Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/2.4
2.4 De ‘procedurele autonomie’ van de lidstaten
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931183:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name Van Gerven 2000 en Reich 2007.
Zie hierna, nr. 32-34.
Prinssen 2004, p. 33-36; Krans 2010, p. 5-7; Devroe & Van Cleynenbreugel 2014/24; Meijer 2014, p. 39 e.v.; De Mol 2014a, p. 116 e.v.; Barents & Brinkhorst 2012/560-562; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/92-93; Heinze 2017, p. 9-9; Aronstein 2019/434 e.v.; Episcopo 2021, p. 284-299. Vgl. voorts Asser/Hartkamp 3-I 2023/110. Zie voor kritiek op dit leerstuk met name Bobek 2011 en Van den Bossche 2014.
Zie over samenloop van Unierecht en nationaal recht hierna, nr. 34.
HvJEG 16 december 1976, C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188, Jur. 1976, p. 1989 e.v. (Rewe), r.o. 5; HvJEG 16 december 1976, C-45/76, ECLI:EU:C:1976:191, Jur. 1976, p. 2043 e.v. (Comet), r.o. 13. Beide beginselen vormen op hun beurt een uitwerking van het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel, zie Asser/Hartkamp 3-I 2023/111.
HvJEG 16 december 1976, C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188, Jur. 1976, p. 1989 e.v. (Rewe), r.o. 5; HvJEG 16 december 1976, C-45/76, ECLI:EU:C:1976:191, Jur. 1976, p. 2043 e.v. (Comet), r.o. 13. Zie hierover Meijer 2014, p. 41-44.
HvJEG 16 december 1976, C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188, Jur. 1976, p. 1989 e.v. (Rewe), r.o. 5; HvJEG 16 december 1976, C-45/76, ECLI:EU:C:1976:191, Jur. 1976, p. 2043 e.v. (Comet), r.o. 16. Zie voorts HvJEG 9 november 1983, C-199/82, ECLI:EU:C:1983:318, European Court Reports 1983, p. I-03595 (San Giorgio), r.o. 14.
HvJEU 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263, JOR 2019/176, m.nt. C. Spierings (Cogeco), r.o. 42-55.
Rechtbank Amsterdam 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3393 (Equilib/KLM c.s.), r.o. 3.24; Rechtbank Amsterdam 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3392 (SCC/KLM c.s.), r.o. 2.9. In hoger beroep kwam het Gerechtshof Amsterdam via een andere route – en niet langer met een beroep op het doeltreffendheidsbeginsel – tot hetzelfde resultaat, zie Gerechtshof Amsterdam 6 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1940 (Equilib/KLM c.s.). Tegen het arrest van het hof is cassatieberoep ingesteld.
Het recht op schadevergoeding vormt zelf eveneens een voor bescherming vatbaar recht, in die zin dat indien lidstaten de uitoefening van dat recht onmogelijk of uiterst moeilijk maken, die lidstaat mogelijk verplicht is de daardoor door de betrokkene geleden schade te vergoeden.
Zie Král 2008 voor enkele voorbeelden.
Zie bijvoorbeeld Verordening (EEG) nr. 1035/72 en Verordening (EG) nr. 2200/96,waarover werd geoordeeld in HvJEG 17 september 2002, C-253/00, ECLI:EU:C:2002:497, Jur. 2002, p. I-07289; NJ 2003/702, m.nt. M.R. Mok (Muñoz).
Zie voor nietigheid op grond van art. 3:40 BW bijvoorbeeld Asser/Hartkamp 3-I 2023/195 en Asser/Sieburgh 6-III 2022/314. Zie voor aansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW onder meer Asser/Hartkamp 3-I 2023/74-76; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/44; en Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.2.3 (online, actueel t/m 1 december 2020). Vgl. voorts Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 615.
Zie hierover nader Hoofdstuk 4, par. 4.2.1.
