de ondertoezichtstelling van de dochter op te heffen.3.
2.7
De rechtbank heeft de gecertificeerde instelling als belanghebbende aangemerkt en de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), in zijn adviserende taak gekend.
2.8
De gecertificeerde instelling heeft een verweerschrift ingediend.
2.9
Op 25 november 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door een advocaat, en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling en de raad. Verder is bijzondere toegang verleend aan: het landelijk ondersteuningsteam voor gedupeerden van de toeslagenaffaire en de casusregisseur Hulpteam Toeslagen 010 Gemeente Rotterdam.De dochter is voorafgaande aan de mondelinge behandeling apart gehoord door de voorzitter.
2.10
De rechtbank heeft bij beschikking van 23 december 2022 in het dictum, voor zover thans van belang, iedere beslissing aangehouden in afwachting van de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek door iMindU en het verloop van de in te zetten hulpverlening vanuit de Viersprong.Verder heeft de rechtbank alvorens verder te beslissen:- bepaald dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juni 2023 pro forma; - de advocaat van de moeder verzocht uiterlijk twee weken voor de pro forma-datum de rechtbank schriftelijk te informeren over de resultaten van het onderzoek van iMindU en het verloop van de hulpverlening en eventuele verdere processuele wensen, zulks onder gelijktijdige verstrekking aan de gecertificeerde instelling en de raad;- de gecertificeerde instelling verzocht uiterlijk twee weken voor de pro forma-datum de rechtbank de verzochte rapportage te doen toekomen, zulks onder gelijktijdige verstrekking aan de advocaat van de moeder en de raad.
2.11
De moeder is, onder aanvoering van vier grieven, van deze tussenbeschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Zij heeft daarbij verzocht, samengevat, de beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar in eerste aanleg gedane verzoeken alsnog toe te wijzen en:1. haar op de voet van art. 1:277 BW met de grootst mogelijke urgentie in haar ouderlijk gezag te herstellen zodat ze de dagelijkse zorg en opvoeding van de dochter weer kan opnemen met de volle regie die haar als ouder toekomt;2. de beëindiging van de uithuisplaatsing die de facto reeds heeft plaatsgevonden omdat de dochter sinds januari 2023 bij moeder heeft gewoond, bij rechterlijke beschikking te sanctioneren en het hoofdverblijf van de dochter te bepalen bij de moeder, en3. het verzoek van de raad (voor zover dat als voorliggend moet worden beschouwd) tot ondertoezichtstelling als strijdig met het belang van de dochter af te wijzen.4.
2.12
De gecertificeerde instelling heeft bij verweerschrift verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.
2.13
Het hof heeft de gecertificeerde instelling als belanghebbende aangemerkt en de raad in zijn adviserende en/of toetsende taak gekend. Het hof heeft de dochter in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, hetgeen zij schriftelijk heeft gedaan.
2.14
Op 20 juni 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling. Bijzondere toegang is verleend aan de vader van de dochter en de vertrouwenspersoon van de moeder. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.15
Vervolgens heeft het hof bij beschikking van 2 augustus 2023 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
2.16
De moeder heeft van deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking) tijdig5.cassatie ingesteld.De gecertificeerde instelling heeft bij brief van 10 november 2023 verklaard geen verweer te voeren in cassatie.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel bestaat uit twee onderdelen (in de procesinleiding aangeduid als klachten).De procesinleiding bevat verder een paragraaf getiteld “kern van de zaak”. Deze paragraaf bevat geen zelfstandige klachten.
3.2
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.5 en 5.6 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld.
“5.5 (…). Het hof is van oordeel dat de rechtbank niet heeft bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen de tussenbeslissing van 23 december 2022. De grief van de moeder dat uit de mededeling onderaan de beschikking blijkt dat haar een rechtsmiddel ter beschikking staat, kan niet slagen. Slechts indien de beslissende rechter hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, staat tussentijds hoger beroep open. De algemene en ongemotiveerde mededeling op de laatste pagina van de beschikking kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een dergelijke beslissing (vgl. HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4041). Het hof neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
- De betreffende mededeling staat vermeld op pagina 10 van de beschikking, na de vermelding op pagina 9 van de namen van de kinderrechters door wie de beschikking is gegeven en de ondertekening – eveneens op pagina 9 – van de beschikking door de voorzitter.
- De betreffende mededeling staat in een ander lettertype dan het lettertype van de beschikking.
- Niet gebleken is dat ter zitting in eerste aanleg de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep is besproken; de gecertificeerde instelling stelt in dat verband onbetwist dat zij daarover niet is gehoord.
- In het lichaam van de bestreden beschikking is niets overwogen omtrent de mogelijkheid van een tussentijds hoger beroep.
Op grond van het vorenstaande beschouwt het hof de betreffende mededeling niet als bepaling van de beslissende kinderrechters, maar als een abusievelijk geplaatste standaard tekst.
5.6
Gelet op het voorgaande zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep. De inhoudelijke verzoeken van de moeder behoeven daarom geen bespreking.”
3.3
Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.5 dat hoger beroep van de bestreden beschikking niet is opengesteld onjuist en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd en dat het hof daarmee in strijd met art. 358 Rv en/of het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld.
3.4
Samengevat voert het onderdeel ter onderbouwing het volgende aan. Ten eerste gaat de verwijzing naar HR 27 september 20026.niet op. Het hof gaat ofwel uit van een onjuiste rechtsopvatting over wat de reikwijdte is van dit arrest, namelijk dat een griffier niet zelfstandig kan besluiten het beroep open te stellen, maar een rechter wel. Ofwel het hof heeft niet toereikend gemotiveerd waarom in dit geval de mededeling van de rechtbank gelijk moet worden gesteld met een mededeling van de griffier. Ten tweede geeft de motivering in rov. 5.5 dat geen hoger beroep is opengesteld blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd, gelet op het recht tot toegang tot de rechter op grond van het EVRM. Het is verder vaste rechtspraak dat niet gemotiveerd hoeft te worden dat (tussentijds) hoger beroep wordt opengesteld.7.Partijen hoeven dit ook niet te bepleiten. Daarnaast is logisch dat hoger beroep is opengesteld omdat de rechtbank geen beslissing heeft genomen op het kernverzoek van de moeder aangaande haar rechten als gegarandeerd in art. 8 en 13 EVRM. Ten derde heeft het hof ten onrechte niet getoetst aan het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.8.Ten vierde is het oordeel in de bestreden beschikking tegenstrijdig aan de beschikking van de rechtbank van 6 juli 2023,9.waarin de rechtbank oordeelde dat de openstelling van hoger beroep in deze zaak geen kennelijke verschrijving is die zich voor eenvoudig herstel leent (art. 31 Rv), aldus nog steeds het onderdeel.
3.5
Bij de behandeling van het onderdeel neem ik het volgende tot uitgangspunt.
Aard van de beschikking waarvan beroep
3.6
Zoals hiervoor bij het procesverloop onder 2.10 vermeld, heeft de rechtbank bij beschikking van 23 december 2022 iedere beslissing aangehouden en, alvorens verder te beslissen, enkele regieaanwijzingen aan de moeder en de gecertificeerde instelling gegeven. Gelet op het dictum is deze beschikking dus een tussenbeschikking.10.
Mededeling in tekstblok en aard daarvan
3.7
Genoemde beschikking van de rechtbank van 23 december 2022 bestaat uit tien pagina’s. Op elke pagina staat het zaaknummer (C/10/646170/JE RK 22-2379) bovenaan vermeld.Op p. 10 is een tekstblok met de volgende inhoud opgenomen:
“Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffe van het gerechtshof te Den Haag.”
3.8
Bij de herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht (niet zijnde scheidingszaken) per 1 april 199511.is in art. 805 lid 2 Rv de bepaling opgenomen dat de griffier bij het verstrekken van een afschrift van de beschikking aan (onder meer) de verzoeker, de termijn vermeldt waarbinnen en de wijze waarop hoger beroep kan worden ingesteld. Dit wordt ook wel de ‘Rechtsmittelbehlerung’ genoemd.
3.9
Uit de systematiek van de wet volgt dat het de bedoeling is dat het voorschrift van art. 805 lid 2 Rv alleen wordt geplaatst op een eindbeschikking.
3.10
Dat laat evenwel onverlet, en dat is de kern in deze zaak, dat de vraag moet worden beantwoord of de moeder uit de mededeling op pagina 10 van de tussenbeschikking gerechtvaardigd mocht afleiden dat tussentijds hoger beroep was opengesteld.
Openstellen van tussentijds hoger beroep; algemeen
3.11
3.12
In het arrest X/gemeente Borger-Odoorn van 17 december 202112.is door de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen dat het steeds aan het procesbeleid van de rechter is overgelaten om – in afwijking van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv en art. 358 lid 4 Rv – tussentijds hoger beroep van een tussenuitspraak open te stellen. Er is geen reden om de rechter te beperken in zijn mogelijkheden om op dit punt regie te voeren.
3.13
Eerder al had de Hoge Raad in het arrest Ponteecen/Stratex13.geoordeeld dat ook in het na 1 januari 2002 geldende wettelijke systeem ruimte blijft voor een procesbeleid waarin de rechter de in het ongelijk gestelde partij de mogelijkheid biedt tussentijds beroep in te stellen tegen zijn beslissing. De Hoge Raad noemde daarbij een aantal redenen voor het openstellen van hoger beroep, zoals bijvoorbeeld het feit dat in de tussenuitspraak is beslist op een controversiële rechtsvraag, hetgeen doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, of omdat een kostbaar onderzoek is gelast waarvan het nut is betwist, dan wel omdat een andere beslissing tot een aanzienlijke bekorting van de procedure zou hebben geleid of omdat de behandeling van samenhangende zaken anders uiteen dreigt te lopen.
