Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/2.4.1
2.4.1 Open normen en de triasleer
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS493840:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij gaat het dan vooral om de samensmelting van regering en volksvertegenwoordiging en dus van wetgever en bestuur. Zie daarover onder meer: Brenninkmeijer, NJB 2012, p. 192 e.v.
Het EHRM deed uitspraak in het Procola-arrest. Toen de Luxemburgse Raad van State als bestuursrechter wilde oordelen over de jaarlijkse melkquota maakte de zuivelcoöperatie Procola daartegen bezwaar omdat de Raad zich hierover eerder uitsprak als adviseur van de Luxemburgse wetgever. Het hof ging mee in dat bezwaar, waardoor ook voor Nederland de dubbelfunctie van de Raad van State – hoogste bestuursrechter en wetgevingsadviseur – een probleem werd. Zie EHRM 28 september 1995, ECLI:NL:XX:1995:AG0214, NJ 1995/667.
Na veel beraad, inspraak en discussie kwam de regering met het wetsontwerp waarin de Raad van State werd gesplitst (Kamerstukken II 2016/17, 34389). In dat ontwerp werden ook de administratiefrechtelijke instanties herverdeeld. Dit laatste leidde tot amendering waar de regering niet in mee wilde gaan. In november 2016 berichtte de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties namens het kabinet dat zij het wetsontwerp daarom introk (Kamerstukken II 2016/17, 34389, 23).
Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145.
Hof Den Haag 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591. Tegen het arrest is cassatie ingesteld (https://www.rechtspraak.nl/Bekende-rechtszaken/klimaatzaak-urgenda).
Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, r.o. 4.95.
Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, r.o. 4.98.
Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, r.o. 4.102.
Boogaard, Ars Aequi 2016, p. 26-33.
Hof Den Haag 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591, r.o. 69.
Lefranc, NJB 2019, p. 472-525.
Die woorden waren dat rechters ‘ne sont que la bouche qui prononce les paroles de la loi, des êtres inanimés qui n’en peuvent modérer ni la force, ni la vigueur’. Zie voor uitleg en nuancering Foqué 2009, p. 79-92 en de daar vermelde literatuur.
Op deze stelling is weliswaar het nodige af te dingen, omdat de meeste open normen in de wetgeving hun oorsprong vinden in de rechtspraak. Hartkamp heeft daarop gewezen in reactie op de opmerking van Wiarda (in zijn Drie typen van rechtsvinding) dat de wetgever destijds in het Nieuw Burgerlijk Wetboek veel open normen had opgevoerd. Volgens Hartkamp ging het hier goeddeels om codificatie van bestaande jurisprudentie (Hartkamp, WPNR 1981, p. 213-217 en 229-233).
In dit geval is dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM). De AFM blijkt hier een actieve en strenge toezichthouder. In maart 2016 legde deze autoriteit flinke boetes op aan de vier grootste accountantskantoren vanwege hun handelen in strijd met de genoemde open norm (zorgplicht) zoals vastgelegd in artikel 14 Wta. Die boetes varieerden van ruim 800.000 euro tot ruim 2 miljoen euro, ofschoon vaststond dat de desbetreffende kantoren al de nodige verbeteringen hadden doorgevoerd naar aanleiding van eerder corrigerend optreden van de AFM. Zie onder meer: Wits 2016 en Jongstra 2016 (https://www.accountant.nl/opinie/2016/4/wanneer-is-goed-goed-genoeg/ (27 februari 2017). Zie, met betrekking tot twee andere, actief invullende inspecties, het in paragraaf 2.3.4 genoemde proefschrift van Timmer (Timmer 2011).
Zoals in artikel 6:2 (verbintenissen), 6:248 (rechtsgevolgen overeenkomst) en 6:258 (wijziging of ontbinding van overeenkomst door de rechter) BW.
Men kan in ons land moeilijk spreken van een consequente toepassing van de triasleer. Er zijn zelfs auteurs die menen dat we zo ver van Montesquieus inrichting van de staat zijn geraakt dat het treffender zou zijn om ons huidige systeem te beschouwen als een duas politica, mogelijk zelfs een unitas politica.1 Met duas politica wordt geduid op de ontwikkeling waarbij regering en parlement steeds dichter bij elkaar komen te staan, onder meer door de toenemende gebondenheid van beide partijen aan het regeerakkoord. In die gedachte vormen regering en parlement één macht naast de rechter als tweede macht. Wanneer de unitas politica wordt geopperd, duidt men op verlies van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Daarbij wordt gewezen op de bestuursrechter die vaak het bestuursstandpunt volgt of de strafrechter die door wettelijke geregelde minimumstraffen niet meer vrij is de straf achterwege te laten wanneer naar zijn oordeel de omstandigheden of de persoon van de dader hiertoe aanleiding geven.
