Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.3.1.1
3.3.1.1 Van compensatie naar voorkoming
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657533:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De eigenaar kon de stoornis van bezit doen eindigen (art. 629 Oud BW) en de eigenaar van een onroerend goed kon een vordering tot amotie instellen (art. 702 Oud BW). Deze remedies zijn nog steeds als bijzondere remedies te vinden in het huidige BW (resp. artt. 5:2 BW en 5:54 BW) maar worden gezien als species van het algemene art. 3:296 BW (zie TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 895; TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 71).
HR 13 maart 1903, W 7899 (Rotterdam/Boels). Voor de feiten, zie Rb. Rotterdam 1 mei 1899, W 7314 (Rotterdam/Boels). Vergelijkbaar: HR 13 juni 1913, W 9531 (Maatschappij van de Weldadigheid/Nicola). Zie verder over de schadevergoeding in natura Hoofdstuk 4.
HR 13 november 1914, ECLI:NL:HR:1914:27, NJ 1915/98, m.nt. E.M.M (Kieft/Otjes).
HR 4 maart 1938, ECLI:NL:HR:1938:262, NJ 1938/948, m.nt. P. Scholten (AVRO/BUMA), betreffende een inbreukverbod op alle door BUMA beheerde auteursrechten.
HR 18 augustus 1944, ECLI:NL:HR:1944:26 NJ 1944-45/598 (Gemeente Alkmaar/Provincie Noord-Holland), betreffende een bevel tot nakoming van de plicht de stroomvoorziening te garanderen. Tot deze uitspraak betroffen alle bevelen en verboden handhaving van absolute rechten.
Art. 3:303 BW, zie ook: Asser/Sieburgh 6-IV 2019/153: vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 895; Bleeker 2018, p. 143-145.
Zie de formulering van art. 3:296 BW en HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8976, NJ 1986/356, m.nt. M. Scheltema (Claas/Van Tongeren). Zie ook: Van Nispen 2018, p 13, 32.
Het Burgerlijk Wetboek van 1838 kende geen met artikel 3:296 BW vergelijkbare bepaling. In de 19e en vroege 20e eeuw konden rechterlijke verboden of geboden alleen worden verkregen ter handhaving van zakelijke rechten1 of als schadevergoeding voor reeds geleden onrecht. Zo werd in 1903 in Rotterdam/Boels de gemeente Rotterdam weliswaar bevolen een onrechtmatig afgebroken gebouw te herbouwen, maar dan wel bij wijze van schadevergoeding.2 Daarmee bleef de rechter bij het beslissen over de toe te wijzen remedie terugkijken naar het reeds begane onrecht op de manier zoals dat nu bij de schadevergoeding in natura van artikel 6:103 BW gebeurt.
In 1914 werd duidelijk dat deze remedie zich ook goed leende voor een meer preventief perspectief, doordat de Hoge Raad het in het Kieft/Otjes-arrest mogelijk achtte een verbod op voortzetting van onrechtmatig handelen in de toekomst toe te wijzen.3 Later zou duidelijk worden dat voor toewijzing van een nakomingsveroordeling geen voorafgaande schending van een rechtsplicht vereist is4 en dat een verbod ten aanzien van alle soorten rechtsplichten kan worden ingeroepen.5 Zolang sprake is van een reële dreiging van normschending en een voldoende materieel belang bij het gevorderde bevel,6 heeft de eiser recht op toewijzing.7 Hiermee verschoof de focus van de remedie van het verleden naar de toekomst en van compensatie naar handhaving.