Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.5.1.2
7.5.1.2 En de insluitingsclausule?
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232415:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, Stb. 2017, nr. 177, in werking getreden op 1 januari 2018. Bij deze wet is in artikel 1:94 lid 3 letter b BW de mogelijkheid voor schenkers en erflaters geïntroduceerd te bepalen dat hetgeen de begunstigde ontvangt, in de huwelijksgemeenschap zal vallen waarin hij gehuwd is.
Kamerstukken II 2014-2015, 33987, nr. 6, p. 16. Met huwelijk en huwelijkse voorwaarden zijn gelijk te stellen, geregistreerd partnerschap en geregistreerd partnerschapsvoorwaarden.
Sinds 1 januari 2018 kent de wet niet alleen de uitsluitingsclausule, maar maakt ook de insluitingsclausule deel uit van het Nederlandse positieve recht.1 Net als voor de uitsluitingsclausule geldt voor de insluitingsclausule dat sprake is van een uiterste wilsbeschikking. Voor de verkrijger heeft een insluitingsclausule minder vergaande gevolgen dan een uitsluitingsclausule. Zo kan een erflater of schenker niet bewerkstelligen dat een schenking of erfrechtelijke verkrijging tot de huwelijksgemeenschap zal behoren als de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat giften en erfrechtelijke verkrijgingen niet tot de huwelijksgemeenschap zullen behoren.2
Omdat in mijn visie uitkeringen gedaan door de bij dode opgerichte stichting ter nakoming van het doel van de stichting als lastbevoordelingen zijn te beschouwen, kan de insluitingsclausule daardoor gevolgen hebben voor de gerechtigdheid tot dergelijke uitkeringen. De erflater/oprichter kan een insluitingsclausule opnemen in zijn uiterste wil die ook betrekking kan hebben op uitkeringen van een bij dode opgerichte stichting in het kader van het doel van die stichting. Als dat het geval is, zullen dergelijke uitkeringen tot de huwelijksgemeenschap behoren, tenzij in de huwelijkse voorwaarden van de verkrijger en zijn echtgenoot is bepaald dat dit niet het geval is.