Niet alleen zijn de drie machten in veel opzichten moeilijk te onderscheiden, ook toont onze staatsinrichting in ander opzicht belangrijke afwijkingen van de triasleer. Dat zien we vooral daar, waar eenzelfde orgaan zich niet tot een van de drie machten beperkt. De regering is daarvan het voorbeeld door niet alleen op te treden als bestuursorgaan, maar ook als wetgevend orgaan. Een ander voorbeeld treffen we bij de Raad van State, die zowel hoogste bestuursrechter is als adviseur van de wetgevende macht.
Maar deze verschillen tussen de leer en de praktijk nemen niet weg dat de triasleer nog leeft. Zo treft de genoemde dubbelfunctie van de Raad van State de nodige kritiek en is uiteindelijk een probleem gevonden door een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens2. Onze wetgever heeft hieruit de consequentie getrokken dat de functies van de Raad van State moeten worden gescheiden.3
Ook het vonnis4 en het arrest5 in de Urgenda-kwestie (dat zag op diverse vorderingen van Stichting Urgenda jegens de Staat inzake het beperken van de emissies van broeikasgassen) heeft de discussie inzake de trias politica weer aangewakkerd. In het vonnis wordt in dat kader overwogen:
“De rechtbank stelt hierbij voorop dat het Nederlandse recht geen volledige scheiding van de staatsmachten, in dit geval tussen de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht, kent. De verdeling van bevoegdheden over deze organen (en de wetgevende macht) strekt veeleer tot het bereiken van een evenwicht tussen deze staatsmachten. Daarbij heeft niet de ene macht in algemene zin en in alle gevallen het primaat boven de andere. Wel heeft elke staatsmacht haar eigen opdracht en verantwoordelijkheden. De rechter biedt rechtsbescherming en beslecht rechtsgeschillen. Hij moet dit ook doen als het van hem wordt gevraagd. Het is een wezenlijk kenmerk van de rechtsstaat dat ook het handelen van (zelfstandig democratisch gelegitimeerde en gecontroleerde) politieke organen, zoals de regering en de volksvertegenwoordiging, kan – en soms zelfs moet – worden beoordeeld door de van deze organen onafhankelijke rechter. Dit betreft dan een rechtmatigheidsoordeel. De rechter treedt daarbij niet in het politieke domein, met de daarbij behorende afwegingen en keuzen. Hij moet zich, los van iedere politieke agenda, beperken tot zijn domein, de toepassing van het recht. Afhankelijk van de kwesties en vorderingen die hem worden voorgelegd, zal zijn toets meer of minder terughoudend zijn. Grote terughoudendheid of zelfs abstinentie is vereist als het gaat om beleidsmatige afwegingen van uiteenlopende belangen die de inrichting of de ordening van de samenleving betreffen. De rechter moet zich ervan bewust zijn dat hij slechts een rol speelt in een rechtsgeschil tussen twee of meer partijen. Overheden, zoals de Staat (met organen zoals de regering en de Staten-Generaal), moeten daarentegen een algemene afweging maken, met inachtneming van mogelijk veel meer posities en belangen.6
[…]
In algemene zin valt de vordering, gegeven de daarvoor door Urgenda aangevoerde gronden, niet buiten het hier voor de rechter afgebakende domein. Het gaat in de kern om rechtsbescherming en om een in dat kader vereiste ‘rechtstoetsing’. Dit neemt niet weg dat toewijzing van een of meer onderdelen van de vordering ook politieke consequenties kan hebben en in zoverre de politieke besluitvorming kan doorkruisen. Maar dat is in een rechtsstaat inherent aan de rol van de rechter ten opzichte van overheidsorganen. […]”7
Kortom, Rechtbank Den Haag meent dat als hij zich toelegt op zijn eigen domein (de toepassing van het recht) en zich terughoudend opstelt als het gaat om beleidsmatige afwegingen die de samenleving betreffen, hij goed handelt. De slotsom van de rechtbank is:
