Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.3.4.2
3.3.4.2 Gescheiden behandeling van het verzoek tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460789:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De OK heeft DSM het verbod opgelegd het voorstel tot de introductie van loyaliteitsdividend in de statuten in stemming te brengen in de AVA van 28 maart 2007 of in enige later te houden AVA: OK 28 maart 2007, JOR 2007, 118 (Koninklijke DSM, m.nt. Brink). Deze uitspraak is uitgebreider ter sprake gekomen in tekstnummer 54.
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105, r.o. 3.6 en 3.7 (Koninklijke DSM, m.nt. Maeijer). Zie over deze uitspraak ook Storm 2008, p. 26 e.v.
In soortgelijke zin: Verbunt 2008, p. 171; Schild 2008, p. 36.
Vergelijk de opmerking van de minister (Bundel Wetsgeschiedenis p. IXa – 12 (MvT)) dat van de OK veel tact wordt verlangd omdat ‘alleen reeds het feit dat een verzoek wordt gedaan, betekent dat de onderneming in opspraak wordt gebracht’, alsook zijn reactie (Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 49-50 (MvA)) op de in het Voorlopig Verslag geuite vrees dat de procedure, voorafgaand aan de enquête, te lang zal duren: ‘De verzoekers behoeven niet te bewijzen dat het ondernemingsbeleid faalt, doch dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan de juistheid van het beleid. (...). In het laatste lid van art. 53 (thans art. 2: 349a lid 1, FV) wordt de ondernemingskamer de verplichting opgelegd het verzoek met de meeste spoed te behandelen; de ondergetekende verwacht dan ook geenszins dat tussen het indienen van het verzoek en de beslissing maanden zullen verstrijken.’
HR 27 september 2000, JOR 2000, 217, r.o. 4.2 (Gucci Group, m.nt. Brink).
Zie over dit artikel uitgebreider paragraaf 4.5.1.
Vergelijk A-G Timmerman in zijn conclusie (overweging 3.90, onder (ii)) bij HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 (Koninklijke DSM, m.nt. Maeijer). Uit de beschikking van de OK (OK 28 maart 2007, JOR 2007, 118 (m.nt. Brink)) blijkt dat het verzoek tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen ter griffie is ingekomen op 19 maart 2007 en dat het verzoek voor zover het strekt tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen op 22 maart 2007 ter terechtzitting is behandeld. Dat het nog sneller kan, blijkt uit OK 3 mei 2007,JOR 2007, 143 (ABN AMRO): de verzoeken tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen zijn ingekomen op 27 april 2007, terwijl de mondelinge behandeling van het verzoek voor zover het strekt tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen heeft plaatsgevonden op 28 april 2007. In deze procedure is de vennootschap overigens wel in de gelegenheid geweest een verweerschrift in te dienen (op 28 april 2007).
Zie hierover ook Maeijer in zijn noot (onder 6) in NJ 2008, 105 (onder HR 14 december 2007 (Koninklijke DSM)); Josephus Jitta 2008, p. 39. Maeijer merkt op dat er dus in elk geval een voorlopig oordeel dient te komen aangaande het enquêteverzoek: niet kan worden volstaan met het enkele beantwoorden van de ontvankelijkheidsvraag.
68. Koninklijke DSM . Ingevolge art. 2: 345 lid 1 jo. art. 2: 349a lid 2 BW is voor ontvankelijkheid van verzoekers in hun verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen vereist dat zij tevens een verzoek tot het instellen van een onderzoek hebben ingediend. Advocaat-generaal Timmerman betoogt in zijn conclusie (overweging 3.84) bij DSM met een beroep op de wetsgeschiedenis dat indien ‘de toestand van de rechtspersoon’ of ‘het belang van het onderzoek’ onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, de Ondernemingskamer reeds onmiddellijke voorzieningen kan treffen vóórdat zij een onderzoek heeft bevolen. Timmerman meent echter wel (zie overweging 3.95) dat naar mate uit de feiten minder valt af te leiden dat deze noodzaak bestaat, hogere eisen mogen worden gesteld aan de motivering van de Ondernemingskamer waarom een evenwichtige belangenafweging in het betreffende geval tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen noopt, zeker indien deze feitelijk onomkeerbare gevolgen hebben. Timmerman concludeert dat de Ondernemingskamer aan de door haar getroffen onmiddellijke voorziening géén billijke afweging van de betrokken belangen ten grondslag heeft gelegd.1 Hij vordert (mede) om deze reden cassatie in het belang der wet van de onderhavige beschikking. De Ondernemingskamer dient het voor en tegen van het opleggen van een onmiddellijke voorziening waarbij de betrokken belangen billijk worden gewogen, expliciet en ambtshalve in aanmerking te nemen, met name wanneer een voorziening onomkeerbare gevolgen heeft en daarmee diep in de feitelijke situatie van partijen ingrijpt. Het is wenselijk dat de Hoge Raad dit uitdrukkelijk uitspreekt (overweging 3.95-3.98).