3.14
De rechter kan zowel direct in de desbetreffende tussenbeschikking als nadien hoger beroep openstellen.14.Indien de rechter overgaat tot het – ambtshalve dan wel desverzocht – naderhand openstellen van tussentijds hoger beroep, moet hij partijen eerst daarover horen.15.Dit is niet nodig indien de rechter aanstonds overgaat tot het openstellen van hoger beroep van een tussenbeschikking.16.Deze zaak betreft het geval dat tussentijds hoger beroep (al dan niet) direct in de beschikking zelf, dus aanstonds, is opengesteld.
3.15
De rechter hoeft zijn beslissing over tussentijds hoger beroep niet te motiveren,17.hetgeen samenhangt met het uitgangspunt dat een dergelijke beslissing is overgelaten aan het procesbeleid van de rechter.18.
Motivering oordeel hof in deze zaak; oordelen van andere hoven
3.16
Het hof heeft in rov. 5.5 vier omstandigheden genoemd ter motivering van zijn oordeel dat de rechtbank niet heeft bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld van de tussenbeschikking van de rechtbank, te weten:
“- De betreffende mededeling staat vermeld op pagina 10 van de beschikking, na de vermelding op pagina 9 van de namen van de kinderrechters door wie de beschikking is gegeven en de ondertekening – eveneens op pagina 9 – van de beschikking door de voorzitter.
- De betreffende mededeling staat in een ander lettertype dan het lettertype van de beschikking.
- Niet gebleken is dat ter zitting in eerste aanleg de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep is besproken; de gecertificeerde instelling stelt in dat verband onbetwist dat zij daarover niet is gehoord.
- In het lichaam van de bestreden beschikking is niets overwogen omtrent de mogelijkheid van een tussentijds hoger beroep.”
3.17
Uit onderzoek op rechtspraak.nl blijkt dat er verschillende uitspraken zijn van gerechtshoven waarin op soortgelijke gronden als in de bestreden beschikking een niet-ontvankelijkverklaring volgde in het tussentijdse appel van een tussenbeschikking.
3.18
In die zaken was ook sprake van een mededeling dat hoger beroep kan worden ingesteld (in de aangetroffen beschikkingen ook wel aangeduid als: ‘rechtsmiddelenclausule’) die geplaatst is onder een tussenbeschikking van een rechtbank. In alle door mij gevonden uitspraken (acht in totaal)19.hebben hoven een niet-ontvankelijkverklaring verbonden aan het van die tussenbeschikkingen ingestelde appel. In de motivering van dit oordeel werd in een aantal gevallen – doorgaans onder verwijzing naar ‘vaste rechtspraak’ of HR 27 september 200220.– overwogen dat een (‘onjuiste’ dan wel ‘standaard’) rechtsmiddelenclausule, behoudens bijzondere omstandigheden, er niet toe kan leiden dat de wettelijke regels van het hoger beroep aan de kant worden gezet of dat partijen er niet van mogen uitgaan dat aan een zodanige mededeling van de griffier een beslissing van de rechtbank ten grondslag ligt.21.In andere gevallen werd (slechts) overwogen dat aan een mededeling van de griffier geen beslissing van de rechter ten grondslag ligt.22.
3.19
Daarnaast zijn in de aangehaalde uitspraken de volgende overwegingen in de motivering betrokken:- in het dictum dan wel het lichaam van de beschikking is niks bepaald over tussentijds hoger beroep23.;- de rechtsmiddelenclausule maakt geen onderdeel uit van de uitspraak van de rechtbank24.;- bij twijfel of een beslissing appellabel is, kan een partij altijd verzoeken om verlof tot het instellen van hoger beroep, hetgeen achterwege is gebleven25.;- in het bijzonder wanneer een partij wordt bijgestaan door een advocaat heeft te gelden dat een rechtsmiddelenclausule er niet toe kan leiden dat wettelijke bepalingen aan de kant worden gezet.26.
Beoordeling omstandigheden in rov. 5.5 bestreden beschikking
3.20
Het argument van het hof in rov. 5.5, derde gedachtestreepje, zakelijk en verkort weergegeven, dat niet is gebleken dat de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep ter zitting van de rechtbank is besproken, legt geen gewicht in de schaal. Gelet op de vrijheid van de rechter om ambtshalve te bepalen dat tussentijds hoger beroep mogelijk is, kan uit de omstandigheid dat partijen niet zijn gehoord, niet worden afgeleid dat de rechtbank geen tussentijds hoger beroep wilde openstellen.
3.21
Het hof overweegt in rov. 5.5 bij het vierde gedachtestreepje, evenals enkele andere hoven, dat de mededeling onderaan de beschikking niet kan worden aangemerkt als een beslissing om tussentijds hoger beroep open te stellen omdat in het lichaam van de bestreden beschikking niets is overwogen omtrent de mogelijkheid van een tussentijds hoger beroep.Aangezien de rechter zijn beslissing om hoger beroep open te stellen niet behoeft te motiveren, kan aan het ontbreken van een dergelijke motivering dus geen gevolgtrekking worden verbonden.
3.22
Meer in het algemeen heeft het hof (en zo ook andere hoven) bij zijn oordeel in de vijfde volzin van rov. 5.5 dat de algemene en ongemotiveerde mededeling op de laatste pagina van de beschikking niet kan worden aangemerkt als een mededeling dat tussentijds hoger beroep wordt opengesteld, verwezen naar een beschikking van de Hoge Raad van 27 september 2002.27.In die zaak luidde het dictum als volgt28.:
“[de rechtbank, A-G] houdt de beslissing omtrent een definitief vast te stellen omgangsregeling tussen de man en de minderjarige kinderen aan en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Groningen, een drietal begeleide proefcontacten te doen plaatsvinden op een woensdagmiddag in de maanden februari, maart en april en uiterlijk 1 juni 2001 aan de rechtbank rapport en advies uit te brengen. Nadat voormeld rapport bij de rechtbank is ingediend zal de griffier van deze rechtbank dag en uur voor een zitting bepalen; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.”
Vervolgens was aan de voet van de beschikking vermeld:29.
‘De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het gerechtshof te Leeuwarden [...].’
3.23
Het van deze beschikking ingestelde hoger beroep leidde tot een niet-ontvankelijkverklaring door het hof. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand met, voor zover thans van belang, de volgende overweging:
‘'s Hofs bestreden oordeel is juist. Een mededeling van de griffier als de onderhavige op een beschikking kan niet de wettelijke regeling van het hoger beroep opzijzetten (vgl. HR 4 oktober 1996, nr. 8793, NJ 1997, 63). Partijen mogen voorts niet ervan uitgaan dat aan een zodanige mededeling van de griffier een beslissing van de rechter ten grondslag ligt.’
Mededeling griffier?
3.24
De verwijzing in de onderhavige zaak naar deze beschikking van de Hoge Raad impliceert m.i. dat het hof van oordeel is dat het tekstblok op p. 10 van de tussenbeschikking van de rechtbank van de griffier afkomstig is en niet van de rechter. Gecombineerd met de overweging in de vierde volzin van rov. 5.5 dat tussentijds hoger beroep slechts openstaat indien de beslissende rechter hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, ligt in het oordeel van het hof (i) besloten dat aan de mededeling niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat hoger beroep was opengesteld (want daarvoor is een beslissing van de rechtbank vereist), en (ii) dat een (foutieve) mededeling van de griffier niet aan de rechter kan worden toegerekend.Ik bespreek eerst de argumenten vóór en tegen het oordeel dat het tekstblok slechts een mededeling is die de griffier op de voet van art. 805 lid 2 Rv op een eindbeschikking moet vermelden, en geen openstelling van tussentijds hoger beroep door de rechter kan bevatten.
Argumenten vóór
3.25
Een argument vóór betreft de (uiterlijke) kenmerken van de tekst.De mededeling is in algemene bewoordingen opgesteld, bevat niet de termen ‘tussentijds’ of ‘tussenbeschikking’, en staat in een ander lettertype (zoals ook het hof overwoog in rov. 5.5, tweede gedachtestreepje). Verder is het tekstblok op een voor het overige lege pagina opgenomen, die volgt na de afsluitende tekst op pagina 9 dat de beschikking is gegeven door drie met name genoemde kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar is uitgesproken op 23 december 2022. Strikt genomen maakt het tekstblok dan geen onderdeel uit van de beschikking van de rechtbank, omdat zij volgt na de tekst die vermeldt door welke rechters ‘deze beschikking’ is gegeven, hetgeen het slot van de beschikking markeert.30.Argumenten tegen
3.26
Er zijn echter ook argumenten om de mededeling als afkomstig van de rechtbank te beschouwen.
3.27
Zo kan de context waarin de desbetreffende mededeling is gedaan, een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de mededeling over tussentijds hoger beroep abusievelijk is geplaatst.31.In dat verband vat ik eerst kort samen wat de rechtbank op p. 7-9 van haar tussenbeschikking heeft overwogen over de gebeurtenissen sinds februari 2009:
- In februari 2009 is de dochter uit huis geplaatst; zij was toen 13 maanden oud. Hierna is tevergeefs tweemaal getracht om onder intensieve begeleiding toe te werken naar een terugplaatsing bij de moeder.In juli 2016 is de dochter in verband met ontwikkelings- en gedragsproblematiek vanuit het pleeggezin overgeplaatst naar een orthopedagogische observatiegroep voor observatie, diagnostiek en in 2019 is zij doorgestroomd naar een woongroep. Na een escalerende situatie aldaar is zij, met toestemming van de gecertificeerde instelling, bij de moeder gaan wonen. Dit ging vijf weken goed, maar na een ruzie met de moeder is zij weggelopen van huis en uiteindelijk naar een crisisplek gebracht.
- Twee keer eerder, in juli 2014 en november 2018, heeft de moeder verzocht hersteld te worden in het gezag over de dochter. Beide malen is dit verzoek door het hof (alsmede steeds in eerste aanleg door de rechtbank) afgewezen. Daarbij heeft o.m. een rol gespeeld dat de dochter veel meer zorg en aandacht van haar opvoeders nodig heeft dan een gemiddeld kind.