Dit is anders voor bijvoorbeeld acties tegen de Unie, zie art. 268 VwEU, waarover onder meer HvJEG 14 juli 1967, gevoegde zaken C-5/66, C-7/66 en C-13 t/m C-24/66, ECLI:EU:C:1967:31, Jur. 1967, p. 00245 (Kampffmeyer/Commissie); HvJEG 13 maart 1992, C-282/90, ECLI:EU:C:1992:124, Jur. 1992, p. I-01937 (Vreugdenhil/Commissie), r.o. 14; en HvJEU 29 juli 2010, C-377/09, ECLI:EU:C:2010:459, Jur. 2010, p. I-07751; NJ 2010/607, m.nt. M.R. Mok (Hanssens-Ensch), r.o. 17.
In het Europese conflictenrecht worden deze aspecten als materieelrechtelijk beschouwd. Zie voor verbintenissen uit overeenkomst Rome I, art. 12 lid 1 sub d (verjaring) en art. 18 lid 1 (bewijs); vgl. voor verbintenissen uit onrechtmatige daad Rome II, art. 15 aanhef en sub h (verjaring) en art. 22 lid 1 (bewijs). De regels over verjaring in art. 10 Richtlijn 2014/104/EU zijn eveneens materieelrechtelijk van aard, zie HvJEU 22 juni 2022, C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494 (Volvo & DAF Trucks/RM), r.o. 43-47.
Zie Sieburgh 2014a/15a en 20. Uit HvJEG 9 november 1983, C-199/82, ECLI:EU:C:1983:318, European Court Reports 1983, p. I-03595 (San Giorgio), r.o. 14, volgt dat een bewijsregel in strijd kan komen met het doeltreffendheidsbeginsel. Zie voor een voorbeeld waarin het HvJ een nationale vervaltermijn in strijd achtte met het doeltreffendheidsbeginsel HvJEG 1 december 1998, C-326/96, ECLI:EU:C:1998:577, Jur. 1998, p. I-07835; NJ 1999/524 (Levez). Zie voor verjaringstermijnen HvJEU 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 t/m 298/04, ECLI:EU:C:2006:461, Jur. 2006, p. I-06619; NJ 2007/34, m.nt. M.R. Mok (Manfredi), r.o. 81-82, en HvJEU 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263, JOR 2019/176, m.nt. C. Spierings (Cogeco), r.o. 42-55, waarin een subjectieve verjaringstermijn naar Portugees in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel werd geacht.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis), art. 1 lid 2, aanhef en sub b.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis), art. 4 lid 1 en 2.
Zie art. 1 t/m 14 Rv.
Zie bijvoorbeeld Richtlijn 85/374/EEG, art. 7, 10 en 11, en Richtlijn 2014/104/EU, art. 5 t/m 10.
Zie art. 101 VwEU en de lijn van rechtspraak vanaf het arrest HvJEG 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465, Jur. 2001, p. I-06297; NJ 2002/43 (Courage/Crehan) en art. 6:162 BW. Hetzelfde geldt voor een verwerking van persoonsgegevens in strijd met verplichtingen uit hoofde van de AVG, in welk geval een betrokkene een recht op schadevergoeding zowel kan ontlenen aan art. 82 lid 2 AVG als aan art. 6:162 BW.
Zie bijvoorbeeld Richtlijn 85/374/EEG, art. 13.
Zie bijvoorbeeld HvJEU 28 april 2022, C-319/20, ECLI:EU:C:2022:322 (Meta Platforms Ireland/Verbraucherzentrale Bundesverband e.V.).
Sieburgh 2009, p. 247 e.v.; Castermans & Krans 2017/7; De Graaff 2020, p. 79-82.
De Graaff 2020, p. 80 (“the existence of a formal hierarchy does not imply that a higher norm automatically trumps the application of rules lower down the hierarchy”) en p. 81 (“This does not, however, mean that Union law necessarily excludes the applicability of national law. (…) The pivotal question, therefore, is whether a conflict between national law and Union law actually exists.”).