69. Hoge Raad . De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel doel treft: ‘Nu de in art. 2: 349a lid 2 aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid tot het treffen van een onmiddellijke voorziening wordt uitgeoefend in een geding betreffende een verzoek als bedoeld in art. 2: 345, moet in beginsel eerst worden beoordeeld of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen. De wetgever heeft echter niet uitgesloten dat de ondernemingskamer van deze bevoegdheid gebruik maakt voordat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist, en dus vooruitlopend op een def initief oordeel daarover. Niettemin zal in dit stadium van die bevoegdheid slechts een terughoudend gebruik kunnen worden gemaakt. In dit stadium kan immers slechts aan de hand van een beperkt partijdebat voorlopig worden beoordeeld of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen. (...). In elk geval zal de ondernemingskamer bij de uitoefening van haar bevoegdheid voldoende rekening moeten houden met, en een billijke afweging moeten maken van, de belangen van de betrokken partijen (...). Een en ander brengt mee dat van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan.’ De onderhavige beschikking van de Ondernemingskamer geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat zij heeft nagelaten de hiervoor bedoelde afweging te maken.2
70. De onderhavige rechtsoverweging is, indien zij wordt afgezet tegen de conclusie van Timmerman, naar mijn mening weinig verhelderend. Weliswaar overweegt de Hoge Raad dat de Ondernemingskamer zich terughoudend dient op te stellen, maar dat zij voldoende rekening moet houden met en een billijke afweging moet maken van de belangen van de betrokken partijen en dat er voldoende zwaarwegende redenen moeten zijn om alvast onmiddellijke voorzieningen te treffen, is niets nieuws: deze voorwaarden zijn ook al gesteld in de beschikkingen inzake Skygate Holding en Versatel3 Ons hoogste rechtscollege laat bovendien in het midden of hogere eisen worden gesteld aan de motivering van de Ondernemingskamer in geval onmiddellijke voorzieningen met feitelijk onomkeerbare gevolgen worden getroffen. Naar mijn mening is echter vooral onduidelijk de overweging dat de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen mag treffen vóórdat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist (respectievelijk vóórdat een onderzoek wordt gelast), maar dat van deze bevoegdheid slechts een terughoudend gebruik kan worden gemaakt omdat in dit stadium slechts aan de hand van een beperkt partijdebat voorlopig kan worden beoordeeld of er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen (respectievelijk dat van deze bevoegdheid slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon voldoende zwaarwegende redenen bestaan). Mag hieruit – ik doel op de zinsnede vóórdat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist respectievelijk vóórdat een onderzoek wordt gelast – worden afgeleid dat de Ondernemingskamer het partijdebat over en de definitieve beoordeling van het enquêteverzoek naar de toekomst mag verschuiven en alleen het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen mag beoordelen (en toewijzen)? Ik wijs erop dat uit verschillende beschikkingen van de Ondernemingskamer – waaronder die betreffende DSM (zie rechtsoverweging 1.2) en een betrekkelijk groot aantal impassezaken – blijkt dat dit de gang van zaken was in de onderliggende procedures. Zo de vorige vraag bevestigend mag worden beantwoord, dient de Ondernemingskamer in de beschikking dan wel haar voorlopige oordeel op te nemen dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen? En hoe streng dient de voorwaarde te worden uitgelegd dat van deze bevoegdheid ‘slechts een terughoudend gebruik’ kan worden gemaakt? De laatste vraag is mede van belang vanwege het bepaalde in art. 2: 349a lid 1 BW dat het enquêteverzoek met de meeste spoed wordt behandeld. Ik begrijp deze bepaling aldus, dat de Ondernemingskamer gehouden is met de meeste spoed een partijdebat te doen plaatsvinden teneinde zich een (definitief) oordeel te kunnen vormen over de vraag of het enquêteverzoek moet worden toegewezen.4 Een interessante vraag is voorts hoe de onderhavige beslissing uit DSM moet worden begrepen in het licht van het oordeel van ons hoogste rechtscollege in Gucci Group dat de Ondernemingskamer