Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.1
8.1 Inleiding
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299231:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Het bedrijfsbegrip van art. 6:181 ziet blijkens hoofdstuk 6 op ‘de professional’. Omwille van de leesbaarheid wordt in dit hoofdstuk niettemin wel van ‘bedrijf’, ‘bedrijfsuitoefenaar’, ‘bedrijfsmatige’ gebruiker en diens ‘bedrijfsactiviteiten’ gesproken.
Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 299 menen dat de term ‘functioneel verband’ in het kader van art. 6:181 niet voor de hand ligt, omdat het anders dan bij art. 6:170 niet gaat om het leggen van een verband tussen fout en functie. Niettemin meen ik dat de term functioneel verband ook te hanteren is bij art. 6:181, aangezien het gaat om een aansprakelijkheid voor zaken die functioneel voor het bedrijf worden geacht.
Klaassen 1991, p. 89-90; Lubach 2005, p. 370-371; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/230.
Kolder 2010, p. 295-307. Zie voorts par. 5.4.
In dit hoofdstuk staat het derde kernvereiste van art. 6:181 centraal, inhoudende dat de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken worden gebruikt ‘in de uitoefening van’ het op voet van art. 6:181 aangesproken bedrijf.1 Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat een bedrijfsmatige gebruiker niet aansprakelijk is voor íedere schadeveroorzaking door de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken, maar dat steeds een zekere band moet bestaan tussen het gebruik van deze zaken en diens bedrijfsuitoefening. Ook het functioneel verband-vereiste van art. 6:18 beoogt de risicosfeer van de bedrijfsmatige gebruiker af te bakenen: voor gebruik van de zaak dat te ver verwijderd is van de betreffende bedrijfsactiviteiten, wordt degene die dit bedrijf uitoefent niet ‘verantwoordelijk’ gesteld.2 Steeds is het de vraag of een zodanige functionele samenhang bestaat tussen het gebruik van de schadeveroorzakende zaak en de bedrijfsuitoefening, dat degene die dit bedrijf uitoefent daarvoor aansprakelijk is. Gezien de bevindingen in de hoofdstukken 4 en 5, zal in ieder geval als uitgangspunt hebben te gelden dat het functioneel verband van art. 6:181 een ruime uitleg toekomt.
Een voorbeeld waarin zonder meer aan het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 zal zijn voldaan, betreft het manegebedrijf dat bij het geven van paardrijlessen andermans paard inzet. Brengt dit dier tijdens een rijles een derde schade toe, dan zal het functioneel verband van art. 6:181 in ieder geval niet in de weg staan aan een aansprakelijkheid van de manege als bedrijfsmatige gebruiker. De band tussen het gebruik van het paard en de bedrijfsuitoefening van de manege is sprekend: de paarden worden onmiskenbaar ‘in de uitoefening van’ het manegebedrijf ingezet. Minder sprekend is de casus waarin de manege in het kader van een eenmalige open dag een luchtkussen van een derde huurt, ter vermaak van de kinderen van potentiële nieuwe leden terwijl deze laatsten ter kennismaking een paardrijles kunnen volgen. Gebruikt het manegebedrijf ook dit luchtkussen ‘in de uitoefening van’ haar bedrijf? Het luchtkussen wordt weliswaar gebruikt ten behoeve van het manegebedrijf, maar het aanbieden van ‘luchtkussenvermaak’ en het geven van paardrijlessen zijn – naar hun aard en ook uiterlijk – duidelijk te onderkennen gescheiden bedrijfsactiviteiten. Moet hierom worden aangenomen dat het gebruik van het luchtkussen te ver verwijderd is van de (eigenlijke) bedrijfsactiviteiten van de manege? En wat te denken van de werknemer van de manege die zich op de verjaardag van zijn dochter mét haar maar zónder medeweten van zijn werkgever na sluitingstijd toegang tot de manege verschaft, om de jarige te trakteren op een ‘privé-rit’ in de binnenbak? Tijdens deze rit maakt het paard – dat door een derde aan de manege ter beschikking was gesteld om buitenritten mee te maken – onverwachts een bokkesprong en werpt de berijdster af. Is in dit geval van privégebruik nog sprake van gebruik van het dier ‘in de uitoefening van’ het manegebedrijf ex art. 6:181?
Gedurende de parlementaire totstandkoming van art. 6:181 is het functioneel verband-vereiste niet afzonderlijk aan de orde gesteld. Voorts heeft dit vereiste in de literatuur en rechtspraak nog maar weinig aandacht mogen genieten. En waar in wetenschappelijke beschouwingen wél wordt ingegaan op het criterium ‘in de uitoefening van’ een bedrijf in art. 6:181, wordt veelal – kortheidshalve – volstaan met een verwijzing naar het criterium ‘ter uitoefening van’ diens bedrijf zoals geldt met betrekking tot zelfstandige hulppersonen neergelegd in art. 6:171.3 Bij eerdere gelegenheid heb ikzelf al enige aandacht aan het functioneel verband van art. 6:181 besteed, waarbij werd verdedigd dat art. 6:181 nu juist niet het spoor van art. 6:171 – maar van art. 6:170 – volgt.4 Waar nodig zal ik in dit hoofdstuk mijn bevindingen herhalen en nader uitwerken. Verder is een fundamentele vraag op te werpen naar de zelfstandige betekenis van het functioneel verband-vereiste van art. 6:181: valt de risicosfeer van de bedrijfsmatige gebruiker bijvoorbeeld niet al voldoende te begrenzen aan de hand van het gebruiksbegrip van deze bepaling? Zo kwalificeert blijkens hoofdstuk 7 een persoon (pas) als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van een zaak zodra deze daarmee kort gezegd ‘de meest sprekende band’ heeft. Ligt in het aanwijzen van iemand als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ niet al de vereiste functionele samenhang besloten tussen het gebruik van de zaak en de betreffende bedrijfsactiviteiten? Aanleiding genoeg derhalve om het functioneel verband-vereiste van art. 6:181 aan een nadere beschouwing te onderwerpen.