- De rechtbank constateert dat al langere tijd wordt geprobeerd een vorm van (systemische) hulpverlening in te zeten, maar dat dit nog steeds niet van de grond is gekomen. Na het indienen van het verzoekschrift namens de moeder is de situatie opnieuw gewijzigd, omdat de dochter na een ruzie met de moeder van huis is weggelopen en sindsdien op een crisisgroep verblijft.
- De rechtbank is van oordeel dat er eerst door middel van intensieve, systemische hulpverlening meer zicht moet komen op de interactie tussen de dochter en de moeder en de opvoedcapaciteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van de dochter. Om te kunnen beoordelen of de moeder duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de dochter te dragen, is het volgens de rechtbank belangrijk dat de moeder aantoont dat zij bereid en in staat is haar medewerking te verlenen aan de hulpverlening die in het belang van de dochter noodzakelijk wordt geacht ook als dit (systemische) hulp in de thuissituatie betreft.32.
- De rechtbank wil de moeder, daarin ondersteund door het landelijk Ondersteuningsteam en het Hulpteam Toeslagen 010 (Gemeente Rotterdam), de tijd en ruimte bieden om de noodzakelijk geachte hulpverlening daadwerkelijk te laten opstarten en dit traject te doorlopen en dat de rechtbank in afwachting van de resultaten van het onderzoek door iMindU en de in te zetten hulpverlening, iedere beslissing zal aanhouden tot een pro forma-datum.
3.28
Gelet op deze overwegingen kan mijns inziens niet worden uitgesloten dat de schijn is ontstaan dat de rechtbank tussentijds hoger beroep heeft willen openstellen. De rechtbank laat immers zien dat voortdurend sprake is van zich wijzigende omstandigheden, op grond waarvan zij tot het oordeel komt dat op dit moment, afwachting van het onderzoek van iMindU en de hulpverlening vanuit de Viersprong, nog geen beslissing kan worden genomen op het verzochte. Denkbaar is dat de rechtbank een dergelijke beslissing appellabel maakt, omdat de moeder, gelet op haar standpunt33., mogelijk een andere zienswijze zou willen voorleggen aan het hof.
3.29
Een tweede argument om de mededeling niet als een vergissing (van de rechtbank) te beschouwen is de beslissing van de rechtbank op het verzoek van de gecertificeerde instelling om de beschikking te verbeteren.
Gang van zaken art. 31 Rv verzoek
3.30
De gecertificeerde instelling heeft in haar verweerschrift in hoger beroep (p. 1) over het genoemde tekstblok in de tussenbeschikking van de rechtbank het volgende opgemerkt:
“Onderaan de beschikking van 23 december 2022, na het dictum, staat opgenomen dat tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld kan worden. LJ&R begrijpt dat dit tekstblok per abuis niet uit het standaard-format is verwijderd bij het opstellen van de beschikking. De rechtbank heeft immers niet in afwijking van de hoofdregel expliciet tussentijds hoger beroep toegestaan. Noch is overwogen waarom zij van oordeel is dat van deze aangehouden beslissing wel hoger beroep mogelijk moet zijn. Omdat LJ&R uitgaat van een ‘kennelijke verschrijving’, heeft LJ&R op 9 juni jl. de rechtbank [plaats] ex artikel 31 Rv verzocht de beschikking op dit punt te herstellen (bijlage 2). LJ&R heeft nog geen reactie van de rechtbank ontvangen. Zodra LJ&R hierover bericht ontvangt van de rechtbank zal zij het hof berichten.”
3.31
Als bijlage bij het verweerschrift is het art. 31 Rv-verzoek overgelegd. Dit luidt, verkort weergegeven als volgt:
“Op grond van artikel 358 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan van tussenbeschikkingen slechts tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Dat laatste is niet expliciet in deze beschikking bepaald. Wel is onderaan de beschikking de standaard hoger beroep tekst voor beschikkingen waarin (deels) op een verzoek is beslist opgenomen, maar daarin staat niet dat in afwijking van de hoofdregel hoger beroep van de tussenbeschikking wordt toegestaan. Nu hier nog niet op het verzoek van de moeder is beslist, maar de zaak alleen is aangehouden, gaat LJ&R er vanuit dat het vermelden van deze standaardtekst onderaan de beschikking een kennelijke verschrijving betreft. Daarom verzoekt LJ&R ex artikel 31 Rv deze kennelijke fout te verbeteren, nu dit een fout betreft die zich voor eenvoudig herstel leent.”
3.32
Tijdens de mondelinge behandeling op 20 juni 2023 is het art. 31 Rv-verzoek kort aan de orde geweest. Door de advocaat van de moeder is toen opgemerkt dat als er volgens de Hoge Raad ook maar enige discussie is over of er een kennelijke verschrijving is, het dan geen kennelijke verschrijving is.34.
3.33
Nadat het hof op 2 augustus 2023 de bestreden beschikking had gewezen, heeft de gecertificeerde instelling de beschikking van de rechtbank van 6 juli 2023 op het art. 31 Rv-verzoek aan het hof toegezonden.
3.34
De (cassatieadvocaat van de) moeder heeft in de procesinleiding (p. 13 en 14) een beroep gedaan op deze beschikking.
3.35
In genoemde beschikking van 6 juli 2023 heeft de rechtbank, na een weergave van het art. 31 Rv-verzoek van de GI (zie hiervoor 3.31) , als volgt beslist:
“De rechtbank is van oordeel dat in het geval van de verzochte rectificatie geen sprake van een kennelijke verschrijving die zich voor eenvoudig herstel leent. Het tekstblok betreffende de mogelijkheid van hoger beroep is in de tussenbeschikking d.d. 23 december 2022 opgenomen voor zover met deze beschikking, waarbij de zaak is aangehouden tot 1 juni 2023 pro forma, omtrent enig deel van het verzochte is beslist. Dat in de beschikking een toelichting daaromtrent ontbreekt, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
Er is derhalve geen sprake van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv, waarbij het voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. De rechtbank weigert dan ook de verzochte verbetering.”
3.36
Enerzijds stelt de rechtbank dat de mededeling is opgenomen ‘voor zover […] omtrent enig deel van het verzochte is beslist’. Dit wijst erop dat de rechtbank van oordeel is dat de mededeling alleen relevantie heeft indien sprake is van een deel- of eindbeschikking (vgl. art. 805 lid 2 Rv). Aangezien de beschikking van de rechtbank een tussenbeschikking is, wijst bedoelde zinsnede in de richting van abusievelijke plaatsing. Anderzijds maak ik uit deze beschikking op dat de rechtbank (toch) niet van oordeel is dat de mededeling abusievelijk is geplaatst, althans dat zulks niet voor partijen en derden zodanig duidelijk is dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Hieraan hecht ik belang, aangezien de rechtbank kennelijk geen duidelijk objectief aanknopingspunt ziet waaruit kan worden afgeleid dat de mededeling abusievelijk is geplaatst.
3.37
De beschikking maakt geen deel uit van de gedingstukken en daarmee ontbreekt de feitelijke grondslag als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. In cassatie kan er, bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag35., voorshands van uit worden gegaan dat het aannemelijk is dat de rechtbank zelf het vermelden van het tekstblok op de laatste pagina van haar tussenbeschikking niet als een kennelijke vergissing beschouwt. De rechtbank heeft immers het art. 31 Rv-verzoek afgewezen. Dat het hof wel van een “abusievelijk geplaatste standaard tekst” uitgaat (de laatste volzin van rov. 5.5 van de bestreden beschikking) is dus achteraf bezien niet in overeenstemming met de uitleg die de rechtbank zelf heeft gegeven. In cassatie kan er daarom veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat de rechtbank de mededeling op p. 10 van de beschikking van 23 december 2022 beschouwt als een mededeling van de rechtbank.
3.38
Het voorgaande betekent dat de verwijzing door het hof in rov. 5.5 naar de beschikking van de Hoge Raad van 27 september 2002 niet opgaat, omdat de mededeling niet van de griffier afkomstig is. In dat geval geldt ook niet naar analogie de rechtspraak dat een onjuiste mededeling van de griffier gedaan over de beroepstermijn geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert.36.
3.39
Ik voeg aan het voorgaande toe dat onjuiste mededelingen van een griffier, evenals foutieve mededelingen van een rechter, in de rechtspraak van de Hoge Raad over verschoonbare termijnoverschrijding worden opgevat als een apparaatsfout.37.Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen griffier of rechter. Het afgaan op een mededeling, die later wordt bestempeld als een onjuiste mededeling, en dus een apparaatsfout, kan dan leiden tot verschoonbaarheid van het gevolg geven aan de foutieve mededeling. Het argument van het hof in de onderhavige zaak dat het tekstblok een foutieve mededeling van de griffier is met betrekking tot het instellen van tussentijds hoger beroep, en daarom altijd leidt tot niet-ontvankelijkheid, staat haaks op bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad en betekent dat het afgaan op de mededeling van een griffier nooit verschoonbaar is.
3.40
Ik constateer uit het voorgaande in ieder geval dat het tekstblok voor beide partijen onduidelijkheid schept. Bij de moeder heeft de mededeling de indruk gewekt dat de rechtbank haar de mogelijkheid heeft geboden om tussentijds hoger beroep in te stellen van de tussenbeschikking van 23 december 2022. En de gecertificeerde instelling heeft op basis van de informatie in het tekstblok het standpunt ingenomen dat dat tekstblok een kennelijke vergissing is.