30. Afhankelijkheid van nationaal recht. Het Unierecht kent geen algemene regeling van het materiële burgerlijk recht, noch van het burgerlijk procesrecht (of insolventierecht). Dit brengt mee dat het Unierecht voor zijn handhaving in sterke mate afhankelijk is van nationaal recht. Dit geldt zowel indien een regel directe horizontale werking heeft, als wanneer dit niet het geval is. Heeft een regel géén directe horizontale werking, dan is voor de beïnvloeding van rechtsverhoudingen van particulieren tussenkomst van nationaal recht nodig. Heeft een regel wél directe horizontale werking, dan geldt dit niet, maar dat wil niet zeggen dat de rol van het nationale recht daarmee is uitgespeeld. Doorgaans regelt een direct horizontaal werkende regel van Unierecht wél of een particulier daaraan een recht kan ontlenen, maar niet of niet volledig op welke wijze hij dat recht ook kan effectueren.
In dit kader wordt onderscheid gemaakt tussen de rechten die het Unierecht aan particulieren toekent, de remedies die particulieren ter beschikking staan indien die rechten worden geschonden of dreigen te worden geschonden, en de procedures waarin dergelijke remedies zo nodig kunnen worden geëffectueerd.1 Hoewel een strikt onderscheid tussen de verschillende categorieën lastig te maken is, meen ik dat het begrippenkader nuttig is om de verhouding tussen Unierecht en nationaal recht te duiden. Het vertrekpunt daarbij is telkens de situatie waarin het Unierecht aan particulieren een recht toekent. Kort gezegd komt daarbij aan het nationale recht slechts die ruimte toe, die het Unierecht aan het nationale recht laat, zodat waar het Unierecht zélf voorziet in remedies en/of procedureregels, de ruimte voor het nationale recht mogelijk beperkter is.2
31. De ‘procedurele autonomie’ van de lidstaten. De ruimte die het Unierecht laat aan het nationale recht om regels te geven inzake de effectuering van door het Unierecht toegekende rechten, wordt doorgaans aangeduid als de ‘procedurele autonomie’ van de lidstaten.3 Die autonomie houdt in dat het bij gebreke van toepasselijk Unierecht is overgelaten aan het nationale recht van de lidstaten om regels te stellen omtrent de uitoefening van door het Unierecht toegekende rechten. Zij wordt begrensd door de gevallen waarin het Unierecht géén ruimte laat aan het nationale recht omdat het zelf een regeling geeft,4 of omdat nationaal recht strijdig is met het gelijkwaardigheidsbeginsel en/of het doeltreffendheidsbeginsel (de ‘Rewe/Comet-doctrine’).5
Het gelijkwaardigheidsbeginsel houdt in dat nationale regels die wordt gebruikt voor de effectuering van aan het Unierecht ontleende rechten “niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen”.6 Dit beginsel brengt bijvoorbeeld mee dat indien het nationale recht voor staatsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige wetgeving soepeler voorwaarden hanteert dan de voorwaarden die op grond van het Unierecht gelden voor wetgeving die strijdig is met Unierecht, de nationale rechter verplicht is om die soepeler nationale regels óók toe te passen in het kader van aansprakelijkheid voor wetgeving in strijd met het Unierecht.
Het doeltreffendheidsbeginsel houdt in dat de toegepaste nationale regeling de effectuering van Unierechtelijke rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken.7 Nationale wetgeving wordt dus getoetst aan dit beginsel (rechtmatigheidstoetsing) en deze toetsing heeft mogelijk verstrekkende gevolgen. Zo oordeelde het Hof van Justitie in het arrest Cogeco dat een nationale wettelijke verjaringsregel – het draaide in deze zaak om een Portugese wetsbepaling – die voorziet in een driejarige verjaringstermijn voor schadevergoedingsvorderingen die een aanvang neemt ook zónder dat de benadeelde bekend is met degene die aansprakelijk is, en niet kan worden geschorst of gestuit, in strijd is met (art. 102 VwEU en) het doeltreffendheidsbeginsel.8 Een ander voorbeeld biedt het oordeel van de Rechtbank Amsterdam in Equilib/KLM c.s. en SCC/KLM c.s., waarin zij de conflictregel voor schadevergoedingsvorderingen uit de WCOD (art. 4 lid 1) buiten toepassing liet, omdat zij van oordeel was dat het door die regel bereikte resultaat – een inbreuk op het mededingingsrecht die de handel in meerdere staten heeft beïnvloed brengt mee dat de verschillende schadevergoedingsvorderingen wegens die inbreuk door veel verschillende rechtsstelsels worden beheerst – zich niet verhield met het doeltreffendheidsbeginsel.9 Ook indien het Unierecht voor de effectuering van Unierechtelijke rechten gebruikmaakt van het nationale recht, speelt het Unierecht dus een rol.
