Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/6.3.1
6.3.1 Inleiding
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268381:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
De wet spreekt van dagelijks beleidsbepalers, waaronder in ieder geval de statutair bestuurders worden verstaan, en leden van het orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, zoals commissarissen.
Zie art. 3:9 Wft, art. 5 t/m 9 Bpr Wft en bijbehorende Bijlage A en de genoemde Richtsnoeren.
Art. 3:8, derde lid, Wft, art. 91, zevende lid, CRD IV en bepaling 71 van de Richtsnoeren.
Art. 91, eerste lid, CRD IV. De CRD V verplaatst deze bepaling naar art. 91, zevende lid van de richtlijn. Hierdoor worden de collectieve geschiktheidseisen ten aanzien van kennis, vaardigheden en ervaring (zevende lid) beter onderscheiden van de individuele geschiktheidseisen (eerste lid).
Bepaling 67-69 van de Richtsnoeren.
Bepaling 71 van de Richtsnoeren.
Bestuurders en commissarissen1 van banken en andere financiële ondernemingen dienen te voldoen aan de wettelijke eisen ten aanzien van geschiktheid2 en betrouwbaarheid.3 Deze eisen zijn, zoals al aan de orde kwam, na de crisis flink verstevigd. De betrouwbaarheidseisen laat ik in dit artikel verder buiten beschouwing. Hier ligt mijns inziens namelijk geen spanningsveld met de hiervoor genoemde diversiteitsdoelstellingen. Waar het om gaat zijn de geschiktheidseisen. Deze eisen kunnen worden onderscheiden in eisen die gesteld worden aan de RvB en de RvC als groep (de ‘collectieve geschiktheid’), en eisen die gelden voor elke individuele bestuurder of commissaris (de ‘individuele geschiktheid’). De individuele geschiktheid wordt voorts getoetst met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief. Ik licht dit als volgt toe.
Collectieve geschiktheid
Voor zowel de RvB als de RvC geldt dat deze als groep geschikt dient te zijn om de gestelde taken naar behoren te kunnen vervullen. De RvB en de RvC van de bank moet zodanig zijn samengesteld dat daarin alle kennis, vaardigheden en ervaring samenkomen die voor een goede taakvervulling zijn vereist.4 De algemene samenstelling van zowel de RvB als de RvC dient een voldoende brede waaier aan ervaring te weerspiegelen.5
Dit betekent onder meer dat, in elk orgaan afzonderlijk, een goed begrip moet zijn van de activiteiten van het bankbedrijf en van de belangrijkste daaraan verbonden risico’s. Ook dient de RvB over de vaardigheden te beschikken om effectief leiding te geven aan het bankbedrijf, en de RvC om hierop effectief intern toezicht te houden.6 Relevante onderwerpen zijn verder: kennis van de sector en van financiële onderwerpen zoals financiële markten, kapitaalmarkten, solvabiliteit en modellen, expertise op het gebied van accounting, financiële verslaggeving, risicobeheer, compliance, audit, informatietechnologie, informatiebeveiliging, (toezicht)regelgeving, kennis van (lokale/ internationale) markten, managementervaring en strategie.7
De RvB en de RvC dienen als collectief, en elk orgaan vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, een goed begrip te hebben van deze onderwerpen. De mate waarin expertise aanwezig dient te zijn op al deze genoemde onderwerpen, zal echter per bank verschillen. De eisen worden proportioneel toegepast, rekening houdend met aard, omvang en complexiteit van de activiteiten van de betrokken bank.