3.41
Gelet op de vraag of een procespartij gerechtvaardigd mag afgaan op een verkeerde mededeling omtrent het instellen van een rechtsmiddel wijs ik verder in de eerste plaats op het arrest Capgemini/ […] van 28 januari 2022.38.In die zaak was sprake van een tussenarrest waarvan een van de partijen het hof had verzocht om op de voet van art. 401a lid 2 Rv tussentijds cassatieberoep open te stellen. Enige weken later ontvingen partijen een afschrift van een arrest waarin is bepaald dat van het tussenarrest tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld. Op dezelfde dag werd evenwel op de rol aangetekend dat geen arrest was uitgesproken en dat de zaak in verband met nieuw binnengekomen stukken is verwezen naar een latere roldatum. Daarnaast heeft de rolgriffier de volgende dag contact gezocht met partijen en hun verzocht het ontvangen arrest te vernietigen, omdat dit niet is uitgesproken maar abusievelijk aan partijen is verzonden. Enige weken later heeft de griffier van het hof aan partijen per brief meegedeeld dat het verzoek om verlof voor tussentijds cassatieberoep is afgewezen. Op dat moment had een van de partijen – op basis van het abusievelijk verzonden afschrift van het verlofarrest – al tussentijds cassatieberoep ingesteld.39.
3.42
Bij de beoordeling of deze partij ontvangen kon worden in haar cassatieberoep oordeelde de Hoge Raad als volgt.40.
‘Het hof heeft aan partijen een afschrift van een op 22 december 2020 gedateerd arrest verstrekt, inhoudend dat verlof wordt verleend, terwijl op de rol van die datum is aangetekend dat geen arrest is uitgesproken (zie hiervoor in 2.7 en 2.8). Aldus heeft onduidelijkheid kunnen ontstaan over de vraag of het verlof is verleend. De rechtszekerheid eist dan dat ervan moet worden uitgegaan dat het verlof is verleend. Om dezelfde redenen kon het hof niet later een beslissing nemen die anders luidde dan in dat afschrift was vermeld.’
3.43
In zijn noot bij dit arrest merkt Fruytier op dat de mate waarin verwarring kan ontstaan over de al dan niet verlofverlening, kan verschillen. Aan de ene kant van het spectrum staan gevallen waarin het partijen duidelijk moet zijn dat de rechter zich vergist, aan de andere kant staan situaties waarin het er alle gerechtvaardigde schijn van heeft dat het verlof wel is verleend. Z.i. mag een partij niet in alle gevallen binnen dit spectrum uitgaan van verlofverlening, maar moet de door de rechtszekerheid geboden bescherming bepalend zijn en moet bij de partij die belang heeft bij de verlofverlening wel de gerechtvaardigde schijn van verlofverlening zijn gewekt.41.
3.44
Ik wijs daarnaast op rechtspraak van het EHRM. Met betrekking tot het beginsel van rechtszekerheid heeft het EHRM geoordeeld dat “[u]nder Convention law, the principle of legal certainty manifests itself in different forms and contexts, one of them being the requirement that where the courts have finally determined an issue, their ruling should not be called into question.”42.Verder heeft het EHRM in een aantal uitspraken benadrukt dat fouten of vergissingen van o.m. gerechten “must not be remedied at the expense of the individual concerned”.43.Daarnaast heeft het EHRM in de zaken Gajtani/Zwitserland van 9 september 2014 en Clavien/Zwitserland van 12 september 2017 geoordeeld waar ten aanzien van de vraag hoe omgegaan moet worden met een door het gerecht aan de partijen verschafte onjuiste of onduidelijke informatie over de beroepstermijn, dat het gerecht in dat kader rekening moet houden met de omstandigheden van het geval en de nationale (proces)regels niet al te rigide (‘mechanisch’) moet toepassen.44.
3.45
Ik kom terug op de onder 3.10 gestelde vraag of de moeder uit de mededeling op pagina 10 gerechtvaardigd mocht afleiden dat tussentijds hoger beroep was opengesteld.Alles overziend meen ik dat op grond van de omstandigheden van dit specifieke geval de onduidelijkheid die de mededeling over het instellen van hoger beroep heeft veroorzaakt, van dien aard is dat de rechtszekerheid dient te prevaleren.
3.46
Terzijde merk ik het volgende op. Zoals hiervoor onder 3.17 e.v. is vermeld over soortgelijke feitenrechtspraak, staat het onderhavige geval niet op zichzelf. Het verdient m.i. daarom aanbeveling dat rechtbanken maatregelen treffen waardoor wordt voorkomen dat mededelingen op de voet van art. 805 lid 2 Rv worden geplaatst onder tussenbeschikkingen, waarvan de rechter geen hoger beroep heeft bedoeld open te stellen.
3.47
M.i. slaagt het onderdeel dus in zoverre.Voor het geval Uw Raad anders oordeelt, behandel ik ook onderdeel 2.
3.48
Onderdeel 2 klaagt dat het hof een mogelijke schending van art. 13 in verbinding met art. 6 en 8 EVRM en art. 3, 6, 8, 9, 12 en 6 IVRK niet in zijn oordeel heeft betrokken. Ter onderbouwing voert het onderdeel samengevat het volgende aan. Als ten onrechte is ingegrepen in het family life (art. 8 EVRM) van moeder en kind, dan dient Nederland te voorzien in een spoedige effective remedy (art. 13 EVRM). Het niet-ontvankelijk verklaren van de moeder in hoger beroep is geen effective remedy. Een fair trail (art. 6 EVRM) houdt ook in toegang tot de rechter die snel en daadwerkelijk over het geschil beslist. In eerste aanleg heeft de rechtbank niet willen oordelen over het kernverzoek over (onrechtmatig) ingrijpen in family life in het verleden, terwijl de verplichting bestaat een inbreuk zo spoedig mogelijk te herstellen. Voornoemde verdragsartikelen had het hof moeten betrekken in zijn oordeel.
3.49
Dit onderdeel faalt. Het hof diende ambtshalve te beoordelen of de moeder kon worden ontvangen in haar hoger beroep.45.In die beoordeling is, aangezien het hoger beroep zag op een tussenbeschikking, in beginsel bepalend of de rechtbank tussentijds hoger beroep had opengesteld (art. 358 lid 4 Rv). De stelling dat sprake zou zijn van een schending van de door de moeder aangehaalde (grond)rechten doet daaraan geen afbreuk, zeker niet nu de rechtbank nog niet had beslist op het verzochte en het de moeder nog altijd vrij staat hoger beroep in te stellen van een eindbeschikking in eerste aanleg. De niet-ontvankelijkverklaring van de moeder door het hof deed als zodanig dan ook geen afbreuk aan enige (grond)rechten van de moeder.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑04‑2024
Zie de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1492 (hierna: de bestreden beschikking), rov. 3.1 t/m 3.6.
Voor zover in cassatie van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11319, p. 1-2. Zie voor het procesverloop in hoger beroep de bestreden beschikking, rov. 2.1 t/m 2.7.
Zie de in de vorige voetnoot genoemde beschikking van de rechtbank, p. 2.
Samenvatting uit rov. 4.2 van de bestreden beschikking.
De procesinleiding is op 20 oktober 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4041, NJ 2004/100 (het onderdeel verwijst abusievelijk naar ECLI:NL:HR:2002:AE4042).
Het onderdeel verwijst in dit verband naar HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051, rov. 3.4 en HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5156.
In het kader van het rechtszekerheidsbeginsel verwijst het onderdeel naar HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, NJ 2022/51 (Capgemini/ […]).
Overgelegd als bijlage bij de e-mail van 3 oktober 2023 van de gecertificeerde instelling aan het hof (zie in het A-dossier achter tabblad 31).
De moeder gaat hier overigens ook zelf van uit, zie p. 12 en 14 van de procesinleiding.
Stb, 1994, 774.
HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924 (X/gemeente Borger-Odoorn), NJ 2023/63, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.3 en 3.2.6.
HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051 (Ponteecen/Stratex), rov. 3.4.
HR 17 december 2021, vindplaats voetnoot 12, rov. 3.2.2, onder b.
HR 17 december 2021, vindplaats voetnoot 12, rov. 3.2.4.
Zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:695) voor HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63, m.nt. H.J. Snijders, onder 2.11 met verdere verwijzingen.
HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.4, tweede alinea; HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051, NJ 2005/510, rov. 3.4, tweede alinea.
HR 17 december 2021, vindplaats in vorige voetnoot, rov. 3.2.3. Zie ook mijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2021:695, onder 2.4, voor HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63, m.nt. H.J. Snijders.
Het betreft: hof ’s-Hertogenbosch: 16 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3828, rov. 4.3, 12 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3342, rov. 5.3.3 en 23 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0354, rov. 3.5.2;hof Arnhem-Leeuwarden: 22 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5303, rov. 5.2, 9 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4072, rov. 5.6, 14 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11097, rov. 3.3 en 21 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3285, rov. 3.6; en hof Arnhem 18 december 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BC2695, rov. 3.2-3.4.
Vindplaats hiervoor in voetnoot 17.
Hof ’s-Hertogenbosch 16 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3828, rov. 4.3 en 12 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3342, rov. 5.3.3; hof Arnhem-Leeuwarden 22 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5303, rov. 5.2 en 9 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4072, rov. 5.6.
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11097, rov. 3.3 en 21 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3285, rov. 3.6; hof Arnhem 18 december 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BC2695, rov. 3.2-3.4.
Hof ’s-Hertogenbosch 16 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3828, rov. 4.3 en 23 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0354, rov. 3.5.2; hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11097, rov. 3.3.
Hof ’s-Hertogenbosch 23 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0354, rov. 3.5.2; hof Arnhem 18 december 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BC2695, rov. 3.3.
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11097, rov. 3.3.
Hof ’s-Hertogenbosch 12 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3342, rov. 5.3.3.
Vindplaats hiervoor in voetnoot 6.
Zoals weergegeven in HR 27 september 2002, rov. 3.1.
Zoals weergegeven in HR 27 september 2002, rov. 3.1.
Vgl. H.J. Snijders (red.), C.J.M. Klaassen, H.B. Krans & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022/152.
Vgl. in dit verband ook het cassatiemiddel in de zaak die leidde tot HR 27 september 2002, vindplaats hiervoor in voetnoot 6.
Zie de beschikking van de rechtbank, p. 8-9.