32. Remedies. Soms voorziet het Unierecht zelf in een remedie ter bescherming van een Unierechtelijk recht. Zo bepaalt de AVG dat de betrokkene jegens verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers rechten heeft ten aanzien van de wijze waarop, en de voorwaarden waaronder, de verwerking van zijn persoonsgegevens plaatsvindt, en bepaalt de AVG óók dat indien die rechten worden geschonden, de betrokkene recht heeft op vergoeding van zijn schade (art. 82 lid 2 AVG).10 In dat geval kent het Unierecht de betrokkene onder omstandigheden ook samenlopende rechten op schadevergoeding toe jegens verschillende schuldenaren, waarbij betaling door de ene schuldenaar ook de andere(n) bevrijdt (art. 82 lid 4 en 5 AVG). In dat geval is hoofdelijke aansprakelijkheid dus een remedie voor de schending van een Unierechtelijk recht.11
Een Unierechtelijke remedie als schadevergoeding kan zelf eveneens resulteren in een voor bescherming vatbaar recht, zij het dat het dan gaat om andersoortige bescherming. Indien het nationale recht bijvoorbeeld onvoldoende voorziet in regels die voorzien in de uitoefening door een particulier van een hem toekomend recht op schadevergoeding jegens een andere particulier, kan de desbetreffende lidstaat als remedie voor de schending van dát recht – het recht op schadevergoeding jegens een particulier – mogelijk zélf verplicht zijn tot schadevergoeding aan de betrokkene (lidstaataansprakelijkheid).
In andere gevallen laat het Unierecht het expliciet over aan het nationale recht om nadere regels te stellen omtrent de beschikbare remedies wegens schending van Unierecht.12 Ook in gevallen waarin het Unierecht zelf niet voorziet in een remedie, maar niet expliciet verwijst naar nationaal recht, zal voor het vinden van een passende remedie moeten worden ‘teruggevallen’ op het nationale recht. Is bijvoorbeeld sprake van aan verordening die rechten toekent aan particulieren, zonder zelf een sanctie te stellen op inbreuk op die rechten,13 dan zal het toepasselijke nationale recht moeten voorzien in een remedie, bijvoorbeeld in de vorm van nietigheid van een rechtshandeling of een recht op schadevergoeding.
Direct horizontaal werkende regels van Unierecht, bijvoorbeeld uit verordeningen of verdragen, vallen mijns inziens onder het wetsbegrip uit art. 3:40 BW en art. 6:162 BW.14 Dit betekent dat rechtshandelingen die in strijd met een direct horizontaal werkende regel van Unierecht zijn, nietig of vernietigbaar zijn indien aan de voorwaarden uit art. 3:40 BW is voldaan (strijd met een dwingende wetsbepaling), en dat gedragingen in strijd met een dergelijke norm aansprakelijkheid in het leven roepen indien aan de voorwaarden uit art. 6:162 BW is voldaan (strijd met een wettelijke plicht).