“De rechtbank komt ten aanzien van de hier besproken kwestie tot de slotsom dat de aspecten die samenhangen met de trias politica, niet in algemene zin een belemmering vormen voor toewijzing van een of meer onderdelen van de vordering, en in het bijzonder niet voor het geven van het bedoelde reductiebevel. De terughoudendheid die de rechter past leidt niet tot een verdere beperking dan die welke voortvloeit uit de eerder besproken beleidsvrijheid van de Staat.”8
Boogaard benoemt verschillende publicaties met standpunten over deze overwegingen van de rechter inzake de trias-politicadiscussie aangaande het Urgenda-vonnis.9
De Staat heeft bij het hof een beroep gedaan op de trias politica. Het hof wijst dit kort van de hand:
“De Staat heeft verder een beroep gedaan op de trias politica, en op de rol van de rechter in ons staatsbestel. Die rol zou er naar zijn opvatting aan in de weg staan dat de rechter een bevel aan de Staat geeft zoals de rechtbank heeft gedaan. Dit verweer gaat niet op. Het hof is gehouden om rechtstreeks werkende bepalingen van verdragen waarbij Nederland partij is, zoals de artikelen 2 en 8 EVRM, toe te passen. Dergelijke bepalingen maken immers deel uit van de Nederlandse rechtssfeer en zij hebben zelfs voorrang boven Nederlandse wetten die daarvan afwijken.”10
Na dit arrest is de discussie weer opgelaaid. Zie bijvoorbeeld Lefranc die een aantal van die standpunten behandelt.11
De triasleer is dus nog wel degelijk een gehanteerde toetssteen. Dat is zeker het geval waar het om de verhouding tussen wetgever en rechter gaat. Naar de leer van Montesquieu gaat het hier om een machtsverdeling tussen de wetgever die algemene regels vaststelt en de rechter die deze regels in concrete gevallen toepast. De woorden van Montesquieu, die duiden op een volledig neutrale en aan de wet gebonden rechter, zijn door velen besproken met als grote lijn dat zijn woorden minder absoluut moeten worden opgevat dan ze lijken.12 Waar het open normen betreft, is overigens nog enige ruimte voor de stelling dat de rechter hier weliswaar de nodige vrijheid van beoordeling heeft, maar dat die ruimte door de wetgever is gegeven en daarom is op te vatten als het volgen van de wil van de rechter.13
De vrijheid van beoordeling die de rechter krijgt of neemt bij toepassing van open normen is niet altijd even groot. Bij een open norm als die in artikel 14 Wet toezicht accountantsorganisaties, waarbij het gaat om de plicht van het accountantskantoor om ervoor te zorgen dat ook hun externe accountants voldoen aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen, is de rol van de rechter nog betrekkelijk beperkt. Niet alleen is een aantal eisen al door de wetgever ingevuld, maar er is hier bovendien een toezichtsorgaan dat actief optreedt en de open norm steeds verder invult.14 Groot is de rechterlijke beoordelingsruimte bij wettelijke bepalingen die de redelijkheid en billijkheid als norm bevatten.15 De wetgever geeft in artikel 3:12 BW weliswaar een instructie aan de rechter voor de toepassing ervan, maar die instructie kan bijna niet ruimer. De wetgever verwijst in dit artikel naar algemeen erkende rechtsbeginselen, levende rechtsovertuigingen en maatschappelijke en persoonlijke belangen, waarmee de rechter (slechts) rekening hoeft te houden.
Gelet op de maar zeer beperkte en allerminst consequente doorvoering van de triasleer in onze staatsrechtelijke praktijk, kunnen we concluderen dat een triasbezwaar tegen open normen niet loodzwaar weegt. Het ligt meer voor de hand om de overdracht van de (nadere) wetgevende taak van wetgever naar rechter niet te toetsen aan zo’n abstract en beperkt toepasbaar beginsel als de triasleer, maar na te gaan of die overdracht tot concrete problemen leidt. In hoofdzaak kunnen zich hier twee problemen voordoen, één aan de kant van de rechter en één aan de kant van de wetgever. De ruime overdracht van normerend optreden van wetgever naar rechter die met het opnemen van open normen gepaard gaat, zou problematisch zijn wanneer de rechter bijvoorbeeld niet bereid zou zijn om normerend op te treden, dan wel wanneer de wetgever al een volledige normering biedt.