een verzoek tot het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen niet in behandeling mag nemen indien er géén aanleiding bestaat voor het instellen van een onderzoek (lees: omdat er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen of een onderzoek naar de feiten niet nodig is omdat deze voldoende duidelijk zijn).5 Op basis waarvan komt zij tot het (voorlopige) oordeel dat er voldoende aanleiding bestaat voor het instellen van een onderzoek indien zij het partijdebat over en de inhoudelijke beoordeling van het enquêteverzoek heeft uitgesteld (een keuze die al is gemaakt direct nadat de onderscheiden verzoeken ter griffie zijn ingekomen)? Anders gezegd, vormt hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar aanleiding van het verzoek tot het treffen van on- middellijke voorzieningen is aangevoerd – ziet de zinsnede ‘beperkt partijdebat’ hier op? – een voldoende basis voor het voorlopige oordeel dat er (voldoende) aanleiding is voor het instellen van een onderzoek en daarmee voor de vaststelling dat zij bevoegd was het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen alvast te beoordelen? Een belangrijke vraag is ten slotte of de in art. 19 Rv vervatte beginselen van een behoorlijke procesorde – met name het recht op rechterlijk gehoor en het recht op gelijke proceskansen – voldoende zijn gewaarborgd.6 De laatste vraag komt te meer op in geval de vennootschap zich wenst te verweren tegen het enquêteverzoek. Ik wijs er in dit verband op dat DSM zelfs nog niet in de gelegenheid is geweest een verweerschrift in te dienen tegen het enquêteverzoek.7 De onderhavige problematiek is ook van groot belang voor de impassebeschikkingen. Ik kom hier in paragraaf 4.4 op terug.
Hoewel een heldere motivering op dit punt ontbreekt in de beschikking inzake DSM , acht ik het, mede gezien de enquêterechtelijke praktijk uit de afgelopen jaren en de omstandigheid dat hij niet uitdrukkelijk in andere zin heeft geoordeeld, waarschijnlijk dat de Hoge Raad het toelaatbaar acht dat de Ondernemingskamer het partijdebat over en de beoordeling van het enquêteverzoek naar de toekomst verschuift maar al wel onmiddellijke voorzieningen treft. Ik meen echter dat deze beslissing, gelet ook op de overwegingen uit Gucci Group en het bepaalde in art. 2: 349a lid 1 BW, alleen begrijpelijk is indien de voorwaarde dat de Ondernemingskamer ‘slechts een terughoudend gebruik’ kan maken van deze bevoegdheid, streng wordt uitgelegd. Ik zou menen dat de toestand van de vennootschap moet vergen dat onverwijld wordt ingrepen – met andere woorden, de toestand van de vennootschap moet meebrengen dat niet op de beoordeling ten gronde van het enquêteverzoek kan worden gewacht – en dat de Ondernemingskamer dit ook in de beschikking tot uitdrukking dient te brengen. Ik meen voorts dat Ondernemingskamer haar voorlopige oordeel dat er voldoende aanleiding is voor het instellen van een onderzoek in de beschikking moet opnemen8 , zodat ook kenbaar is op basis waarvan zij tot het oordeel is gekomen dat zij bevoegd was het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen alvast te beoordelen (vergelijk Gucci Group ).
Ik benadruk echter dat het uitgangspunt naar mijn mening is, gelet ook op de eveneens in DSM doorklinkende gedachte dat het onderzoek de kern vormt van de enquêteprocedure, dat de Ondernemingskamer in beginsel alleen bevoegd is een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in behandeling te nemen nádat zij, mede aan de hand van een ter zake gevoerd debat, definitief heeft vastgesteld dat er voldoende aanleiding is voor het instellen van een onderzoek (lees: dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen en dat er daadwerkelijk een onderzoek nodig is naar de feiten). Niet alleen zijn de (procesrechtelijke) belangen van de verschillende belanghebbenden aldus beter gewaarborgd, een dergelijke benadering sluit ook beter aan bij het bepaalde in art. 2: 349a lid 1 BW dat het enquêteverzoek met de meeste spoed wordt behandeld. Ik lees in dit artikel overigens niet de eis dat de Ondernemingskamer ook met de meeste spoed de beschikking dient te geven waarin het enquêteverzoek wordt toegewezen. Zij heeft naar mijn mening de bevoegdheid hiermee nog even te wachten, bijvoorbeeld omdat haar ná de mondelinge behandeling ter ore is gekomen dat partijen wellicht tot een vergelijk kunnen komen.