Daarnaast meen ik dat hetzelfde geldt voor art. 6:6 lid 2 BW, dat “de wet” noemt als bron van hoofdelijke verbondenheid. Indien het Unierecht voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid als remedie, meen ik dus dat het gaat om hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van Afdeling 6.1.2 BW, zodat de gevolgen daarvan – indien Nederlands recht van toepassing is – worden beheerst door art. 6:6 e.v. BW.15
33. Procedureregels. Zelfs in gevallen waarin het Unierecht zelf voorziet in een remedie, wordt doorgaans teruggevallen op het nationale recht voor het effectueren van die remedie. Het Unierecht kent voor de handhaving van rechten van particulieren in horizontale rechtsverhoudingen doorgaans geen eigen rechtsingang,16 noch regels voor de wijze waarop een dergelijke procedure moet worden gevoerd. Die kwesties zijn dan overgelaten aan het nationale recht van de lidstaten. De procedurele autonomie van de lidstaten is daarbij niet beperkt tot regels die nationaalrechtelijk als procesrechtelijk worden aangemerkt. Zo zou men regels ten aanzien van bewijs en verjaring zowel kunnen zien als procesrechtelijke regels als materieelrechtelijke regels,17 maar is duidelijk dat het bij gebreke van Unierechtelijke regels is overgelaten aan het nationale recht is om de regels inzake bewijs en verjaring vorm te geven (uiteraard binnen de door de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid getrokken grenzen).18 Ook hier gaat het om ‘procedureregels’ ter effectuering van door het Unierecht toegekende rechten.
Wat betreft de gevallen waarin het Unierecht zelf wél voorziet in procedureregels, kan bijvoorbeeld worden gewezen op de regels inzake rechtsmacht: het Unierecht wijst de internationaal bevoegde gerechten aan, indien het gaat om aanspraken die vallen binnen het materiële, formele en temporele toepassingsbereik van (thans) Brussel I-bis. Zijn die regels niet van toepassing, bijvoorbeeld omdat het gaat om een procedure inzake faillissement,19 of om een procedure jegens een gedaagde zonder woonplaats op het grondgebied van een lidstaat,20 dan wordt teruggevallen op het toepasselijke nationale recht.21 Daarnaast voorziet het Unierecht in bijvoorbeeld de AVG in procesrechtelijke regels, onder meer door te bepalen dat indien in verschillende lidstaten procedures aanhangig zijn voor de gerechten van verschillende lidstaten, de niet als eerste aangezochte gerechten de procedure kunnen schorsen (art. 81 AVG). Ook in verschillende richtlijnen zijn procesrechtelijke bepalingen opgenomen, die voor hun werking uiteraard afhankelijk zijn van implementatie in het nationale recht. 22
34. Samenloop en voorrang. De hiervoor beschreven procedurele autonomie van de lidstaten kan ten onrechte de indruk wekken dat regels over het effectueren van door het Unierecht toegekende rechten ófwel door het Unierecht zelf worden gegeven, ófwel door het nationale recht. Het Unierecht staat niet eraan in de weg dat Unierechtelijke remedies en zuiver nationaalrechtelijke remedies naast elkaar gelden, noch dat Unierechtelijke procedureregels en zuiver nationaalrechtelijke procedureregels naast elkaar van toepassing zijn. Wat betreft samenloop van remedies kan worden gewezen op gevallen waarin zowel het Unierecht als het recht van nationale origine voorziet in nietigheid van een rechtshandeling wegens strijd met Unierecht,23 of indien beide voorzien in een recht op schadevergoeding.24 Soms bepaalt het Unierecht met zoveel woorden dat de remedie waarin het voorziet, geen afbreuk doet aan remedies die een particulier reeds heeft op grond van het nationale recht,25 maar noodzakelijk is dit niet. Wat betreft procedureregels kan worden gewezen op gevallen waarin het Unierecht zelf voorziet in een rechtsingang, bijvoorbeeld in geval van schending van de AVG, in die gevallen waarin ook het nationale recht voorziet in een dergelijke rechtsingang.26
De voorrang van het Unierecht staat niet aan samenloop in de weg.27 Slechts indien sprake is van een conflict tussen toepasselijke en inroepbare Unierechtelijke normen en normen van zuiver nationale origine, is sprake van een samenloopprobleem, dat aan de hand van de voorrang van Unierecht kan worden opgelost.28