Zie de weergave van het standpunt van de moeder in de beschikking van de rechtbank, p. 3-4. Zo heeft de moeder o.m. gesteld dat de dochter vanaf 15 september 2022 bij de moeder woont en zij bij en onder de regie van de moeder goed heeft gefunctioneerd, dat de moeder in staat is gebleken om de dochter een positieve opgroeiomgeving te bieden en samen met het ondersteuningsteam ervoor heeft gezorgd dat de dochter naar school ging en dat er ambulante hulp is gevonden. Verder heeft de moeder, zakelijk weergegeven, gesteld dat het recente weglopen van huis door de dochter is te wijten aan de omstandigheid dat de moeder niet het gezag uitoefent en de dochter daardoor ruimte ervaart om weg te lopen. Ook heeft moeder aangevoerd dat indien zij in haar gezag wordt hersteld, alsnog hulpverlening vanuit de Viersprong kan plaatsvinden.
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 juni 2023, p. 5.
Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, rov. 3.3 en Hoge Raad 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:272, rov. 3.3.2. Zie ook Winters/Kingma, T&C Rv, commentaar op art. 419 Rv, aant. 4b (actueel t/m 01-01-2024).
HR 26 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2441, NJ 1998/7, rov. 3.3 met verwijzing naar HR 4 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2164 (V./Lelystad), NJ 1997/63.
De rechtspraak over verschoonbare termijnoverschrijding is ingezet bij beschikking van de Hoge Raad van 28 november 2003, NJ 2005/465. Zie over termijnoverschrijding als gevolg van een apparaatsfout Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4/2022/40 en 110-111.
HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, NJ 2022/51, JBPr 2022/34, m.nt. P.A. Fruytier (Capgemini/ […]).
Zie voor deze gang van zaken HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, NJ 2022/51, JBPr 2022/34, m.nt. P.A. Fruytier, rov. 2.3-2.11, en (uitgebreider) de conclusie van A-G De Bock voor dit arrest, ECLI:NL:PHR:2021:612, onder 1.11-1.30.
HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, NJ 2022/51, JBPr 2022/34, m.nt. P.A. Fruytier, rov. 3.1.
Zie P.A. Fruytier, annotatie onder HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, in: JBPr 2022/34, onder 5; zie ook G.C.C. Lewin & H.L. Wattel, ‘Kroniek. Hoger beroep’, in: TCR 2023/3, onder 23.
Zie bijv. EHRM 23 november 2023, nr. 50849/21 (Wałęsa/Polen), § 222; vgl. ook EHRM 29 november 2022, nr. 49016/10 (Balan/Republiek Moldavië), § 26; EHRM 29 november 2022, nr. 73274/17 (Çela/Albanië), § 20.
Zie bijv. EHRM 30 april 2014, nr. 15253/10 (Šimecki/Kroatië), § 46 met verwijzing naar EHRM 6 december 2011, nr. 7097/10 (Gladysheva/Rusland), § 80 en EHRM 13 december 2007, nr. 32457/05 (Gashi/Kroatië), § 40.
EHRM 12 september 2017, nr. 16730/15 (Clavien/Zwitserland), § 27 en EHRM 9 september 2014, nr. 43730/07 (Gajtani/Zwitserland), § 70 en 75. Zie hierover nader ‘Guide on Article 6 of the Convention on Human Rights’ (bijgewerkt t/m 31 augustus 2022), onder 115.
Zie o.m. HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.2; HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7032, rov. 3.3; HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8327, NJ 2007/595, rov. 3.2.2.
Beroepschrift 20‑10‑2023
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
IN VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE
(via digitaal portaal)
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
VERZOEKENDE PARTIJ
mevrouw [de moeder], wonende te [woonplaats] (verzoekster, hierna ook: ‘moeder’) voor deze zaak woonplaats kiezende te Amsterdam aan het Merwedeplein 54 te (1078 NG) Amsterdam ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr Y.E.J. Geradts, die in cassatie voor verzoekster optreedt.
BELANGHEBBENDE
de stichting naar Nederlands recht STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd en kantoorhoudende aan de Triathlonstraat 3, 3078 HX te Rotterdam (mevrouw [gedragswetenschapper], gedragswetenschapper, [gedragswetenschapper]@legerdesheils.nl) (hierna verwerende partij te noemen: ‘Leger des Heils’)
BELANGHEBBENDE
mevrouw [de dochter] (hierna ook: ‘het kind’)
Geeft eerbiedig te kennen:
Verzoekster, moeder, stelt hierbij beroep in cassatie in tegen de beschikking van het Gerechtshof Den Haag d.d. 2 augustus 2023 onder zaaknummer 200.325.066/01 tussen moeder als verzoekster in hoger beroep en de Stichting Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering als verschenen belanghebbende in hoger beroep gewezen waarbij het Hof moeder niet ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep van de beschikking van de Rechtbank Rotterdam d.d. 23 december 2022 (zaaknr. C/ 10/646170/JE RK 22-2379) gewezen.
Tegen de ten onrechte niet-ontvankelijkheidsverklaring komt moeder in cassatie en voert hiertoe het volgende middel van cassatie aan.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het Hof heeft geoordeeld dat moeder niet ontvankelijk is in het hoger beroep op de wijze zoals in het dictum van de beschikking is omschreven en op de gronden die in het lichaam aldaar zijn vermeld, dit om de volgende in onderlinge samenhang te beoordelen gronden.
Kern van de zaak
Moeder is een ‘erkend toeslagengedupeerde’.1. Op basis van een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 4 maart 2009 is onder meer haar kind [de dochter] uit huis geplaatst want:
‘er zijn veel zorgen om de huisvesting en het inkomen van de moeder en het welzijn van de minderjarigen’.2.
Aldus is de financiële situatie vanwege het Toeslagenschandaal doorslaggevend geweest om de uithuisplaatsing van haar dochter te bevelen.3. Dat was ook de constatering van zowel (1) het landelijk Ondersteuningsteam ingesteld door de Minister van Rechtsbescherming dat begin 2022 de zaak van moeder als één van de allereerste aannam, als (2) de constatering van het gemeentelijk Ondersteuningsteam dat daarnaast vanuit de Gemeente Rotterdam moeder bijstond sinds eind 2021 als één van de eerste casus van Toeslagengedupeerden in Rotterdam.4. Reden waarom moeder zich in oktober 2022 heeft gewend tot de Rechtbank Rotterdam om de rechtbank te verzoeken het gezag over haar kind te herstellen omdat de inbreuk op het family life op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden en dat deze onrechtmatige ingreep spoedig ongedaan moet worden gemaakt. Dit klemt temeer omdat het op dat moment — en nog steeds — met haar kind [de dochter] — ondanks (of, naar steeds duidelijker wordt, juist door toedoen van 14 jaar overheidsingrijpen in het family life) — helemaal niet goed gaat in de diverse opvanghuizen waar zij moet wonen en regelmatig wegloopt (naar moeder). Moeder heeft betoogd5. dat het niet zo kan zijn dat de overheid randvoorwaarden creëert (toeslagenaffaire waardoor moeder in financiële nood geraakt) voor overheidsingrijpen, om vervolgens — in die door de overheid zelf gecreëerde situatie — de rechtvaardiging te vinden voor een verdergaande inbreuk op de grondrechten, te weten: uithuisplaatsing (2009) en vervolgens ontneming van haar gezag (2012) en vervolgens het continueren van deze inbreuk op family life te rechtvaardigen met het argument dat het niet goed gaat met het kind na/‘ondanks’ 14 jaar overheidsingrijpen6.. Dat is in strijd met vaste jurisprudentie van het EHRM, zoals M.L. tegen Noorwegen.7. De rechtbank in de beschikking van 23 december 2022 oordeelt evenwel niet over het verzoek ‘herstel gezag’ vanwege de door de overheid zelf gecreëerde onrechtmatige situatie waardoor — ten onrechte — is ingegrepen en waarbij het kind niet ‘floreert’, maar de rechtbank oordeelt in haar beschikking d.d. 23 december 2022:
‘De rechtbank:
houdt iedere beslissing aan in afwachting van de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek door iMindU en het verloop van de in te zetten hulpverlening vanuit de Viersprong;’
Op de laatste blz. (blz. 10) van de beschikking is evenwel opgenomen:
‘Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- —
door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;’
Reden waarom moeder op 23 maart 2023 hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de Rechtbank Rotterdam. Gelet op de zinsnede op de laatste bladzijde van de beschikking heeft de rechtbank beroep tegen de beschikking opengesteld. Dat vond moeder ook logisch nu de rechtbank niet heeft geoordeeld over de wezenlijke rechtsvraag — grondrechtencrisis8. — dat nu de overheid zelf de situatie heeft gecreëerd — het toeslagenschandaal — waarbij zij kon ingrijpen in het family life van moeder en kind waardoor de (gehechtheids)problematiek bij haar dochter is ontstaan gedurende het 14 jaar ingrijpen op family life reden is om direct het gezag te herstellen. De overheid dient er alles aan te doen om deze onrechtmatige inbreuk zo spoedig mogelijk ongedaan te maken.9. Moeder hoeft niet te ‘bewijzen’ — anders dan de rechtbank oordeelt10.11. — dat ze een goede moeder is omdat [de dochter] gehechtheidsproblematiek vertoont na 14 jaar ingrijpen. Ze is overigens wel een goede moeder getuige haar twee kinderen die bij haar thuis wonen en die ze normaal opvoedt.12. Het Hof overweegt evenwel (r.o. 5.5 en 5.6) dat de rechtbank het hoger beroep tegen de beschikking niet heeft opengesteld en dus moeder niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Het Hof heeft enerzijds de jurisprudentie van uw Raad over wanneer hoger beroep is opengesteld foutief uitgelegd, althans een en ander is ontoereikend gemotiveerd en is daarmee in ieder geval in strijd gekomen met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.13. Anderzijds is het Hof voorbij gegaan aan het gegeven dat er mogelijk hogere verdragsbepalingen zijn geschonden die nopen tot een effective remedyart. 13 EVRM. Het niet-ontvankelijk verklaren van moeder in het hoger beroep is met deze hogere verdragsbepalingen in strijd (klacht 2).
Klacht 1: ten onrechte heeft het Hof moeder niet-ontvankelijk verklaard in r.o. 5.5 en 5.6
Het Hof oordeelt in r.o. 5.5:
‘De algemene en ongemotiveerde mededeling op de laatste pagina van de beschikking kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een dergelijke beslissing (vgl. HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4042). Het hof neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
- —
De betreffende mededeling staat vermeld op pagina 10 van de beschikking, na de vermelding op pagina 9 van de namen van de kinderrechters (…) en de ondertekening (…).
- —
De betreffende mededeling staat in een ander lettertype dan het lettertype van de beschikking.
- —
Niet gebleken is dat ter zitting in eerste aanleg de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep is besproken; de gecertificeerde instelling stelt in dat verband onbetwist dat zij daarover niet is gehoord.
- —
In het lichaam van de bestreden beschikking is niets overwogen omtrent de mogelijkheid van een tussentijds hoger beroep.
Op grond van het vorenstaande beschouwt het hof de betreffende mededeling niet als bepaling van de beslissende kinderrechters, maar als een abusievelijk geplaatste standaard tekst’.
Het oordeel van het Hof in r.o. 5.5 dat hoger beroep tegen de beschikking d.d. 23 december 2022 niet is opengesteld is onjuist en/of onbegrijpelijk gemotiveerd en daarmee oordeelt het Hof in strijd met art. 358 Rv en/of het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Nadere toelichting
(1) De verwijzing naar HR 27 september 2002 gaat hier niet op
Onder verwijzing naar Hoge Raad 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4042 is het Hof van oordeel dat de mededeling op de laatste pagina van de beschikking van de Rechtbank Rotterdam niet kan worden aangemerkt als een beslissing om hoger beroep open te stellen. Ofwel gaat het Hof uit van een onjuiste rechtsopvatting wat de ‘reikwijdte’ is van het arrest van de Hoge Raad uit 2002: namelijk dat een griffier niet zelfstandig kan besluiten het ‘beroep’ open te stellen maar een rechter wel. Ofwel gaat het Hof uit van een ontoereikende motivering waarom in dit geval de mededeling van de rechtbank gelijk moet worden gesteld met een mededeling van de griffier in het arrest van de Hoge Raad. De bewuste mededeling op de beschikking van de Rechtbank Rotterdam d.d. 23 december 2022 — waartegen moeder hoger beroep heeft ingesteld — is niet door de griffier gedaan, en dat blijkt ook niet uit de mededeling op blz. 10 van de beschikking, integendeel. Uit het arrest uit 2002 blijkt dat sprake was van alleen een mededeling van de griffier. Zie ook de conclusie van A-G mr L. Strikwerda d.d. 31 mei 2002 bij het arrest van de Hoge Raad:
‘De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan.’
Een en ander is ook nadrukkelijk naar voren gebracht door moeder in de brief van 7 mei 2023 aan het Gerechtshof en ter zitting heeft moeder in het kader van een effectief gebruik van haar tijd14. blijkens het proces-verbaal15. nadrukkelijk verwezen naar haar ingediende brieven/schriftelijke stukken vóór de behandeling ter terechtzitting waar namens moeder uiteengezet is waarom zij wel ontvankelijk was.16. In het onderhavige geval staat vast dat er geen sprake was van een ‘mededeling’ van de griffier. Sterker nog, de griffier was niet in staat om te tekenen zo staat in de beschikking van de rechtbank vermeld, en ze is ondertekend door uitsluitend de voorzitter, zodat de facto het een beslissing van de rechtbank móet zijn geweest. Ook het feit dat een en ander in een ander lettertype staat is niet relevant. Immers heeft moeder betoogd dat in de familierechtelijke rechtspraktijk van de advocaat van moeder thans — 20 jaar na het door het Hof aangehaalde arrest — altijd in de beschikking in een ander lettertype wordt aangegeven hoe de rechtzoekende kan appelleren: de rechtsmiddelenverwijzing vindt standaard plaats in een afwijkend lettertype.
Met andere woorden: dat met deze mededeling de rechtbank hoger beroep niet heeft opengesteld, kan niet worden gebaseerd op het oude arrest uit 2002, althans zonder deugdelijke nadere toelichting die ontbreekt is dat onbegrijpelijk. Sterker nog: het Hof is voorbij gegaan aan het betoog van moeder waarom dat arrest uit 2002 hier niet van toepassing is en het Hof neemt niet mee het beroep van moeder op een recent nieuw arrest van uw Raad over het rechtszekerheidsbeginsel. Zie hierna. 17.
(2) Motivering niet vereist voor toepassing art. 358, lid 4, Rv
Het oordeel van het Hof in r.o. 5.5 dat er geen hoger beroep is opengesteld door de rechtbank wordt ook opgehangen aan het feit
- —
dat daarover geen gemotiveerde beslissing is genomen door de rechtbank;
- —
noch dat daarover iets in het lichaam van de betreden beslissing is overwogen;
- —
en dat partijen in eerste aanleg over tussentijds hoger beroep niets naar voren hebben gebracht.
Met dit oordeel gaat het Hof evenwel uit van een onjuiste rechtsopvatting welke bovendien prima facie strijdt met het fundamentele recht tot toegang tot een rechter zoals neergelegd in het EVRM, danwel is dit oordeel, juist gelet op dat fundamentele uitgangspunt zoals gewaarborgd in (o.a. artikelen 6 en 13 van) het EVRM, niet toereikend gemotiveerd. Immers, het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat niet gemotiveerd behoeft te worden dat (tussentijds) hoger beroep wordt opengesteld. Zie ondermeer Hoge Raad 23 januari 2004 (r.o. 3.4):18.
‘De rechter behoeft zijn beslissing op het verzoek [openstellen hoger beroep, YG], waarmee hij een bevoegdheid uitoefent die aan zijn procesbeleid is overgelaten, niet te motiveren, net zomin als wanneer hij een beslissing zoals bedoeld in art. 337 lid 2 Rv. aanstonds in zijn tussenuitspraak neemt.’
[onderstreping YG]
Hier is de tweede volzin van toepassing, want de rechter maakt direct gebruik van zijn bevoegdheid ex art. 358, lid 4, Rv. Een motivering is niet vereist. Dus: het feit dat de beslissing om hoger beroep open te stellen niet gemotiveerd is, betekent niet a fortiori dat de rechtbank per abuis hoger beroep heeft opengesteld, zoals het Hof ten onrechte oordeelt. De beslissing hoeft namelijk niet gemotiveerd te zijn. Deze rechtsregel gegeven door de Hoge Raad voor art. 337, lid 2, Rv is één op één van toepassing voor art. 358, lid 4, Rv. Deze rechtsregel heeft het Hof miskend.
Dat het openstellen van hoger beroep niet behoeft te worden gemotiveerd, blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2005.19. Immers, het wordt aan het procesbeleid van de rechter zélf overgelaten of er tegen een uitspraak hoger beroep tussentijds mogelijk is. Oók/zelfs als het partijdebat daarover niet is gegaan.20. Partijen behoeven dat niet te bepleiten. Dus dat partijen het tussentijds openstellen van het hoger beroep niet hebben aangekaart in eerste aanleg, betekent niet dat de rechtbank niet zelfstandig kan overgaan tot openstellen van hoger beroep. De geciteerde gedachtestreepjes van het Hof gaan uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans het Hof heeft ontoereikend gemotiveerd waarom in dit geval deze jurisprudentie die het uitgangspunt van toegang tot een rechter, niet van toepassing zou zijn.
Daarbij is gelet op het fundamentele recht tot toegang tot een rechter van een justitiabele, in dit geval van belang dat moeder in hoger beroep ook nog aangevoerd heeft dat het (ook) logisch is dat hoger beroep is opengesteld, omdat de rechtbank — ten onrechte — niet op het kernverzoek van moeder aangaande haar fundamentele rechten als gegarandeerd in art. 8 EVRM, een beslissing heeft genomen.21. Moeder heeft betoogd dat een weigering te beslissen op het kernverzoek neerkomt op een rechtsweigering van de rechtbank Rotterdam en dat zij daarom ingevolge art. 13 EVRM het Hof verzocht alsnog met spoed te beslissen.22. Dit klemde temeer omdat ondertussen de situatie met haar dochter [de dochter] steeds meer uit de hand liep en ‘het belang van het kind’ op zichzelf óók reeds noopte tot een beslissing op de vraag of moeder de regie over de dagelijkse verzorging en opvoeding van haar dochter — onrechtmatig afgenomen — terug zou krijgen. En al die tijd moet het kind maar wachten, ‘omdat’ de rechtbank meeging met het betoog van het Leger des Heils dat psychodiagnostisch onderzoek afgewacht zou moeten worden waarmee aangetoond moest worden dat moeder een goede moeder voor [de dochter] kon zijn.23.
(3) Ten onrechte niet toetsen aan het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel
Daarnaast heeft moeder zich ook nog beroepen op het zogenaamde vertrouwensbeginsel in de brief van 7 mei 2023 aan het Hof:
‘De jurisprudentie waar het Hof naar verwijst is echter niet van toepassing, nog afgezien van het verstrijken van 20 jaar sindsdien, navenant verouderde Procesreglementen en toepasselijke (proces)rechtsbeginselen, voorop het vertrouwensbeginsel.’
Immers is er hier sprake van een ongeclausuleerde mededeling van de rechtbank in de beschikking dat hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld. Het Hof heeft niet gerespondeerd op de stelling dat moeder op deze mededeling heeft vertrouwd. Daarmee is het Hof niet ingegaan op (nog) een essentiële stelling en wordt de beschikking onbegrijpelijk. En dus heeft het Hof ten onrechte niet getoetst aan het vertrouwensbeginsel. Mocht in het oordeel van het Hof in r.o. 5.5 besloten liggen — dat is niet zo — dat moeder niet kon vertrouwen op die mededeling omdat de beslissing tot openstelling niet is gemotiveerd, dan is dat een onjuist en/of onbegrijpelijk oordeel: zie hiervoor.
Vervolgens heeft moeder ook nog een beroep gedaan op het rechtzekerheidsbeginsel gelet op het recente arrest van de Hoge Raad van 28 januari 202224. in haar brief d.d. 16 juni 2023.25. Ook daarop heeft het Hof niet gerespondeerd. Dat had wel gemoeten. Zeker waar moeder tijdens de behandeling bij het Hof blijkens het proces-verbaal26. nogmaals naar dat arrest heeft verwezen. Ook daarom is de beschikking ontoereikend gemotiveerd. Als er onderaan een beschikking wordt vermeld dat tegen de beschikking in hoger beroep kan worden gegaan, brengt het rechtszekerheidsbeginsel met zich mee dat dat zo is.
Of de rechtbank daadwerkelijk hoger beroep tegen de tussenbeschikking (volledig) heeft willen openstellen, is eigenlijk niet relevant zo blijkt ook uit uw arrest van 28 januari 2022. Het gaat er immers om of moeder erop heeft kunnen vertrouwen dat hoger beroep is opengesteld door de rechtbank tegen de tussenbeschikking (mede) gelet op het rechtszekerheidsbeginsel. De beschikking van de rechtbank moet worden gelezen vanuit het perspectief van de procespartij (en). Gelet op het feit dat openstelling van hoger beroep niet gemotiveerd behoeft plaats te vinden, de rechtsmiddelenverwijzing in beschikkingen thans altijd in een ander lettertype onder de beschikking staat, heeft moeder op die mededeling mogen en kunnen vertrouwen. Sterker nog, het rechtszekerheidsbeginsel noopt daartoe. Bovendien geldt het volgende.
(4) Art. 31 Rv en de beschikking van Rechtbank Rotterdam d.d. 6 juli 2023; tegenstrijdige oordelen
Het Hof oordeelt op blz. 6:
‘Op grond van het vorenstaande beschouwt het hof de betreffende mededeling niet als bepaling van de beslissende kinderrechters, maar als een abusievelijk geplaatste standaard tekst’.
Gelet op het vorengaande is deze conclusie van het Hof reeds onjuist, en strookt deze niet met vaste jurisprudentie van de Hoge Raad; in casu is echter komen vast te staan dat geen sprake is van een abusievelijk geplaatste standaardtekst door de rechtbank en dat het Hof hier ten onrechte een intentie heeft menen te mogen lezen, welke de rechtbank niet gehad heeft en dit onderschrijft precies waarom de Hoge Raad in het arrest van 2022 oordeelt dat de rechtszekerheid dient te prevaleren.
Dit blijkt uit het volgende. In de aanloop van de zitting voor Hof Den Haag heeft het Leger des Heils d.d. 20 juni 2023 de Rechtbank Rotterdam geadieerd met het verzoek de beschikking van 23 december 2022 ex art. 31 Rv te herstellen en de rechtbank te verzoeken de mededeling dat hoger beroep kan worden ingesteld uit de beschikking te laten verwijderen omdat sprake zou zijn van een kennelijke verschrijving.27. Op blz. 4 van het proces-verbaal van de zitting van 20 juni 2023 — toegezonden aan partijen op 12 september 2023 — heeft het Hof over dat verzoek van het Leger des Heils het volgende opgetekend namens het Leger des Heils:
‘Wij hebben bij de rechtbank gevraagd om herstel van de beschikking maar dat is niet gelukt.’
Vervolgens heeft het Leger des Heils bij brief op 29 september 2023 aan het Gerechtshof geschreven het proces-verbaal aan te passen omdat een en ander foutief in het proces-verbaal staat. Het Leger des Heils schrijft aan het Gerechtshof over het verzoek om aanpassing het volgende:
‘(…) maar, zij [Leger des Heils, toevoeging YG] heeft niet verklaard dat dit ‘niet is gelukt’. Zij heeft verklaard dat de rechtbank helaas nog niet op het verzoek tot herstel heeft beslist. Dat kan ook niet anders omdat de rechtbank pas op 6 juli 2023 op het verzoek tot herstel heeft beslist. Zie bijlage.’
Vervolgens is op 3 oktober 2023 nog toegestuurd aan het Gerechtshof de bewuste bijlage: de beschikking van de Rechtbank Rotterdam op het verzoek ex art. 31 Rv. In de beschikking van 6 juli 2023 oordeelt de rechtbank:
‘De rechtbank is van oordeel dat in het geval van de verzochte rectificatie geen sprake van een kennelijke verschrijving die zich voor eenvoudig herstel leent. Het tekstblok betreffende de mogelijkheid van hoger beroep is in de tussenbeschikking d.d. 23 december 2022 opgenomen voorzover met deze beschikking, waarbij de zaak is aangehouden op 1 juni 2023 pro forma omtrent het ene deel van het verzochte is beslist. Dat in de beschikking een toelichting daaromtrent ontbreekt maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.’
Het oordeel van het Hof dat de rechtbank geen hoger beroep heeft willen openstellen en dat sprake is van een abusievelijk geplaatste standaardtekst is aldus in strijd met het eigen oordeel van de rechtbank die aangeeft wel degelijk bewust het hoger beroep opengesteld te hebben. De bewuste brieven van het Leger des Heils aan het Hof met het verzoek om aanpassing proces-verbaal legt moeder in cassatie over, want hebben betrekking op het proces-verbaal van het Hof van de zitting van 20 juni 2023, waarover het Leger des Heils betoogt dat het proces-verbaal niet geheel juist is.
Nogmaals: volgens moeder is het niet relevant of de rechtbank hoger beroep tegen de tussenbeslissing niet volledig heeft willen openstellen. Het gaat er immers om of moeder er op heeft kunnen vertrouwen dat hoger beroep is opengesteld door de rechtbank tegen de tussenbeschikking mede gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, zie hiervoor. De beschikking van de rechtbank moet immers worden gelezen vanuit het perspectief van de procespartijen. Het oordeel van het Hof dat er sprake is van een abusievelijk geplaatst tekstblok en dat er geen sprake is van een beslissing van de kinderrechters is sowieso onjuist gelet op de eigen beschikking van de rechtbank d.d. 6 juli 2023.
Op dit punt wil moeder graag weten wat rechtens is. Er zijn twee tegenstrijdige beslissingen: de beschikking van de rechtbank d.d. 6 juli 2023 en de beschikking van Gerechtshof Den Haag d.d. 2 augustus 2023. Moeder heeft er belang bij wat rechtens is, want kennelijk is de rechtbank van oordeel dat er wel op het ene deel van het verzochte is beslist. Dat is ook precies wat moeder betoogt, want de weigering te beslissen op haar kernverzoek is nu precies de reden dat moeder het Hof verzoekt wèl spoedig een beslissing te nemen op haar verzoek. Het verzoek dat voor toewijzing gereed ligt gelet op het feitenverloop — ingrijpen van begin af aan op ondeugdelijke gronden — en hoe ‘slecht’ het nu met haar dochter [de dochter] gaat, als zij onder ‘toezicht’ staat van het Leger des Heils, en gelet op de stem van het kind, [de dochter].28. Het kan dan niet zo zijn dat moeder als rechtzoekende in het Toeslagenschandaal vanwege deze tegenstrijdige oordelen aan het kortste einde trekt, en zij geen rechtsherstel krijgt op haar verzoek tot herstel van haar family life, omdat het Hof haar beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en net als de rechtbank haar recht weigert te doen waar moeder op grond van art. 13 EVRM ook daar een grondrecht toekomt.
Klacht 2: niet in het oordeel betrekken mogelijke schending van art. 13 jo artt. 6 en 8 EVRM, artt. 3, 6, 8, 9, 12 en 16 Kinderrechtverdragen IVRK (art. 24 Handvest van de Unie)
Als er ten onrechte is ingegrepen in het family life (art. 8 EVRM) van moeder en kind, dan dient de verdragsstaat (in casu Nederland) te voorzien in een spoedige effective remedy (art. 13 EVRM). Een effective remedy is niet het niet-ontvankelijk verklaren van moeder in hoger beroep, terwijl fundamentele grondrechten in het geding zijn. Moeder heeft het Hof daarop nog gewezen tijdens de zitting.29. Moeder heeft direct verzocht bij het instellen van het hoger beroep om een spoedige behandeling van het geschil in hoger beroep.30. Een fair trial (art. 6 EVRM) houdt ook in toegang tot de rechter die snel en daadwerkelijk over het geschil beslist. Het Hof heeft vervolgens de beschikking van de Rechtbank Rotterdam waarin hoger beroep is opengesteld ten onrechte ten nadele van moeder — als rechtszoekende in het Toeslagenschandaal — uitgelegd (zie klacht 1) en moeder niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft niet willen oordelen over het kernverzoek over (onrechtmatige) ingrijpen op family life in het verleden terwijl er voor de verdragsluitende Staat de verplichting bestaat om indien vaststaat dat er een inbreuk is gepleegd, de inbreuk zo spoedig mogelijk te herstellen, zeker gelet op de ‘toestand’ van [de dochter] na 14 jaar overheidsingrijpen. In het kader van de vraag of moeder kan worden ontvangen in haar hoger beroep, had het Hof deze verdragsartikelen moeten betrekken in zijn oordeel. Het gaat hier om de toepassing van hoger verdragsrecht: een fair trial (art. 6 EVRM), en de vraag of de inbreuk op het family life terecht is geweest en nog steeds is (art. 8 EVRM en art. 8 en 9 IVRK) want [de dochter] — zo blijkt uit de beschikking van de rechtbank — wil graag bij haar moeder wonen31. (zie ook art. 24 van het Handvest van de Unie en art. 9, lid 2 juncto art. 12 IVRK). Ondertussen gaat het steeds slechter met [de dochter] onder de voogdij van het Leger des Heils en moeder wil daarom nu juist de regie over de dagelijkse verzorging en opvoeding van haar dochter, waar haar dochter hoognodig hulpverlening behoeft die door de voogdes niet tot stand gebracht wordt, maar door moeder geholpen door het Ondersteuningsteam wel. Moeder heeft o.a. in de brief van 7 mei 2023 aan het Hof zich hierop uitdrukkelijk beroepen op deze verdragsbepalingen.32.
Het Hof heeft de relevante verdragsbepalingen waarop moeder zich heeft beroepen en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de verdragsluitende Staat, ten onrechte niet in zijn overwegingen betrokken toen het moeder niet-ontvankelijk verklaarde in haar hoger beroep. Het oordeel kan niet in stand blijven.
Reden waarom
verzoekster zich wendt tot Uw Raad met het verzoek de beschikking van het Hof te vernietigen.
Kosten rechtens,
Amsterdam, 20 oktober 2023
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑10‑2023
Zie ook blz. 7, laatste alinea, van de beschikking van de Rechtbank Rotterdam.
Deze beschikking is overgelegd als bijlage 18 bij het verweerschrift van het Leger des Heils in hoger beroep.
Reeds in 2009 ten tijde van de uithuisplaatsing constateerde de gemeenteambtenaar, mevrouw [gemeenteambtenaar] dat de OTS en het ingrijpen family life onjuist was. Van meet af aan heeft zij getracht om de inbreuk op het family life van de moeder en kinderen, die zij als onheus en onrechtmatig beschouwde, ongedaan te maken. Zie verzoekschrift van moeder bij de rechtbank (hierna: ‘verzoekschrift’) onder randnrs. 5 en 9 en produktie 14.
Zie ondermeer randnr. 42 van het verzoekschrift onder bewijsaanbod.
Zie randnr. ix verzoekschrift bij de rechtbank.
Zie randnr. iii en xii van het verzoekschrift waarin ook wordt verwezen naar het WODC-rapport van prof. M. Bruning et aliae, waarbij de bestaande kinderbeschermingsmaatregelen als uithuisplaatsing worden geëvalueerd en die betoogt dat ingrijpen in family life zoals uithuisplaatsing niet gelegitimeerd is waar de staat niet kan garanderen dat het kind beter af is, maar blijkt dat het kind slechter af is.
EHRM 16 december 2020, nr. 64639/16 (M.L. vs Noorwegen), randnr. ix verzoekschrift.
Zie recent M.A. Wolfsen van AP: Toeslagenschandaal in kern ook grondrechtencrisis d.d. 5 oktober 2023, https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/wolfsen-van-ap-toeslagen-schandaal-in-kern-ook-grondrechtencrisis/
Zie ook het beroepschrift van moeder bij Hof Den Haag d.d. 23 maart 2023 onder randnrs. 4–10 waarin dit uiteen is gezet.
Zie blz. 8, laatste alinea beschikking Rechtbank Rotterdam d.d. 23 december 2022.
Zie ook randnrs. x en xi van het verzoekschrift en produkties 3–5 van het verzoekschrift dat ook vanuit het gedragswetenschappelijk perspectief het kind best geborgd is bij moeder, zoals uiteengezet en toegelicht door terzake deskundige specialisten als prof. L.W.C. Tavecchio, prof. C. de Ruiter, prof. H. Otgaar.
Vgl. blz. 8, 4e alinea, beschikking rechtbank en beroepschrift in hoger beroep d.d. 23 maart 2023, randnrs. 13 en 14.
Zie HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051 en HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83.
Zie ook e-mail van moeder aan Hof d.d. 19 juni 2023 gebaseerd op art. 6 EVRM om meer spreektijd aan moeder te geven gelet op het late tijdstip van aanleveren van het verweerschrift:‘Daarom is dezerzijds voldoende tijd nodig in het kader van hoor en wederhoor om die (feitelijke) onjuistheden te weerleggen en ik heb daar op zijn minst 10 minuten extra spreektijd voor nodig. Zonder equality of arms, gelijkheid van partijen en wapenen, is er geen sprake van een eerlijk proces.‘
Zo staat op blz. 1 van de brief d.d. 7 mei 2023 aan het Hof:‘Daarbij refereert u aan de uitspraak van de Hoge Raad 27 september 2002, NJ 2004, 100. Dat is onjuist. Allereerst omdat ik mij niet verlaat op een mededeling van de griffier, zoals wel het geval was in het door u aangehaalde arrest. (…)In casu is de beschikking a quo uitsluitend ondertekend door de voorzitter zelf en vermeldt zij nota bene bovendien dat de griffier buiten staat is te tekenen. Bij uitstek is dit dus de rechtbank die beslist bij monde van de voorzitter en is hetnietde griffier die ‘meedeelt’.Daarbij merk ik ook op dat deze uitspraak dateert uit 2002: nu, 21 jaar later, heb ik in mijn dossierkast kunnen constateren dat in het familierecht vrijwel uitsluitend met ‘kleinere letters in een ander lettertype’ zoals Mr. Strikwerda in 2002 nog als bijzonderheid opmerkt, onder een (eindbeschikking wordt aangegeven hoe de rechtzoekende kan appelleren.’
HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83.
Zie ondermeer HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051.
HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5156.
Zie ook Asser Procesrecht/Giesen 1, 2015/470, blz. 458.
Zie ook de brief aan het Hof d.d. 7 mei 2023:‘Bovendien: dat de rechtbank beroep van deze tussenbeslissing openstelt, is in het licht van fundamentele (proces)rechtsbeginselen als verankering aan artt. 22, 23, 24 en 26 Rv. en artt. 3, 6, 8 en 13 EVRM ook niet meer dan logisch, nu de rechtbank Rotterdam immers heeft geweigerd te beslissen op het kernverzoek van Rechtzoekende waarmee zij de rechtbank had geadieerd.’
Zie ook proces-verbaal blz. 2, 1e alinea.
Zie de beschikking van de rechtbank op blz. 8 laatste alinea.
HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83:‘Het hof heeft aan partijen een afschrift van een (…) arrest verstrekt, inhoudend dat verlof wordt verleend, terwijl op de rol van die datum is aangetekend dat geen arrest is uitgesproken (…). Aldus heeft onduidelijkheid kunnen ontstaan over de vraag of het verlof is verleend. De rechtszekerheid eist dan dat ervan moet worden uitgegaan dat het verlof is verleend.’
Zo valt in de brief van 16 juni 2023 aan het Hof te lezen:‘In het kader van haar queeste bij uw Hof ontvangen te mogen worden als burger die als gevolg van het Toeslagenschandaal dubbel onrecht is aangedaan, wijs ik op een uitspraak van de Hoge Raad uit2022(HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, r.o. 3.1). De Hoge Raad bevestigt hier namelijk — en dan nòg in een casus waar anders dan de onderhavige onduidelijkheid heeft kùnnen ontstaan of tussentijds beroep was opengesteld — dat ‘De rechtszekerheid eist dan dat ervan moet worden uitgegaan dat het verlof is verleend.’ Met deze bevestiging hoopt cliënte als Rechtzoekende erop te mogen vertrouwen dat de kostbare zittingstijd van uw Hof aanstaande dinsdag nu (eindelijk) gespendeerd kan worden aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek van deze Toeslagengedupeerde om rechtsherstel voor onrechtmatige inbreuken op haar mensenrechten zoals die in het EVRM worden gegarandeerd en niet langer aan de onnodige vraag of zij door uw Hof ontvangen mag worden. Me dunkt dat deze erkende Toeslagengedupeerde moeder voldoende ‘ground hog days’ heeft meegemaakt.’
Zie proces-verbaal blz. 5.
Zie blz. 1 van het verweerschrift van het Leger des Heils in hoger beroep. Het betreffende verzoekschrift aan de rechtbank d.d. 9 juni 2023 is als bijlage 2 overgelegd.
Zie de beschikking rechtbank op blz. 6 onder ’de mening van [de dochter]’ (ze wil graag bij moeder wonen) en het bericht aan het Hof d.d. 19 juni 2023. Zie r.o. 2.4 Hof.
Zie blz. 2 van het proces-verbaal, bovenaan.
Zie de brieven/e-mails aan het Hof voor een urgente behandeling van deze kwestie, zie de e-mail aan het Hof van 23 maart 2023 in het kader van het digitaal verzonden verzoekschrift in hoger beroep, de brief van 23 maart 2023 met de ‘hard copy’ van het verzoekschrift, de e-mail van 27 maart 2023 met verzoek om spoedige behandeling, de e-mail van 13 april 2023 met als bijlage de e-mail van 4 april 2023 met het verzoek om spoedige behandeling en de e-mail van 20 april 2023.
Zie blz. 6 van de beschikking: de mening van [de dochter], alsmede ook de schriftelijke mededeling aan het Hof d.d. 29 juni 2023 (r.o. 2.4 Hof).
Zie valt in de brief aan het Hof d.d. 7 mei 2023 te lezen:‘Bovendien: dat de rechtbank beroep van deze tussenbeslissing openstelt, is in het licht van fundamentele (proces)rechtsbeginselen als verankerd in artt. 22, 23, 24 en 26 Rv. En artt. 3, 6, 8 en 13 EVRM ook niet meer dan logisch, nu de rechtbank Rotterdam immers heeft geweigerd te beslissen op het kernverzoek van Rechtzoekende waarmee zij de rechtbank had geadieerd.Dit kernverzoek (en bijbehorend bewijs) van Rechtzoekende luidde met (o.a.) een beroep op artikelen uit direct werkende internationale mensenrechtenverdragen als (artt. 3, 6, 8 en 13 van) het EVRM en (artt. 3, 6, 8, 9, 12, 16) Kinderrrechtenverdrag, herstel in de oude toestand: per direct verzocht Rechtzoekende herstel in het ouderlijk gezag over haar biologische dochter [de dochter] (geboren [geboortedatum] 2007), hierna:‘het Kind’van inmiddels 14 jaar oud dat haar nimmer ontnomen had mogen worden.’